ECLI:NL:RBMNE:2025:6782

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/311
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering van te veel betaalde WIA-voorschotten door het Uwv

In deze zaak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht tot terugvordering van in 2023 aan eiseres te veel betaalde voorschotten op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is overgegaan. Eiseres, die sinds 15 juni 2015 een WIA-uitkering ontvangt en daarnaast als zelfstandige werkt, betwist de terugvordering van € 4.915,92 bruto. Zij stelt dat het Uwv het vrijgelaten inkomen had moeten indexeren en dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. De rechtbank oordeelt dat het Uwv de te veel betaalde WIA-voorschotten terecht heeft teruggevorderd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van het Uwv, maar het Uwv heeft dit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 4 juni 2025, waar eiseres en haar gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van het Uwv. De rechtbank concludeert dat er geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien, aangezien het voor eiseres duidelijk was dat de WIA-uitkering op voorschotbasis werd uitbetaald. De rechtbank wijst erop dat de terugvordering voortvloeit uit de definitieve vaststelling van de WIA-uitkering op basis van de gegevens van de Belastingdienst. Eiseres kan een verzoek indienen bij de Belastingdienst voor teruggave van teveel betaalde belasting. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de verzoeken van eiseres af.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/311

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E. van Sark),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: W.A. Postma).

Inleiding

Samenvatting
In deze zaak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht tot terugvordering van in 2023 aan eiseres te veel betaalde voorschotten op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is overgegaan. Volgens eiseres dient het Uwv het vrijgelaten inkomen te indexeren en zijn er dringende redenen op grond waarvan het Uwv van terugvordering had moeten afzien. De rechtbank volgt dit niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de te veel betaalde WIA-voorschotten terecht geheel heeft teruggevorderd.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
1.1.
Eiseres ontvangt sinds 15 juni 2015 een WIA-uitkering en werkt daarnaast als zelfstandige. Zij heeft tot en met 14 november 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen. Deze uitkering is met ingang van 15 november 2016 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.
1.2.
Het Uwv heeft de WIA-uitkering over de periode 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 op voorschotbasis uitbetaald. Met het primaire besluit van 2 augustus 2024 heeft het Uwv de uitkering over deze periode definitief berekend (na ontvangst van de gegevens van de Belastingdienst) en beslist dat eiseres het te veel betaalde voorschot van € 4.915,92 bruto moet terugbetalen.
1.3.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het bestreden besluit van 19 december 2024 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft de zaak behandeld op de zitting van 4 juni 2025. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Het geschil

2.1.
Eiseres ontvangt naast haar WIA-uitkering inkomsten uit werk als zelfstandige. Die inkomsten zijn door het Uwv in mindering gebracht op de WIA-uitkering van eiseres, op het zogenoemde vrijgelaten inkomen na. Dat is kort gezegd het inkomen dat eiseres als zelfstandige verdiende voordat zij ziek werd. Het Uwv heeft in het arbeidskundig rapport van 12 juni 2015 het vrijgelaten inkomen in het geval van eiseres vastgesteld op een bedrag van € 6.209,-. Voor het jaar 2023 is het Uwv naar aanleiding van de gegevens van de Belastingdienst uitgegaan van een bedrag van € 16.042,- aan winst. Na aftrek van het vrijgelaten inkomen van € 6.209,- heeft eiseres gemiddeld € 819,42 per maand aan inkomsten verdiend. Het Uwv heeft vervolgens berekend dat eiseres in totaal € 4.915,92 bruto te veel uitkering (inclusief vakantiegeld) heeft ontvangen, en heeft dit van eiseres teruggevorderd.
2.2.
Eiseres is het niet eens met de terugvordering. Zij voert in dat verband aan dat het vrijgelaten inkomen ten onrechte niet is geïndexeerd, waardoor zij er ieder jaar in komen verder op achteruitgaat. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien en dat het Uwv ten onrechte niet kenbaar heeft gemaakt dat de uitkering die zij over het kalenderjaar 2023 heeft ontvangen slechts als voorschot werd uitbetaald.

Beoordeling door de rechtbank

Op de zaak betrekking hebbende stukken
3.1.
Eiseres voert aan dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Volgens eiseres overlegt het Uwv voor elk kalenderjaar andere stukken, zodat de conclusie niet anders kan zijn dat niet alle relevante stukken voor de beoordeling van het beroep zijn overgelegd. Op de zitting heeft eiseres nader toegelicht dat de uitspraak van 30 november 2022 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over de kalenderjaren 2016 tot en met 2019 in het dossier ontbreken. Verder klopt het volgens eiseres niet dat het dossier begint met een stuk uit 2020 gelet op de voorgeschiedenis sinds de toekenning van haar WIA-uitkering in 2015. Het beroep is volgens eiseres alleen al daarom gegrond.
3.2.
De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het Uwv gehouden de stukken in te brengen die nodig zijn om te beoordelen of het Uwv terecht over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 onverschuldigd verstrekte voorschotten tot een bedrag van € 4.915,92 bruto terecht van eiseres heeft teruggevorderd. In de enkele opmerking van eiseres dat voor elk kalenderjaar andere stukken worden overgelegd, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv niet aan deze verplichting heeft voldaan. Verder volgt de rechtbank niet dat het Uwv de door eiseres genoemde uitspraken had moeten overleggen. Deze stukken liggen namelijk niet ten grondslag aan het bestreden besluit van 19 december 2024. Eiseres heeft naar aanleiding van de door het Uwv overgelegde inventarislijst ook niet aangevoerd dat zij over concrete aanwijzingen beschikt dat er stukken ontbreken die relevant zouden zijn voor de beoordeling van haar beroep en deze stukken ook niet zelf overgelegd. De rechtbank gaat gelet hierop dan ook uit van de door het Uwv overgelegde stukken.
Het niet indexeren van het vrijgelaten inkomen en het evenredigheidsbeginsel
4.1.
Eiseres betoogt dat het Uwv het vrijgelaten inkomen ten onrechte niet heeft geïndexeerd en dat dit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. In dat verband wijst eiseres erop dat het vrijgelaten inkomen niet is geregeld in een wet in formele zin zoals de Wet WIA, maar in een lagere regeling, te weten artikel 3:2, vijfde lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB). De Wet WIA en het AIB bevatten volgens eiseres geen beletsel om het vrijgelaten inkomen te indexeren. Op de zitting heeft eiseres nader toegelicht dat het Uwv volgens haar de bepaling uit het AIB interpreteert als een verbod om het vrijgelaten inkomen te indexeren. Eiseres stelt dat dit verbod vanwege strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing gelaten moet worden, omdat dit in haar geval onevenredig nadelige gevolgen met zich brengt. Eiseres vraagt daarmee om een zogenoemde exceptieve toetsing van het voorschrift waar het bestreden besluit op is gebaseerd voor wat betreft de berekening van het vrijgelaten inkomen.
4.2.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. In artikel 61 van de Wet WIA is bepaald op welke wijze inkomsten van een uitkeringsgerechtigde in mindering worden gebracht op een WIA-uitkering, zoals eiseres die ontvangt. In artikel 61, achtste lid, van de Wet WIA is vermeld dat bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomsten als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Die algemene maatregel van bestuur is het AIB. Uit artikel 3:2, eerste lid, van het AIB volgt kort gezegd dat inkomsten als zelfstandige als inkomen hebben te gelden dat in principe in mindering moet worden gebracht op de WIA-uitkering. Op grond van artikel 3:2, vijfde lid, van het AIB wordt echter het inkomen dat een uitkeringsgerechtigde op de dag voorafgaand aan de dag van ziekmelding ontvangt uit andere werkzaamheden dan waaruit het recht op uitkering is ontstaan, niet in aanmerking genomen voor de WIA-uitkering. [1] Dit is het vrijgelaten inkomen.
4.3.
Het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel is gericht tegen de bepaling van artikel 3:2, vijfde lid, van het AIB. Die bepaling voorziet niet in het indexeren van het vrijgelaten inkomen. De vraag is of dat voorschrift om die reden in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, zoals eiseres betoogt. Als sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel kan een voorschrift namelijk onverbindend worden verklaard of in het concrete geval buiten toepassing worden gelaten, zodat een besluit daar niet op kan worden gebaseerd. De toepassing van artikel 3:2, vijfde lid van het AIB betekent in het geval van eiseres dat een bedrag van € 6.209,- van de door haar gerealiseerde inkomsten als zelfstandige niet wordt gerekend als inkomen dat in mindering op de WIA-uitkering moet worden gebracht. Het onverbindend verklaren of buiten toepassing laten van die bepaling zou dan meebrengen dat het volledige bedrag aan winst wordt aangemerkt als inkomen en dus wordt verrekend met haar WIA-uitkering. Het zou gelet daarop dan ook juist in het nadeel van eiseres zijn als deze bepaling buiten toepassing zou worden gelaten. Zoals eiseres ter zitting heeft aangegeven, is dat uiteraard niet wat zij beoogt.
4.4.
De rechtbank volgt eiseres voorts niet in haar standpunt dat de bepaling van artikel 3:2, vijfde lid, van het AIB moet worden gelezen als een verbod om het vrijgelaten inkomen te indexeren, dat met een beroep op het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing kan worden gelaten. Voor een dergelijke lezing zijn in de tekst van het AIB en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan geen aanknopingspunten te vinden. Eiseres vraagt in feite om een inhoudelijke aanvulling van het voorschrift van artikel 3:2, vijfde lid, van het AIB, in de zin dat het bedrag aan vrijgelaten inkomen wordt geïndexeerd en dus wordt verhoogd ten opzichte van het bedrag aan vrijgelaten inkomen waar het voorschrift in voorziet. Dat is echter niet aan de rechtbank. Daarbij merkt de rechtbank op dat de door eiseres gevraagde voorziening verschilt van de situatie die aan de hand was in de zaak die voorlag in de uitspaak van de CRvB van 27 juni 2024. [2] In die zaak ging het om het buiten toepassing laten van een voorschrift waarin de kring van begunstigden werd beperkt, met als gevolg dat een afwijzend besluit daar niet op kon worden gebaseerd. Het buiten toepassing laten van het voorschrift had in dat geval tot gevolg dat de kring van begunstigden werd verruimd. In het geval van eiseres gaat het daarentegen om een verruiming van de inhoud van het begunstigende voorschrift. Zoals de rechtbank ook heeft beslist in haar uitspraak van 23 oktober 2024 met betrekking tot de terugvordering over het jaar 2022 [3] , biedt het evenredigheidsbeginsel daarvoor naar het oordeel van de rechtbank geen basis. Het is daarentegen aan de wetgever om hierover keuzes te maken en te beoordelen of de wet- en regelgeving op dit punt zou moeten worden aangepast. Wat eiseres heeft aangevoerd vormt geen aanleiding om in deze procedure van dat eerdere oordeel af te wijken.
4.5.
Gelet op het voorgaande kan de beroepsgrond niet slagen. De rechtbank heeft op zichzelf begrip voor het standpunt van eiseres dat zij door het ontbreken van wettelijke bepalingen over de indexatie van het vrijgelaten inkomen feitelijk ieder jaar in haar inkomstenpositie achteruit gaat. De rechtbank ziet echter juridisch geen ruimte om daar op grond van het evenredigheidsbeginsel een voorziening voor te treffen.
Dringende reden
5.1.
Eiseres voert aan dat het Uwv ten onrechte geen dringende reden heeft aangenomen om van terugvordering af te zien. Daarbij wijst eiseres op het feit dat zij in armoede moet leven omdat het vrijgelaten inkomen niet wordt geïndexeerd. Dat met eiseres een betalingsregeling is afgesproken is volgens haar daarbij niet relevant. Eiseres is verder van mening dat het Uwv in dit verband had moeten meewegen dat het Uwv haar niet op juiste wijze heeft geïnformeerd over het feit dat haar WIA-uitkering over het jaar 2023 op voorschotbasis werd uitbetaald. Eiseres heeft tot slot op de zitting nog opgemerkt dat er in ieder geval sprake is van een dringende reden om af te zien van terugvordering van het brutobedrag. Dit omdat het aan het Uwv te wijten is dat de terugvordering op een zodanig laat moment plaatsvindt dat het Uwv de aan de Belastingdienst afgedragen loonbelasting en premiesvolksverzekeringen niet meer intern kan verrekenen, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van eiseres.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat het Uwv in principe verplicht is terug te vorderen wat onverschuldigd is betaald. Dat volgt uit artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA. De bevoegdheid om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien is op grond van het zesde lid van dat artikel beperkt tot situaties waarin dringende redenen aanwezig zijn. In de tussenuitspraak van 18 april 2024 [4] heeft de CRvB zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De CRvB ziet het begrip dringende reden voortaan als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering van het teveel betaalde voorschot af te zien. Daarbij is van belang dat aan het verlenen van een voorschot ook inherent is dat de definitieve hoogte van de uitkering nog niet vaststaat. Dit kan ertoe leiden dat achteraf blijkt dat het voorschot te hoog is geweest en dat een teveel betaald bedrag aan uitkering moet worden terugbetaald. In dit geval is de oorzaak van de terugvordering gelegen in het feit dat de inkomsten van eiseres als zelfstandige vooraf alleen kunnen worden geschat en pas achteraf bij het Uwv bekend zijn aan de hand van gegevens van de Belastingdienst. Dit is ook aan eiseres medegedeeld in onder meer de brieven van 19 maart 2020, 25 augustus 2021 en van 1 september 2022. Gelet daarop was het voor eiseres (ook vooraf) duidelijk dat ook de bedragen aan WIA-uitkering die zij in 2023 ontving op voorschotbasis werden uitbetaald. Eiseres moest er dus ook voor 2023 rekening mee houden dat de gegevens bij de Belastingdienst zouden kunnen leiden tot een lagere uitkering dan het voorschot en daarmee tot een terugvordering daarvan. De definitieve vaststelling van de WIA-uitkering van eiseres in 2023 heeft het Uwv vervolgens, zoals aangegeven in het primaire besluit van 2 augustus 2024, gebaseerd op de aanslag inkomstenbelasting van de Belastingdienst. Niet gebleken is dat er een onredelijk lange tijd verstreken is tussen de ontvangst van die aanslag door het Uwv en de definitieve vaststelling van de WIA-uitkering en de terugvordering van het teveel betaalde voorschot. Ten aanzien daarvan kan het Uwv geen verwijt worden gemaakt. Om diezelfde reden kan het Uwv ook niet worden verweten dat de terugvordering pas na afloop van het kalenderjaar plaatsvindt, zodat het Uwv de aan de Belastingdienst afgedragen loonbelasting en premiesvolksverzekeringen niet meer intern kan verrekenen en eiseres het teveel aan (netto) ontvangen voorschot bruto moet terugbetalen. Het Uwv kon de WIA-uitkering immers niet eerder definitief vaststellen, nu zij pas in de loop van 2024 over de daarvoor benodigde gegevens beschikte. Daarbij merkt de rechtbank nog ten overvloede op dat eiseres bij de Belastingdienst een verzoek kan indienen tot teruggave van teveel betaalde loonbelasting en premies volksverzekeringen.
5.4.
Ook de financiële gevolgen van de terugvordering vormen geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Anders dan eiseres stelt is daarbij naar wel degelijk relevant dat met eiseres een betalingsregeling is getroffen, omdat het voor eiseres betekent dat zij het gehele bedrag niet in één keer hoeft terug te betalen. In plaats daarvan is nu afgesproken dat zij een bedrag van € 50,- per maand terug betaalt. Het is niet gebleken dat die betalingsregeling geen recht doet aan de financiële omstandigheden en aflossingscapaciteit – met inachtneming van de regels voor de beslagvrije voet – van eiseres. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Het begrip ‘fiscale winst’
6.1.
Eiseres voert tot slot aan dat het Uwv in het bestreden besluit de term ‘fiscale winst’ gebruikt ter motivering van dat besluit. Het begrip ‘fiscale winst’ bestaat echter niet in het AIB of in de Wet Inkomstenbelasting 2001, zo stelt eiseres. Volgens eiseres volgt hieruit dat sprake is van een motiveringsgebrek en moet het beroep gegrond worden verklaard.
6.2.
Het Uwv heeft toegelicht dat het op zichzelf juist is dat de term ‘fiscale winst’ als zodanig niet in de Wet WIA of het AIB staat, maar dat dit wel overeenkomt met hetgeen in artikel 3:2, eerste lid, onder d, van het AIB onder inkomen wordt verstaan. In deze bepaling is het volgende opgenomen:
“1 Onder inkomen wordt verstaan:
(…)
d. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in de artikelen 3.74 en 3.79a van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, van die wet, niet geacht worden te behoren tot de winst”.
6.3.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat het gebruiken van de term ‘fiscale winst’ in plaats van de wettelijke term uit artikel 3:2, eerste lid, onder d van het AIB een motiveringsgebrek oplevert. Eiseres heeft niet gesteld dat er bij haar onduidelijkheid bestond over wat er met ‘fiscale winst’ werd bedoeld, en dat is ook niet aannemelijk. In het bestreden besluit is namelijk ook met zoveel woorden aangegeven dat eiseres in 2023 inkomsten heeft gehad uit werkzaamheden als zelfstandige, en dat
“voor zelfstandigen geldt als basis voor het inkomen de belastbare winst uit onderneming uit de Wet inkomstenbelasting 2001. De belastbare winst uit onderneming is het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen verminderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Dit volgt uit de Wet inkomstenbelasting 2001.”
6.4.
Gelet hierop en hetgeen wat eiseres aanvoert bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van onduidelijkheid omtrent de uitleg van het begrip en bestaat ook geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 3:2, vijfde lid, van het AIB.
2.ECLI:CRVB:2024:1192.