ECLI:NL:RBMNE:2025:6783

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
UTR 23/3856, UTR 23/3860 en UTR 23/3862
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen te late Ziektewet- en Werkloosheidswetbesluiten

Eiseres maakte in 2023 bezwaar tegen besluiten van het UWV uit 2008 over haar Ziektewet- en Werkloosheidswetuitkeringen. Het UWV verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaarperiode van vijftien jaar.

De rechtbank oordeelde dat het UWV niet verplicht is om na zo'n lange tijd de verzending van de besluiten aannemelijk te maken, ondanks de ontkenning van eiseres over ontvangst. Eiseres was jarenlang bijstandsgerechtigde en had daardoor voldoende kennis van haar uitkeringssituatie.

De rechtbank verwierp het beroep van eiseres, stelde dat de hoorplicht niet was geschonden en dat er geen verschoonbare reden was voor de termijnoverschrijding. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De beroepen van eiseres tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaren worden ongegrond verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 23/3856, UTR 23/3860 en UTR 23/3862

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. C. Lubberts).

Inleiding

1. In deze zaak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen de besluiten van het Uwv waarin haar bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, omdat zij vijftien jaar later bezwaar heeft ingediend.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
1.1.
Eiseres heeft op 12 juni 2023 respectievelijk 22 juni 2023 bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 24 juli 2008, 1 september 2008 en 18 september 2008 van het Uwv.
1.2.
Met het besluit van 24 juli 2008 (het primaire besluit I) heeft het Uwv aan eiseres medegedeeld dat zij recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het beroep met zaaknummer UTR 23/3862 heeft betrekking op het bestreden besluit naar aanleiding van het bezwaar tegen het primaire besluit I.
1.3.
Met het besluit van 1 september 2008 (het primaire besluit II) heeft het Uwv beslist dat de ZW-uitkering van eiseres met ingang van 1 september 2008 wordt beëindigd. Het beroep met zaaknummer UTR 23/3860 heeft betrekking op het bestreden besluit naar aanleiding van het bezwaar tegen het primaire besluit II.
1.4.
Met het besluit van 18 september 2008 (het primaire besluit III) heeft het Uwv geweigerd aan eiseres per 1 september 2008 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toe te kennen. Het beroep met zaaknummer UTR 23/3856 heeft betrekking op het bestreden besluit naar aanleiding van het bezwaar tegen het primaire besluit III.
1.5.
Met de afzonderlijke besluiten van 14 juli 2023 (het bestreden besluit I, het bestreden besluit II en het bestreden besluit III) heeft het Uwv de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij te laat bezwaar heeft ingediend.
1.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten I, II en III. Het Uwv heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft de zaken behandeld op de zitting van 4 juli 2025. Eiseres en het Uwv zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

Op de zaak betrekking hebbende stukken
2.1.
Eiseres voert in UTR 23/3862 aan dat het Uwv niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, omdat in het dossier geen stukken zijn te vinden die zien op hoe de ZW-beoordeling tot stand is gekomen.
2.2.
In geschil is uitsluitend de vraag of eiseres tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 24 juli 2008, 1 september 2008 en 18 september 2008. Dat betekent dat het Uwv de stukken die hieraan ten grondslag liggen heeft moeten overleggen. Stukken die zien op de inhoudelijke ZW-beoordeling zijn in deze zaak dan ook geen op de zaak betrekking hebbende stukken. Het is de rechtbank verder ook niet gebleken dat in het dossier stukken ontbreken. De beroepsgrond slaagt niet.
De ontvankelijkheid van het bezwaar
3.1.
Eiseres is het met de bestreden besluiten niet eens, omdat zij van mening is dat het Uwv niet kan aantonen dat zij de besluiten wel heeft ontvangen. De dossierstukken en een deugdelijke verzendadministratie van het Uwv ontbreken. Daarnaast voert eiseres aan dat de hoorplicht is geschonden, omdat er geen sprake is van ‘kennelijkheid’.
3.2.
Op de zitting is duidelijk geworden dat eiseres haar beroepen heeft ingesteld vanwege de door haar gestelde doorlopende arbeidsongeschiktheid sinds 2008. Voor eiseres is daarom voornamelijk het beroep tegen het bestreden besluit II, het beëindigen van de ZW-uitkering, relevant. Om die reden zal de rechtbank in de motivering specifiek ingaan op dit bestreden besluit II. Deze motivering geldt evenwel ook voor de bestreden besluiten I en III.
3.3.
De rechtbank overweegt dat het volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [1] aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat een betrokkene een besluit heeft ontvangen wanneer een besluit niet aangetekend is verzonden en de ontvangst daarvan door de betrokkene wordt betwist. Een vermoeden van ontvangst van een besluit kan in zo’n geval in beginsel pas worden aangenomen nadat het bestuursorgaan de verzending daarvan aannemelijk heeft gemaakt, waarvoor van belang is of een deugdelijke verzendadministratie wordt gevoerd.
3.4.
Uit rechtspraak van de CRvB [2] volgt verder dat de hiervoor genoemde vaste rechtspraak er niet toe leidt dat in de situatie van eiseres aangenomen moet worden dat de bezwaarschriften van eiseres tijdig zijn ingediend. De rechtbank acht hiervoor doorslaggevend dat betrokkene pas na (bijna) vijftien jaar bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 24 juli 2008, 1 september 2008 en 18 september 2008, terwijl zij op de hoogte moet zijn geweest van het rechtsgevolg van dit besluit en de feitelijke gevolgen van het besluit ook moet hebben ondervonden.
3.5.
De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres jarenlang bijstand heeft genoten, welke op haar bankrekening is bijgeschreven. Voor het ontvangen van bijstand heeft eiseres ook verschillende gesprekken moeten voeren met de gemeente. Daaruit kan worden afgeleid dat voor eiseres duidelijk had moeten zijn dat de uitkering die zij kreeg te maken had met bijstand en niet met ziekte. Alleen daaruit blijkt al dat rechtsgevolg van het in elk geval gestopt zijn van de ZW-uitkering en dus het stoppen met medische beoordelingen voldoende duidelijk moet zijn geweest voor eiseres in een eerder stadium dan vijftien jaar na dato. De enkele ontkenning van de ontvangst van de besluit brengt dan in redelijkheid niet met zich mee dat het bestuursorgaan de verzending daarvan vijftien jaar later nog aannemelijk moet maken.
3.6.
Voorgaande betekent dat het Uwv het bezwaar van eiseres terecht (kennelijk)
niet-ontvankelijk heeft verklaard en het Uwv de hoorplicht niet heeft geschonden.
3.7.
In het kader van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, overweegt de rechtbank dat eiseres in ieder geval een jaar na de bestreden besluiten op de hoogte had moeten zijn van de rechtsgevolgen en dus bezwaar had kunnen maken. Eiseres heeft geen argumenten aangevoerd waarom zij niet binnen een jaar bezwaar heeft kunnen maken en waarom zij er vijftien jaar mee heeft gewacht. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Conclusie en gevolgen

4. De beroepen tegen de bestreden besluiten worden ongegrond verklaard. Er is daarom ook geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Eiseres krijgt ook haar griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2265 en de uitspraak van 5 september 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1742.
2.Zie de uitspraken van 21 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2495 en van 5 september 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1742.