Uitspraak
OVERWEGINGEN
Samenvatting
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 februari 2021 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving sinds 2003 een nabestaanden- en halfwezenuitkering op grond van de ANW. Met een besluit van 30 oktober 2008 beëindigde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) deze uitkering per 31 januari 2009, omdat het jongste kind van betrokkene toen achttien jaar werd. Betrokkene maakte pas in november 2020 bezwaar tegen dit besluit, dat door de Svb niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het bezwaar tijdig was ingediend omdat de Svb geen deugdelijke verzendadministratie kon aantonen, waardoor het vermoeden van ontvangst niet kon worden aangenomen. De Svb stelde echter dat het onredelijk was om na bijna twaalf jaar nog de verzending aannemelijk te moeten maken, zeker omdat betrokkene onbetwist op de hoogte was van de gevolgen van het besluit.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de vaste rechtspraak over bewijslastverdeling bij betwisting van ontvangst, maar oordeelde dat in deze zaak het late bezwaar niet tijdig kon worden geacht. De Raad vond doorslaggevend dat betrokkene pas na bijna twaalf jaar contact opnam en bezwaar maakte, terwijl zij destijds de gevolgen van het besluit direct ondervond. De enkele ontkenning van ontvangst rechtvaardigt niet dat de Svb de verzending na zo'n lange periode moet aantonen.
Daarmee vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van de Svb om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene tegen het besluit van 26 februari 2021 wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.