In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 11 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de WOZ-waarde van een woning in [plaats]. De heffingsambtenaar had de waarde van de woning vastgesteld op € 723.000,- per 1 januari 2023, wat leidde tot onroerendezaakbelasting. Eiser, de eigenaar van de woning, maakte bezwaar tegen deze vaststelling, maar de heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiser ging in beroep, waarbij de rechtbank de zaak op 22 september 2025 behandelde. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar met een taxatiematrix aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De rechtbank wees de stellingen van eiser grotendeels af, omdat deze onvoldoende onderbouwd waren en niet tijdig waren ingediend. Daarnaast verzocht eiser om immateriële schadevergoeding wegens een te lange procedure, maar de rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn niet was overschreden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.