ECLI:NL:RBMNE:2025:6828

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/4641
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 2.1 WaboArt. 2.2 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning hekwerk bij monumentale elevator wegens strijd met bestemmingsplan

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een hekwerk bij een monumentale elevator op een perceel met de bestemming 'Groen'. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht heeft deze aanvraag geweigerd omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en de goede ruimtelijke ordening.

Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, maar het college heeft alsnog tijdig op het bezwaar beslist, waardoor dit beroep niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank beoordeelde vervolgens het bestreden besluit inhoudelijk en concludeerde dat het college terecht de vergunning heeft geweigerd. Het stedenbouwkundig advies, hoewel summier, was zorgvuldig en onderbouwd en wees op de belemmering van het zicht en de verstoring van de ruimtelijke verbinding.

Eiser voerde ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel aan, stellende dat vergelijkbare woonboten vergunning kregen, maar de rechtbank oordeelde dat dit geen gelijke gevallen betrof. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van griffierecht af omdat het beroep tegen niet tijdig beslissen prematuur was ingesteld.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4641

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (het college), verweerder
(gemachtigden: mr. M.J.W. Gorissen en mr. R. Verstappen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om aan hem een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een hekwerk op het perceel bij een monumentale elevator nabij [adres] in [plaats] . Eiser is eigenaar van de elevator en is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Eiser krijgt geen gelijk. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor het plaatsen van een hekwerk op het perceel bij een monumentale elevator nabij [adres] in [plaats] . Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 19 december 2023 (het primaire besluit) afgewezen.
2.1.
Eiser heeft op 8 juli 2024 beroep ingediend wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
2.2.
Met het bestreden besluit van 30 juli 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het eerder ingestelde beroep wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar van rechtswege betrekking op het alsnog genomen bestreden besluit op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Op 15 juli 2025, 20 oktober 2025 en 22 oktober 2025 heeft eiser zijn beroepschrift aangevuld.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens verweerder zijn de gemachtigden verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen
3. Eiser heeft een ingebrekestelling verstuurd aan het college en daarin verzocht binnen twee weken een beslissing op bezwaar te nemen. Het college heeft binnen die termijn, op 30 juli 2024, een beslissing op bezwaar genomen. De rechtbank stelt vast dat het college met het bestreden besluit alsnog (tijdig) heeft beslist op het bezwaar van eiser. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom niet-ontvankelijk.
Het beroep gericht tegen het bestreden besluit
Overgangsrecht
4. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning vóór die datum is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Toetsingskader
5. De aanvraag heeft betrekking op de volgende activiteiten:
- bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a Wabo);
- wijzigen van een gemeentelijk monument (artikel 2.2, eerste lid, onder b Wabo); en
- gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c Wabo)
6. Het perceel waar de elevator op staat valt onder het bestemmingsplan ‘Actualisering 2015 Oog in Al en Lunetten’ (het bestemmingsplan). Het perceel heeft de enkelbestemming ‘Groen’, de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ en de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterstaatkundige functie’.
7. Voor een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ geldt het toetsingskader uit artikel 2.10 van de Wabo. Dit toetsingskader komt er kort gezegd op neer dat het college de omgevingsvergunning alleen toetst aan het bestemmingsplan, de bouwverordening, het Bouwbesluit en de redelijke eisen van welstand. Deze vier toetsingsgronden zijn zogenoemd limitatief en imperatief van aard. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning móet weigeren als het bouwplan in strijd is met één of meer van deze toetsingsgronden. Daar staat tegenover dat als geen sprake is van strijd met deze toetsingsgronden, de omgevingsvergunning móet worden verleend. Als dit laatste het geval is, kan het college niet een ruimer toetsingskader hanteren en zal het college aan een belangenafweging dus niet toekomen. Dit wordt een gebonden beschikking genoemd. [1]
8. De aanvraag past niet binnen het bestemmingsplan, omdat het niet is toegestaan om op de voor ‘Groen’ aangewezen gronden erf- en perceelafscheidingen te plaatsen van hoger dan 1 meter. Het college kan in dit geval in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning verlenen op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 van de Wabo, met toepassing van artikel 4 onder Pro 9 van het Besluit omgevingsrecht (Bor), de zogenaamde kruimelgevallenregeling.
9. Uit artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan alleen kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast geldt dat het college bij zijn besluitvorming over de verlening van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan beleidsruimte heeft. Dat betekent dat het college, áls de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. De rechter toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. [2]
10. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of het college zijn besluit voldoende heeft gemotiveerd en de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd. Hierbij is van belang dat het college geen gebruik heeft willen maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan vanwege het stedenbouwkundig advies. Een stedenbouwkundige beoordeling is op zich voldoende om de weigering te onderbouwen, indien dit advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. [3] De rechtbank zal beoordelen of het college terecht tot de weigering van de omgevingsvergunning is gekomen aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Strijd met goede ruimtelijke ordening en redelijke eisen van welstand
11. Eiser voert aan dat het stedenbouwkundige advies en het welstandsadvies niet transparant zijn en dat deze summier en onvoldoende onderbouwd zijn. Om die reden had het college de afwijzing van de aanvraag niet op deze adviezen mogen baseren.
11.1.
In het stedenbouwkundig advies wordt overwogen dat de kade een groene en open uitstraling dient te hebben en dat het afwijken van het bestemmingsplan met het bouwen van een hekwerk van 1,60 meter hoog hier niet mee strookt. Volgens de stedenbouwkundige belemmert het hekwerk het zicht vanaf de openbare ruimte op het water en verstoort het de verbinding. Dat is in strijd met de goede ruimtelijke ordening. Op de zitting heeft verweerder uitgelegd dat het advies, zoals het in het bestreden besluit is opgenomen, via software in het systeem terechtkomt en dat er geen los document is.
11.2.
De rechtbank is van oordeel dat het advies weliswaar kort is, maar dat het voldoende onderbouwing geeft voor het standpunt van het college dat het bouwplan in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Eiser heeft ook geen contrarapportage ingediend dat het stedenbouwkundige advies tegenspreekt. Verder heeft de rechtbank aan de hand van foto’s vastgesteld dat het zicht inderdaad wordt belemmerd. Weliswaar kan door de spleten heen worden gekeken als je er heel dichtbij en recht voorstaat, maar op afstand is er geen zicht meer mogelijk naar het sluizencomplex. Dat er volgens eiser eerder ook sprake was van bebouwing doet daar niet aan af, omdat het (onherroepelijke) bestemmingsplan er is om aan te geven wat in de toekomst kan en mag.
11.3.
Het is de rechtbank niet gebleken dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen of andere gebreken vertoont. Het college mocht daarom van dit advies uitgaan. Het college heeft zich op grond van het advies dan ook op het standpunt mogen stellen dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college had dan ook geen mogelijkheid om af te wijken van het bestemmingsplan. Aan een belangenafweging kwam het college dan ook niet meer toe.
11.4.
De rechtbank stelt vast dat het college de aangevraagde omgevingsvergunning moest weigeren, omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, en er geen mogelijkheid was daarvan af te wijken. De rechtbank komt daarom ook niet meer toe aan de vraag of de aangevraagde omgevingsvergunning al dan niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Het college moest de aanvraag immers al afwijzen, op de grond dat er sprake was van strijd met het bestemmingsplan.
Gelijkheidsbeginsel
12. Tot slot voert eiser aan dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Eiser is van mening dat de aanwezige woonboten ook de cultuurhistorische waarden en het zicht belemmeren, terwijl deze woonboten wel een omgevingsvergunning hebben gekregen.
12.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. De woonboten liggen op een heel andere plek waarvoor een andere bestemming geldt. Dit zijn geen gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld.
13. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

Conclusie en gevolgen

14. De rechtbank zal het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaren, omdat er inmiddels een besluit op bezwaar is genomen. Voor zover het beroep is gericht tegen het bestreden besluit zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Omdat eiser het beroep niet tijdig beslissen prematuur heeft ingesteld (op een moment waarop hij het college nog niet in gebreke had gesteld), ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
12 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Midden-Nederland 7 augustus 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5393, r.o. 5.
2.ABRvS 29 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2173, r.o. 6.
3.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2491, r.o. 5.1.