3.3.3Bewijsmiddelen subsidiaire feit
De rechtbank acht het medeplegen van zware mishandeling met de dood ten gevolge wettig en overtuigend bewezen. Dit oordeel is gebaseerd op de onderstaande bewijsmiddelenen zal nader worden toegelicht in de bewijsoverwegingen (paragraaf 3.3.4).
Een proces-verbaal van bevindingen, betreffende de beschrijving van de camerabeelden, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zag op de beelden dat de twee personen het slachtoffer op 20 juni 2024 mishandelen op de kruising van de Broerswetering en het Spuiplein.
23:27:51 uur: ik zag dat man 1 met zijn rechterhand tegen de linkerzijde van het hoofd van het slachtoffer sloeg. Ik zag dat het slachtoffer zich niet met zijn handen verweerde tegen de klap.
23:28:17 uur: ik zag dat man 1 met zijn rechterhand tegen de linkerzijde van het hoofd van het slachtoffer sloeg. Ik zag dat het slachtoffer zich wel met zijn handen probeerde te verweren tegen de klap.
23:28:17 uur: ik zag dat man 2 met zijn linker voet tegen de rechterzijde van het hoofd van het slachtoffer trapte. Ik zag dat het slachtoffer zich niet verweerde tegen deze trap.
23:28:19 uur: ik zag dat man 1 met zijn linkerhand tegen de rechterzijde van het hoofd van het slachtoffer sloeg. Ik zag dat het slachtoffer zich wel met zijn handen probeerde te verweren tegen de klap.
23:28:27 uur: ik zag dat man 1 met zijn rechterhand tegen de linkerzijde van het hoofd van het slachtoffer sloeg. Ik zag dat het slachtoffer zich wel met zijn handen probeerde te verweren tegen de klap.
23:28:28 uur: ik zag dat man 2 met zijn rechter voet tegen de gezicht van het slachtoffer trapte. Ik zag dat het slachtoffer met het gezicht naar beneden gericht was.
23:28:40 uur: ik zag dat man 1 het slachtoffer met handgebaren wegstuurt van het bankje. Ik zag dat het slachtoffer zoekend rondloopt achter het bankje en iets van de grond opraapt.
23:29:26 uur: ik zag dat het slachtoffer op de stoep omdraait en interactie heeft met de twee personen. Ik zag dat man 1 met zijn rechterhand tegen de linkerzijde van het hoofd van het slachtoffer sloeg. Ik zag dat het slachtoffer zich niet met zijn handen probeerde te verweren tegen de klap.
23:29:29 uur: ik zag dat man 1 met zijn linkerhand tegen de rechterzijde van het hoofd van het slachtoffer sloeg. Ik zag dat het slachtoffer zich niet met zijn handen probeerde te verweren tegen de klap.
De verklaring van de verdachte op de zitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik herken mijzelf op de camerabeelden als man 1, de persoon die het slachtoffer meerdere keren tegen zijn hoofd slaat.
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik vroeg [getuige 1] wanneer ze [slachtoffer] voor het laatst had gezien. Ik hoorde dat ze zei dat zij [slachtoffer] op zondagmiddag [
de rechtbank begrijpt: zondag 23 juni 2024]voor het laatst had gezien. Ik hoorde dat ze zei dat hij toen aangaf dat hij was geslagen door drie personen. Ik hoorde dat ze zei dat hij wel aangaf dat het in Bunschoten was gebeurd. Ik hoorde dat ze zei dat hij toen een opgezwollen gezicht had en klaagde over pijn in zijn achterhoofd.Ik vroeg wanneer zij [slachtoffer] voor het laatst had gezien. Ik hoorde dat ze zei dat ze hem niet op zondag, maar op zaterdag [
de rechtbank begrijpt: zaterdag 22 juni 2024] omstreeks 13.00 uur voor het laatst had gezien. Ik hoorde dat ze zei dat ze onderweg naar de bus was toen ze hem tegenkwam. Ik hoorde dat ze zei dat hij toen een erg opgezwollen gezicht had.
Een proces-verbaal van bevindingen, betreffende de verklaring van getuige [getuige 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Wanneer heb je hem voor het laatst gesproken.
A: Dat was afgelopen vrijdag 21 juni.
V: Hoe zag [slachtoffer] er vrijdag uit?
A: Ik zag dat de linkerkant van zijn gezicht opgezwollen was. [slachtoffer] zei dat hij hoofdpijn had aan de achterkant van zijn hoofd.
V: Heeft [slachtoffer] verteld hoe hij daaraan kwam?
A: Hij zei alleen dat hij in elkaar geslagen was.
Een proces-verbaal van bevindingen, betreffende het onderzoek naar de telefoon van het slachtoffer, inclusief bijlagen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Afbeeldingen
Ik zag dat er een foto is genomen op 22 juni 2024 om 22.33 uur. Ik zag op de afbeelding dat er blauwe plek zit aan de linkerzijde van de kin van het slachtoffer, [slachtoffer] .
Device events
Ik zag dat het slachtoffer, [slachtoffer] , op de dag van zijn opname in het ziekenhuis [
de rechtbank begrijpt: op 24 juni 2024] op de onderstaande momenten zijn telefoon heeft gebruikt. Ik zag dat het slachtoffer zijn telefoon voor het laatst gebruikte om 13:17:39 uur.
Chats
[telefoonnummer] , [getuige 2] (outgoing)
21-6-2024, 00:23.00: mijn excuses voor de taalfouten, maar ik spreek het in de telefoon in en ik typ niet, en ik praat met een opgezwollen gezicht omdat ik in elkaar ben geslagen en laat ik het zo zeggen: ik praat nu niet meer zo makkelijk.
[telefoonnummer] , [getuige 2] (outgoing)
22-6-2024, 11:43:16: hoi, ik kom waarschijnlijk niet naar de stad, want ik ben bang.
[telefoonnummer] , [A] (outgoing)
23-6-2024, 22:02:55: kan men vandaag nog alcohol bij jou kopen?
[telefoonnummer] , [slachtoffer] (incoming)
23-06-2024, 17:49:45: Fijne Vaderdag gewenst
[telefoonnummer] , [slachtoffer] , outgoing
23-06-2024, 21:06:20: Bedankt
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op maandag 24 juni 2024 omstreeks 16:20 uur zag ik in de tuin van [adres] een man liggen. Ik zag dat de man wit schuim rond zijn mond had. Ik zag dat de man zwaar ademde en snurkte. Hij hield zijn ogen gesloten. Ik sprak de man aan maar kreeg geen reactie. Naast de man zat meneer [getuige 3] . Hij vertelde dat de man over het tafeltje heen lag toen hij hem aantrof. Hij lag met zijn hoofd op tafel.Ik constateerde dat de man een ademhaling had. Wij hoorden dat het ambulancepersoneel zei dat ze naar het ziekenhuis gingen.
Een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[adres] : In gesprek met bewoner: [getuige 4]
"Toen ik in de ochtend de deur uit ging zag ik de man al zitten in de achtertuin. Dit was tussen 8:00 uur en 08:30 uur. Hij is de hele dag niet van de stoel afgekomen. Ik heb hem het laatst om 15:30 uur zien zitten op de stoel.”
Een geschrift, te weten het schouwverslag van de GGD, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Een CT scan liet een flink subduraal hematoom zien aan de rechterzijde langs de gehele convexiteit van de schedel. Daarbij was er een verdringing van de hersenmassa naar links, nog geen inklemming. Betrokkene is op 28 juni 2024 om ongeveer 08:15 uur overleden. Volgens de geraadpleegde neurologen in het ziekenhuis kunnen subdurale hematomen door hun aard pas na meerdere dagen klachten en symptomen geven door het slechts langzaam groeien van de bloeding.
Een geschrift, te weten het rapport van forensisch-pathologisch onderzoek van 24 maart 2025, inclusief bijlagen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Uit- en inwendige schouwing
3. Onder het harde hersenvlies was rechtszijdig een uitgebreide hoeveelheid (deels
gestold) bloed (minstens circa 180 ml).
4. In de schedelhuid was er bloeduitstorting ter hoogte van het achterhoofd. Aan het voorhoofd links (B) en in de behaarde hoofdhuid ter hoogte van de linkerslaap (C) was korstend letsel. De schedel was intact.
5. Er was verkleurde bloeduitstorting (D) aan de linkerzijde van de kin, kaak en hals, alsook aan het slijmvlies van de onderlip. De rechter grote hoorn van het tongbeen was vergroeid met de rechter bovenste hoorn van het schildkraakbeen. De rechter grote hoorn van het tongbeen toonde een breuk.
Neuropathologisch onderzoek
De conclusie van het neuropathologisch onderzoek is als volgt. Er worden traumatische beschadigingen van de hersenen gezien, te weten: aan de rechter convexiteit van de dura een subdurale bloeding [bloedophoping onder het harde hersenvlies]/neomembraan [restant van een bloedophoping onder het harde hersenvlies] met beginnende organisatie, ouderdom wordt geschat op minimaal één tot enkele dagen oud, doch niet veel ouder dan 1 week. Er waren geen ziekelijke afwijkingen van de hersenen.
Interpretatie van resultaten
Letsel aan het hoofd
Er was sprake van traumatische beschadiging van het hersenweefsel (sub E) en uitgebreide bloedophoping onder het harde hersenvlies (sub C3) met verplaatsing van het hersenweefsel (zie sub B). Deze letsels zijn het gevolg van stomp botsende krachtinwerking op het hoofd. Hierbij zijn hersenfunctiestoornissen te verwachten op basis waarvan de klinische toestand bij aantreffen en het uiteindelijke overlijden kan worden verklaard. De ouderdom van de bloedophoping wordt (op basis van microscopische veranderingen) geschat op meerdere dagen (tot circa één week) (sub E).
Het letsel aan de hoofdhuid (sub C4) en de kin/kaak/hals (sub CS) was het gevolg van stomp botsende en/of schavende krachtinwerking. Deze letsels kunnen zijn opgeleverd bij eenzelfde krachtinwerking als de voornoemde letsels in de schedelholte.
Letselbeeld
Het aspect en de uitgebreidheid van het schedelhersenletsel, alsook het tijdsinterval tussen het geregistreerde incident (d.d. 20 juni 2024) en het optreden van ernstige neurologische problemen (d.d. 24 juni 2024) enerzijds en het overlijden (d.d. 28 juni 2024) anderzijds, zijn passend bij de op camera geregistreerde toedracht (meerdere slagen en trappen op het hoofd); waarbij er geen forensisch-pathologische aanwijzingen zijn voor bijkomende en/of andersoortige krachtinwerking (wat overigens ook niet kan worden uitgesloten).
Conclusie
[slachtoffer] , 51 jaar oud, is overleden als gevolg van hersenletsel door stomp
botsende krachtinwerking op het hoofd (zoals passend bij de toedracht geregistreerd
op de camerabeelden).
Een geschrift, te weten het aanvullend rapport van forensisch-pathologisch onderzoek van 4 december 2025, inclusief bijlagen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Vraag 20. Hoe verhoudt het hersenletsel dat bij de sectie is vastgesteld zich tot het feit dat het slachtoffer na de geweldshandeling zelfstandig lijkt te herstellen, opstaat en wegloopt? Kunt u toelichten of dat klinisch gezien past bij het letseltype dat u hebt vastgesteld?
Bij het vastgestelde hersenletsel hoeven ernstige neurologische problemen niet onmiddellijk na krachtinwerking te zijn opgetreden.
Vraag 37. Kan een val bij een chronisch alcoholist leiden tot een vergelijkbaar letselpatroon? Wat is de waarschijnlijkheid hiervan?
Een vergelijkbaar hersenletsel kan bij een val ontstaan, hoewel bij een val vaker 'contrecoupletsel' aan de hersenen wordt gezien (wat niet werd aangetroffen bij betrokkene).
Vraag 39. In datzelfde onderzoek (p. 8) wordt gesproken over ‘aan de rechter convexiteit van de dura een subdurale bloeding/neomembraan met beginnende organisatie, ouderdom wordt geschat op minimaal één tot enkele dagen oud, doch niet ouder dan 1 week’. Vanaf welk moment wordt de ouderdom teruggerekend? Wordt dat gerekend vanaf overlijden, opname of sectie?
Er wordt gerekend vanaf het moment van overlijden.
De verklaring van forensisch patholoog drs. A.I.C. Christiaens ter zitting, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
De aangetroffen letsels zijn besproken in het rapport. De letsels die te zien zijn, zijn het gevolg van stomp-botsende krachtsinwerkingen. Die letsels bevinden zich niet op plekken die wij associëren met vallen of stoten, zoals de heupen of de knieën.
3.3.4Bewijsoverwegingen subsidiaire feit
Op grond van de bewijsmiddelen concludeert de rechtbank (i) dat de verdachten opzet hadden op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, (ii) dat er sprake was van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, (iii) dat het zwaar lichamelijk letsel redelijkerwijs aan de verdachten kan worden toegerekend en (iv) dat het zwaar lichamelijk letsel heeft geleid tot het overlijden van het slachtoffer. De rechtbank zal hieronder op elk van deze aspecten ingaan.
(i) Opzet
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachten opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel hebben gehad.
In het dossier heeft de rechtbank geen steun gevonden voor de conclusie dat de verdachten vol opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel hebben gehad. De verdachte zegt geen herinneringen te hebben aan wat er die avond is gebeurd. Uit het weinige dat hij over het geweldsincident heeft verklaard, volgt niet dat hij en de medeverdachte de bedoeling hebben gehad om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Dit volgt evenmin uit andere delen van het dossier. De rechtbank acht vol opzet daarom niet bewezen.
Anders dan de advocaat van de verdachte, acht de rechtbank wél bewezen dat de verdachten
voorwaardelijkopzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel hebben gehad. Uit de beelden blijkt dat de verdachte het slachtoffer in totaal zes keer tegen zijn hoofd heeft geslagen en dat de medeverdachte het – zittende – slachtoffer twee keer tegen zijn hoofd heeft geschopt. Al na de eerste klappen bleek dat het slachtoffer zich niet tot nauwelijks verweerde. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen een aanmerkelijke kans op toebrenging van zwaar lichamelijk letsel in het leven roepen. De rechtbank vindt het hierbij van belang dat er sprake is van twee verdachten die geweldshandelingen verrichten tegen één slachtoffer en dat
allegeweldshandelingen gericht waren tegen het hoofd van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een vitaal en kwetsbaar deel van het menselijk lichaam is en dat geweldshandelingen tegen het hoofd daarom tot ernstig, mogelijk onherstelbaar letsel kunnen leiden. Van de verdachten mag worden aangenomen dat zij dit ook wisten. Door dusdanig vaak geweld toe te passen tegen het hoofd van het vooral zittende slachtoffer, dat zich daarbij amper verweerde, kan het niet anders dan dat de verdachten de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust hebben aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. De omstandigheid dat de verdachten op enig moment met het geweld zijn gestopt en het slachtoffer toen zelfstandig is weggelopen, doet er niet aan af dat de verdachten
tijdenshet geweld de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel hebben aanvaard.
Het vorengaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat de verdachten voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel hebben gehad.
(ii) Zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank stelt voorop dat het letsel dat in het ziekenhuis bij het slachtoffer is geconstateerd, als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. De rechtbank verwijst daartoe naar de bevindingen uit het rapport van de forensisch patholoog, waarin de verschillende letsels van het slachtoffer zijn beschreven.
Blijkens het rapport van de patholoog was er bij het slachtoffer allereerst sprake van traumatische beschadiging van hersenweefsel en een uitgebreide bloedophoping onder het harde hersenvlies (‘subduraal hematoom’) met verplaatsing van het hersenweefsel. Volgens de patholoog kunnen deze letsels op zichzelf al leiden tot hersenfunctiestoornissen die de klinische toestand bij aantreffen en het overlijden van het slachtoffer kunnen verklaren. De rechtbank is van oordeel dat deze letsels reeds hierom als zwaar lichamelijk letsel kunnen worden aangemerkt. Naast het hersenletsel heeft de patholoog een bloeduitstorting ter hoogte van het achterhoofd vastgesteld en een andere bloeduitstorting aan de linkerzijde van de kin, kaak, hals en aan het slijmvlies van de onderlip. De patholoog heeft tot slot ook een breuk in het tongbeen vastgesteld. Nu er naast het hersenletsel ook andere bloeduitstortingen en een breuk in het tongbeen zijn vastgesteld, concludeert de rechtbank dat het totaalbeeld van vastgestelde letsels als ‘zwaar lichamelijk letsel’ is aan te merken.
(iii) Causaal verband tussen handelen verdachten en zwaar lichamelijk letsel
De volgende vraag is dan of het zwaar lichamelijk letsel is ontstaan door het handelen van de verdachten. Meestal bestaat daarover weinig twijfel en is het duidelijk dat het handelen van de verdachten noodzakelijk is geweest voor het veroorzaken van dat letsel. De conclusie is dan al snel getrokken dat het (daarom) redelijk is om dat gevolg aan het handelen van de verdachte toe te rekenen. In deze zaak kan de rechtbank niet zonder meer vaststellen dat de gedragingen van de verdachten, het meermalen slaan en schoppen tegen het hoofd, een noodzakelijke factor zijn geweest voor het ontstaan van het zwaar lichamelijk letsel. Er is namelijk enige tijd verstreken tussen het geweldsincident en het aantreffen van het slachtoffer met zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast blijkt uit het rapport van de patholoog niet dat het niet anders kan zijn dan dat het geweld van de verdachten tot precies dit hersenletsel heeft geleid.
Deze onzekerheid hoeft niet per se te leiden tot de conclusie dat het gevolg reeds daarom niet meer redelijkerwijs aan de verdachten kan worden toegerekend.Voor het in zo’n geval redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan de gedragingen van verdachten is als eerste vereist dat wordt vastgesteld dat de gedragingen van de verdachten een onmisbare schakel
kunnenhebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid.Daarnaast is vereist dat het aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedragingen van de verdachten is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een zo’n ‘aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid’, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedragingen van de verdachten naar haar aard geschikt zijn om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard zijn dat zij het vermoeden wettigen dat deze hebben geleid tot het intreden van het gevolg.Hierbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat andere, bij verweer gestelde oorzaken, die niet samenhangen met de gedragingen van de verdachten,
hoogstwaarschijnlijk niettot het ingetreden gevolg hebben geleid.
De patholoog heeft vastgesteld dat bij het slachtoffer sprake is geweest van een hersenbloeding en hersenzenuwbeschadigingen die het gevolg zijn van ‘stomp botsende krachtinwerking’ op het hoofd. De patholoog heeft daarnaast opgemerkt dat het letsel past bij de toedracht zoals geregistreerd op de camerabeelden (meerdere slagen en trappen tegen het hoofd). Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van de verdachten een onmisbare schakel kunnen hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het zwaar lichamelijk letsel hebben geleid. Uit de conclusie van de patholoog volgt ook dat de geweldshandelingen naar hun aard geschikt zijn om zwaar lichamelijk letsel te veroorzaken. De geweldshandelingen zijn bovendien naar ervaringsregels van dien aard dat zij het vermoeden rechtvaardigen dat zij tot het zwaar lichamelijk letsel hebben geleid. De rechtbank verwijst in dat verband naar haar eerdere overwegingen over de aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel door de gedragingen de verdachte. Ook het tijdsverloop tussen het geweld en het uiteindelijke bewustzijnsverlies kan passend zijn bij het pas later ontstaan van neurologische stoornissen, omdat het subduraal hematoom (de hersenbloeding) in sommige gevallen slechts langzaam groeit.
De advocaat van de verdachte heeft in dit verband aangevoerd dat het overlijden van het slachtoffer óók verklaard zou kunnen worden door een val van het slachtoffer dan wel door een tweede geweldsincident. De advocaat verwijst hiertoe naar de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , waaruit (kort gezegd) blijkt dat het slachtoffer vaker wel dan niet dronken was, regelmatig viel en ook vaker werd mishandeld. Het rapport van de patholoog sluit overlijden als gevolg van een val of een tweede geweldsincident ook niet uit. Er zijn dus meerdere (andere) factoren die, alleen of in samenhang, kunnen hebben geleid tot of hebben bijgedragen aan het overlijden van het slachtoffer, aldus de advocaat.
De rechtbank begrijpt het verweer van de advocaat zo dat volgens de advocaat niet aannemelijk is geworden dat het hoogstonwaarschijnlijk is dat een andere toedracht tot het zwaar lichamelijk letsel heeft geleid. De rechtbank zal hierna uiteenzetten op basis waarvan zij tot de conclusie is gekomen dat een andere toedracht wel hoogstonwaarschijnlijk is.
Uit de conclusies van de patholoog volgt dat de hersenbloeding op het moment van overlijden (op 28 juni 2024) niet veel ouder kon zijn dan een week. Op basis daarvan gaat de rechtbank ervan uit dat de hersenbloeding óf bij het geweldsincident van 20 juni 2024 is ontstaan, of in de dagen daarna. Hoewel de conclusie van de patholoog ook (enige) ruimte laat voor een val of een geweldsincident van vóór het geweldsincident van 20 juni 2024, geeft het dossier daar geen enkele aanwijzing voor.
De rechtbank zal daarom onderzoeken in hoeverre is gebleken dat zich ná het geweldsincident van 20 juni 2024 nog een val of tweede geweldsincident heeft voorgedaan die het zwaar lichamelijk letsel kan verklaren.
De rechtbank stelt voorop dat het slachtoffer minder dan één uur na het geweldsincident op 20 juni 2024 een bericht aan getuige [getuige 2] heeft verstuurd waarin hij aangeeft dat hij met een opgezwollen gezicht praat omdat hij in elkaar geslagen is. Volgens getuige [getuige 2] , die het slachtoffer op 21 juni 2024 nog heeft gezien, gaf het slachtoffer toen ook aan dat hij in elkaar geslagen was en pijn had in zijn achterhoofd. Uit de verklaring van getuige [getuige 1] van 26 juni 2024 volgt dat zij het slachtoffer op 22 juni 2024, omstreeks 13:00 uur, nog heeft gesproken en dat hij toen, gevraagd naar zijn zichtbare gezichtsverwondingen, alleen over een mishandeling ‘in Bunschoten’ heeft gesproken. Van een val of een tweede mishandeling heeft het slachtoffer noch tegen [getuige 2] noch tegen [getuige 1] melding gemaakt. Gelet hierop acht de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat zich in de periode van 20 juni 2024 om 23:30 uur (het tijdstip van het geweldsincident) tot 22 juni 2024, 13:00 uur nog een val of geweldsincident heeft voorgedaan dat het hersenletsel heeft veroorzaakt. Vervolgens wordt het slachtoffer op 24 juni 2024 om 08:00 uur ’s morgens in de stoel in de achtertuin gezien, waarin hij uiteindelijk door omstanders bewusteloos wordt aangetroffen. Uit getuigenverklaringen volgt dat hij in de tussentijd niet van die stoel is afgekomen. Een eventuele val of tweede geweldsincident zou daarom plaatsgevonden moeten hebben in anderhalve dag (tussen 22 juni 2024, 13:00 uur en 24 juni 2024, 08:00 uur).
Anders dan de advocaat acht de rechtbank het geenszins aannemelijk geworden dat verdachte in die beperkte tijdsperiode nog een val heeft gemaakt, of er een geweldsincident heeft plaatsgevonden dat tot zijn overlijden heeft geleid. In het dossier ziet de rechtbank namelijk geen enkele concrete aanwijzing dat in die anderhalve dag sprake is geweest van een val of van een tweede geweldsincident. Zo’n aanwijzing kan niet worden gevonden in het onderzoek naar de telefoon van de verdachte, noch in het schouwverslag of in de rapporten van de patholoog. Het scenario van een val of een tweede geweldsincident lijkt enkel voort te komen uit de verklaringen van de getuigen en daarover merkt de rechtbank het volgende op.
Uit de verklaringen van de getuigen kan niet meer worden opgemaakt dan dat het slachtoffer voorafgaand aan het geweldsincident op 20 juni 2024 vaker is gevallen en/of mishandeld.
De getuigen hebben het vallen echter nooit zelf waargenomen en verklaren daarnaast dat het slachtoffer weinig tot geen helderheid verschafte over hoe hij aan zijn blauwe plekken kwam. De eerdere mishandelingen zouden bovendien zijn gepleegd door huisgenoten van het slachtoffer in zijn voormalige woning, maar uit die woning was hij reeds per 11 juni 2024 vertrokken, aldus getuige [getuige 2] . Bovendien zou het slachtoffer, aldus getuige [getuige 1] , eerder zijn mishandeld door een persoon die inmiddels niet meer in Nederland verbleef. Onder die omstandigheden komt minder gewicht toe aan de (mogelijke) omstandigheid dat het slachtoffer in het verleden vaker is mishandeld als verklaring voor een (mogelijk) tweede geweldsincident en/of val.
Gelet op het vorengaande is het scenario van een val of tweede geweldsincident op 22 of 23 juni weliswaar niet geheel uit te sluiten, maar de rechtbank heeft geen enkele concrete aanwijzing dat een dergelijk scenario zich heeft voorgedaan. De rechtbank ziet zich hierin gesterkt door het aanvullend rapport van de patholoog, waaruit blijkt dat er bij een val vaker ‘contrecoupletsel’ te zien zou zijn, terwijl dit bij het slachtoffer niet werd waargenomen. Daarbij komt dat er door de deskundigen ook geen blauwe plekken zijn aangetroffen op typische val- of stootplekken, zoals op de knieën of heupen. Deze beide omstandigheden maken het nog minder aannemelijk dat verdachte na het geweldsincident ook nog gevallen zou zijn.
In zijn pleidooi verwees de advocaat van de verdachte naar een zaak van de rechtbank Den Haag die hij vergelijkbaar acht, omdat de hersenbloeding en het overlijden in die zaak ook verklaard hadden kunnen worden door een val van het slachtoffer. In die zaak waren er echter meerdere concrete aanwijzingen in het dossier dat het slachtoffer twee dagen vóór het geweldsincident met zijn achterhoofd op het aanrechtblad was gevallen en met de zijkant van het hoofd op de verwarming. In deze zaak is niet meer bekend dan dat het slachtoffer in het verleden vaker gevallen of mishandeld zou zijn. Deze enkele omstandigheid is onvoldoende om aannemelijk te achten dat er een tweede incident met ‘stomp botsende krachtinwerking’ is geweest die heeft geleid tot het zwaar lichamelijk letsel. Zelfs als zich op 22 of 23 juni 2024 een val of tweede geweldsincident zou hebben voorgedaan, dan is allerminst zeker dat dit met een dusdanige krachtinwerking gepaard ging dat het zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer ook daardoor verklaard zou kunnen worden.
Uit het voorgaande volgt dat voldoende aannemelijk is geworden dat de theoretische mogelijkheid van een tweede val of geweldsincident hoogst onwaarschijnlijk is. De rechtbank bestempelt dit als niet meer dan een ‘niet uit te sluiten’ oorzaak. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat zo’n hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid niet aan het aannemen van causaal verband in de weg hoeft te staan.Daar staat namelijk tegenover dat het handelen van de verdachte naar zijn aard geschikt is om het zwaar lichamelijk letsel te hebben veroorzaakt. De rechtbank acht het tegen die achtergrond aannemelijk dat het zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedragingen van de verdachte is veroorzaakt. Het vorengaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat het zwaar lichamelijk letsel het slachtoffer redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend.
(iv) Causaal verband tussen zwaar lichamelijk letsel en het overlijden van het slachtoffer
Uit het rapport van de patholoog volgt dat de hersenbloeding uiteindelijk heeft geleid tot het overlijden van het slachtoffer. Het door de verdachten veroorzaakte zwaar lichamelijk letsel is daarmee een noodzakelijke factor geweest die tot de dood van het slachtoffer heeft geleid. Het overlijden kan daarom in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit, het medeplegen van een zware mishandeling met de dood tot gevolg.