ECLI:NL:RBMNE:2025:6858

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/8170
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor hoortoestel en tandartskosten door gemeente Almere

In deze zaak heeft eiser op 5 februari 2024 bijzondere bijstand aangevraagd op basis van de Participatiewet (Pw) voor de eigen bijdrage voor een hoortoestel en tandartskosten. De gemeente Almere heeft deze aanvraag op 1 maart 2024 afgewezen, en na bezwaar is dit besluit op 21 november 2024 bevestigd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 18 september 2025 heeft de rechtbank de zaak behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde, evenals de gemachtigden van de gemeente, aanwezig waren.

De rechtbank overweegt dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een voorliggende voorziening is en dat bijstandsverlening op grond van artikel 15, eerste lid, van de Pw niet mogelijk is als er geen zeer dringende redenen zijn. Eiser stelt dat de gemeente de aanvraag niet mocht afwijzen op basis van de Zvw en dat er sprake is van een acute noodsituatie. De rechtbank oordeelt echter dat eiser niet heeft aangetoond dat er sprake is van een acute noodsituatie die bijstandsverlening noodzakelijk maakt. De rechtbank bevestigt dat de Zvw in beginsel een toereikende voorziening is voor tandheelkundige kosten en dat er geen aanleiding is om van de vaste rechtspraak af te wijken.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt en is openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025. Eiser kan binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/8170

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, de gemeente

(gemachtigden: R.C. Salimink-Lutter en mr. S.P. van Pelt).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 5 februari 2024 bijzondere bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet (Pw) voor de eigen bijdrage voor een hoortoestel en tandartskosten.
2. De gemeente heeft deze aanvraag met het besluit van 1 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 november 2024 op het bezwaar van eiser is de gemeente bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de gemeente.

Beoordeling door de rechtbank

5. Eiser heeft op 5 februari 2024 bijzondere bijstand aangevraagd op grond van de Pw voor de eigen bijdrage voor een hoortoestel van € 1.135,46 en tandartskosten van
€ 769,44. Eiser was ten tijde van de aanvraag niet aanvullend verzekerd voor de ziektekosten.
6. De gemeente heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een voorliggende voorziening is en daarom is op grond van artikel 15, eerste lid, van de Pw bijstandsverlening voor de tandartskosten en het hoortoestel niet mogelijk. Er is volgens de gemeente geen sprake van zeer dringende redenen op grond waarvan toch bijstand moet worden verleend.
7. Eiser voert in beroep, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024 [1] , aan dat verweerder de aanvraag niet mocht afwijzen op grond van een voorliggende voorziening in de Zvw. Volgens eiser past de basisverzekering niet bij de realiteit en had verweerder moeten onderzoeken of eiser een aanvullende verzekering wel kon betalen. Verder stelt eiser dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de Pw. Volgens eiser is er sprake van een acute noodsituatie omdat hij zonder deugdelijk gebit en hoortoestel in een sociaal isolement terecht komt.
8. De rechtbank overweegt datgeen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich ook uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Dit staat in artikel 15, eerste lid, van de Pw.
9. De Zvw is in beginsel een toereikende en passende voorliggende voorziening voor de kosten van een tandheelkundige behandeling. Dit is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [2] . Dit is ook zo als de gemaakte kosten - zoals ook in het geval van eiser - niet of niet volledig door de voorliggende voorziening worden vergoed. Dit geldt eveneens voor de kosten van een hoortoestel [3] . De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om van deze vaste rechtspraak af te wijken. Omdat artikel 15 van de Pw dwingendrechtelijk van aard is, bestaat er geen ruimte om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel.
10. De gemeente kan aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid, van de Pw. Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn [4] . Eiser heeft in bezwaar en beroep niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van een acute noodsituatie. Het lag op de weg van eiser om de ernst van zijn situatie met stukken, van bijvoorbeeld de tandarts, te onderbouwen. Dit heeft eiser echter niet gedaan. Het beroep van eiser op dringende redenen slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van
mr.M. van Ettikhoven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
14 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie de uitspraken van de CRvB van 26 november 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:2435) en
3.Zie de uitspraak van de CRvB van 8 september 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2108).
4.Zie de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1064).