ECLI:NL:CRVB:2025:1064
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor tandartskosten wegens voorliggende voorziening Zvw
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan op grond van de Participatiewet voor tandartskosten, waaronder het trekken van tanden en kiezen en een gebitsprothese. Het college wees de aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een voorliggende voorziening is voor deze kosten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het evenredigheidsbeginsel toepassing verdient omdat het trekken van tanden noodzakelijk is voor de plaatsing van de gebitsprothese, die deels wel wordt vergoed. De Raad oordeelde dat artikel 15 lid 1 PW Pro een verplichtend karakter heeft en toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in beginsel niet mogelijk is. Appellant bracht geen bijzondere omstandigheden aan die de wetgever niet heeft meegewogen.
Daarnaast stelde appellant dat er zeer dringende redenen zijn wegens pijnklachten, maar dit werd niet als een acute noodsituatie erkend. Ook de vordering tot vergoeding van proceskosten werd afgewezen omdat het college niet onrechtmatig handelde bij het afwijzen van de aanvraag. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen; bijzondere bijstand wordt slechts gedeeltelijk toegekend voor de gebitsprothese, niet voor het trekken van tanden en kiezen.