ECLI:NL:RBMNE:2025:6910

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/6552
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor pgb jeugdhulp bij Stichting voor minderjarige kinderen met autisme

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 12 december 2025, wordt een verzoek om een voorlopige voorziening voor jeugdhulp toegewezen. Verzoekster, wettelijk vertegenwoordiger van haar twee minderjarige kinderen, heeft een pgb aangevraagd voor intensieve één-op-één behandeling bij Stichting [stichting]. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort had eerder de aanvraag afgewezen, ondanks dat het wijkteam de noodzaak van specialistische jeugdhulp erkende. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en een voorlopige voorziening aangevraagd, die eerder was afgewezen. Na het indienen van nieuwe informatie, waaronder adviezen van een GZ-psycholoog en een kinderarts, heeft de voorzieningenrechter het verzoek opnieuw beoordeeld. De voorzieningenrechter concludeert dat er sprake is van een spoedeisend belang, gezien de schaarste van plekken bij de stichting en de achteruitgang in het gedrag van de kinderen. De voorzieningenrechter oordeelt dat het primaire besluit niet voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid en motivering. Daarom wordt het verzoek om een pgb voor jeugdhulp toegewezen, met de verplichting voor verweerder om de hoogte van het pgb vast te stellen. De voorzieningenrechter wijst erop dat deze beslissing voorlopig is en dat de uitkomst van de bezwaarprocedure anders kan zijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6552

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 december 2025 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats] , verzoekster in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van
[minderjarige 1] en [minderjarige 2].
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder
(gemachtigden: B. Muminovic en N. van de Weit-Graven).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster voor jeugdhulp voor haar minderjarige kinderen in de vorm van een pgb [1] voor het inkopen van zorg bij Stichting [stichting] (hierna: [stichting] ). Dit is een behandelcentrum waar voor twee jaar behandeling aan kinderen wordt aangeboden. Het gaat hierbij onder meer om gedragstherapie op grond van de ABA [2] -methode.
2. Verweerder heeft met het besluit van 8 september 2025 (het primaire besluit) de aanvraag om jeugdhulp in de vorm van behandeling bij [stichting] afgewezen. Het wijkteam acht de inzet van specialistische aanvullende jeugdhulp noodzakelijk, maar er wordt enkel ingezet op bewezen effectieve interventies. Over de effectiviteit van de ABA-methode die [stichting] biedt, bestaan volgens het wijkteam landelijk twijfels. Verweerder kent wel jeugdhulp toe in de vorm van ondersteuning door [organisatie] .
3. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en hangende het bezwaar een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Deze is afgewezen met de uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 oktober 2025. [3]
4. Vervolgens heeft verzoekster nogmaals een voorlopige voorziening hangende bezwaar ingediend, ditmaal met nieuwe informatie. Verzoekster stelt dat behandeling bij [stichting] het meest geschikt is voor de kinderen, omdat hier intensieve een-op-een begeleiding geboden wordt en dit is niet het geval bij de aanbieder die verweerder noemt ( [organisatie] ). Ten tijde van de eerder ingediende voorlopige voorziening werd het verzoek enkel onderbouwd met een brief van een Amerikaanse arts. Uit de nieuwe stukken van de GZ-psycholoog van november 2025 en de kinderarts van 20 november 2025 volgt dat intensieve een-op-een begeleiding van 24 tot 30 uur per week met een modern zorgvuldig toegepast ABA-gebaseerd programma passend is voor de kinderen. [stichting] voldoet aan alle kwaliteitseisen en is juist gespecialiseerd in behandeling van kinderen met autisme. Volgens verzoekster gaat verweerder in het geheel niet in op waarom er twijfels zouden zijn aan de ABA-methode en wat dan wel effectief bewezen interventies zijn. Ook heeft verweerder volgens haar bij de beoordeling niet deugdelijke de regels uit de Jeugdwet toegepast.
5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoekster, bijgestaan door de partner van verzoekster, en de gemachtigden van verweerder deelgenomen. Op de zitting heeft verzoekster meegedeeld dat het haar bedoeling is de voorlopige voorziening voor beide kinderen in te dienen.
6. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen de gelegenheid te geven onderling tot een oplossing te komen. Op woensdag 10 december 2025 is meegedeeld dat zij er niet uit zijn gekomen. Partijen hebben toestemming gegeven voor een uitspraak zonder nadere zitting. De rechtbank sluit hierop het onderzoek ter zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang bij deze procedure?
8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. [4] De voorzieningenrechter moet daarom eerst kijken of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.
9. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster heeft verduidelijkt dat er momenteel een plek is voor de kinderen bij [stichting] en dat deze plekken erg schaars zijn. Indien er niet uiterlijk 14 december 2025 een beschikking of toezegging van financiering is, dan wordt de plek niet langer gereserveerd. Dat de plaatsingsdatum verder in de tijd is verplaatst, heeft te maken met een vertraging in de (start)planning van [stichting] . Daar komt bij dat de kinderen vanwege hun leeftijd op een later moment niet meer voor plaatsing bij [stichting] in aanmerking komen. Verder wijst verzoekster op achteruitgang in het gedrag van de kinderen en het belang dit te keren met spoedige behandeling.
10. Volgens verweerder is er geen spoedeisend belang, omdat in het verleden vaker gezegd is dat de kinderen hun plek zouden verliezen en het dan toch mogelijk bleek de (start)datum te verzetten.
11. De voorzieningenrechter ziet in de door verzoekster overlegde stukken en de toelichting op zitting een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening, ook omdat de reden voor het verplaatsen van de startdatum is gegeven, en zal het verzoek verder inhoudelijk behandelen.
Inhoudelijk
12. Gelet op het beoordelingskader dat geldt in Jeugdwetzaken [5] is de voorzieningenrechter van voorlopig oordeel dat het primaire besluit en hieraan ten grondslag gelegde onderzoek niet voldoet aan de te stellen eisen van zorgvuldigheid en motivering. Het stappenplan voor de beoordeling van een aanvraag is niet kenbaar doorlopen. In het plan van aanpak is een samenvatting van het onderzoek opgenomen waarin in grote lijnen de problematiek en hulpvraag staan. Een duidelijke analyse van de aard en omvang van de benodigde hulp (stap 3) ontbreekt echter. Er is weliswaar opgenomen dat sprake is van een complexe zorgbehoefte en de noodzaak van specialistische aanvullende jeugdhulp, maar welk type hulp exact passend wordt geacht en in welke omvang is niet opgenomen.
13. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het primaire besluit als motivering is opgenomen dat uit het advies van het wijkteam – zonder de vermelding dat het advies deel uitmaakt van het besluit – de aanvraag wordt afgewezen omdat er vanuit het wijkteam enkel ingezet wordt op effectief bewezen interventies en de effectiviteit van de methode waarmee [stichting] werkt, niet kan worden gewaarborgd. De afwijsgrond dat de kwaliteit/ effectiviteit van de beoogde hulpverlening niet gewaarborgd is, is ook onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat haar motivering mede is gebaseerd op het kennisproduct van het Nederlands Jeugdinstituut, maar zij heeft dit niet als gedingstuk ingebracht. Op de vraag of aan de hand van de adviezen die in het kennisproduct worden gedaan opnieuw naar het behandelaanbod van [stichting] is gekeken, heeft verweerder aangegeven dat dit niet het geval is. Daarmee ontbreekt een op deze zorgaanbieder toegespitste motivering.
14. Na de uitspraak op de eerder ingediende voorlopige voorziening heeft verweerder een onafhankelijke deskundige ingeschakeld, GZ-psycholoog [GZ-psycholoog] . Zij concludeert in het verslag van november 2025 als volgt:
“Als onafhankelijk gedragswetenschapper adviseer ik voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een intensieve één op één behandeling van minimaal 24 tot 30 uur per week (…). Hoewel er in de literatuur en in de praktijk terechte kritiek bestaat op klassieke ABA-methodes – bijvoorbeeld rondom te sterk gericht zijn op gedragsreductie of te weinig aandacht voor autonomie en welbevinden – sluit een modern zorgvuldig toegepast ABA-gebaseerd programma in dit geval duidelijk aan bij de behoeften van de jongens. De reden hiervoor is dat zij het meest leren wanneer er in zeer kleine, gestructureerde stappen wordt gewerkt, met hoge voorspelbaarheid, directe bekrachtiging en veel herhaling. (…) Gezien de ernst van de ontwikkelingsachterstanden, de veiligheidsrisico’s en het feit dat de jongens duidelijk leerbaar zijn adviseer ik een intensieve één-op-één behandeling voor de duur van minimaal twee tot drie jaar, met regelmatige evaluaties (waar bijvoorbeeld ook steeds het wijkteam betrokken kan zijn).”Door het Wijkteam zijn vervolgens nadere vragen gesteld over de wijze waarop door de GZ-psycholoog onderzoek is verricht. In reactie hierop heeft de deskundige op 2 december 2025 per e-mail als volgt geantwoord:
“Mijn adviesverslag is gebaseerd op een breed geheel aan bronnen: recente medische rapportages van neuroloog en kinderpsychiater, observaties van [instelling] , het verslag van ABC Psychologen, mijn eigen observatie van [minderjarige 1] , uitgebreide gesprekken met ouders en de huidige begeleider, en ook informatie uit jullie eigen wijkteamverslag. Deze bronnen laten allemaal hetzelfde beeld zien. (…) Dat [minderjarige 2] op de observatiedag ziek was, is helaas overmacht, maar er ligt juist over hem veel gedetailleerde en recente informatie uit diagnostiek en observaties uit meerdere onderzoeken. De gegevens die ik heb ontvangen heb ik kritisch gewogen en aangevuld met actuele bevindingen van ouders en de behandelaar en de observaties van [minderjarige 1] .(…) Al met al ben ik van mening dat het onderzoek compleet genoeg is om een advies te kunnen geven en dat aanvullende observatie of netwerkgesprekken geen meerwaarde hebben en geen ander advies zouden opleveren.”Op de zitting heeft verweerder laten weten dat er twijfels bestaan over de inhoud van het advies van de deskundige, maar dit standpunt is niet nader (medisch) onderbouwd.
15. Door verzoekster is een brief overgelegd van kinderarts [kinderarts] , van het [ziekenhuis] , van 20 november 2025, waarin het volgende is opgenomen:
“ [minderjarige 2] heeft autisme en heeft behoefte aan behandeling (24-30 uur per week intensieve begeleiding zoals geadviseerd, namelijk Eén-op-één, gedurende ten minste twee jaar). Langs deze weg verzoek ik betreffende instanties coulance te betrachten bij het uitvoeren van regelingen met betrekking tot de wachtlijst van [stichting] .”Met betrekking tot [minderjarige 1] is eenzelfde brief overgelegd, gedateerd op 4 december 2025.
16. Tot slot is onweersproken dat [stichting] een HKZ [6] certificering heeft en dat de behandelend medewerkers SKJ [7] geregistreerd zijn.
17. De voorzieningenrechter heeft gezien het voorgaande twijfels over of het bestreden besluit in de bezwaarprocedure in stand zal kunnen blijven. Omdat de uitkomst van de bezwaarprocedure onzeker is, zal de voorzieningenrechter op basis van een belangenafweging beoordelen of het treffen van een voorlopige voorziening geboden is. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter de volgende omstandigheden. Partijen zijn het erover eens dat er een duidelijke zorgvraag ligt en dat het van belang is dat de kinderen op korte termijn specialistische hulp ontvangen. Sinds de aanvraag is inmiddels geruime tijd verstreken. Op dit moment zitten de kinderen thuis zonder enige vorm van behandeling. Verzoekster heeft naar voren gebracht dat zij achteruitgang in het gedrag van de kinderen ziet. Het is belangrijk dat er nu iets gebeurt vanwege de leeftijd van de kinderen en het gegeven dat de ouders gezien de (overige) problematiek in het gezin overvraagd worden. Dit terwijl [stichting] bereid is om de door de GZ-psycholoog en kinderarts aanbevolen een-op-een begeleiding voor 24 tot 30 uur per week te bieden. Hieraan is echter wel een reactiedatum van 14 december 2025 gekoppeld. Indien deze mogelijkheid verloopt dan is onduidelijk op welke termijn er een andere passende oplossing komt. De effectiviteit van de behandeling kan, zoals ook door de deskundige wordt aangegeven, regelmatig worden geëvalueerd. Om deze redenen valt de belangenafweging in het voordeel van verzoekster uit.

Conclusie en gevolgen

18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verweerder een pgb zal verstrekken om voor beide kinderen jeugdhulp in te kunnen kopen bij [stichting] , bestaande uit een-op-een behandeling per kind voor 30 uur per week. De voorziening gaat in op 14 december 2025 en loopt tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Verweerder wordt opgedragen de hoogte van het pgb vast te stellen op grond van de geldende wet- en regelgeving.
19. Deze voorziening heeft een voorlopig karakter en is tijdelijk. Partijen zijn erop gewezen dat de beslissing op het bezwaar anders kan uitvallen en dat mocht er een eventuele beroepsprocedure volgen ook hier een ander oordeel uit kan komen. Dit kan bijvoorbeeld te maken hebben met gewijzigde omstandigheden of een andere/nadere motivering van de besluitvorming.
20. De voorzieningenrechter bepaalt dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht conform de griffienota van € 194,- aan hen vergoedt, de reden is dat het verzoek wordt toegewezen.
21. Verzoekster heeft zich niet laten bijstaan door een professioneel gemachtigde, daarom wordt verweerder niet in de proceskosten veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het primaire besluit voor zover daarbij een pgb voor jeugdhulp wordt geweigerd;
- treft de voorlopige voorziening dat verweerder een pgb zal verstrekken voor beide kinderen, te weten: [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , voor een-op-een behandeling van per kind 30 uur per week bij stichting [stichting] , vanaf 14 december 2025 tot zes weken na de beslissing op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Venderbosch, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Persoonsgebonden budget.
2.Applied Behavior Analysis.
3.Uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6157.
4.Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Zie het stappenplan dat bijvoorbeeld is weergegeven in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1391 r.o. 4.1.1.
6.Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector.
7.Stichting Kwaliteitsregister Jeugd.