ECLI:NL:RBMNE:2025:7044

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
11710156 \ MC EXPL 25-3001
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deels toewijzing loonvordering notariskantoor wegens verrichte werkzaamheden

In deze civiele zaak vordert een notariskantoor betaling van loon voor werkzaamheden verricht voor gedaagde. Partijen sloten een overeenkomst en er is vastgesteld dat werkzaamheden zijn verricht, maar er is onenigheid over communicatie en de hoogte van de declaratie.

De kantonrechter oordeelt dat het notariskantoor recht heeft op loon voor de tot dan toe verrichte werkzaamheden, maar wijst de hogere eindfactuur af omdat deze niet is onderbouwd. De toegewezen hoofdsom bedraagt €363,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de factuurdatum.

Verder wordt het beding over buitengerechtelijke incassokosten in de algemene voorwaarden vernietigd als onredelijk bezwarend, waardoor deze kosten niet worden toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, deels voor eigen rekening wegens gedeeltelijke afwijzing van de vordering.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €363 plus rente en proceskosten, incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11710156 \ MC EXPL 25-3001
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. M.I. van Dijk,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

en
2.
[gedaagde sub 2],
beiden in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen (vrouwelijk enkelvoud): [gedaagde sub 1] c.s.,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek,
- de conclusie van dupliek, mondeling gegeven op de rolzitting van 22 oktober 2025.
1.2.
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde sub 1] c.s. heeft een advies gevraagd aan [eiseres] . Partijen hebben een gesprek gehad op 11 april 2024 en [eiseres] heeft naar aanleiding daarvan een gespreksverslag opgesteld met daarin nog enkele vragen aan [gedaagde sub 1] c.s. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. had zij vragen over die vragen, heeft zij [eiseres] herhaaldelijk proberen te bereiken maar gaf [eiseres] nooit antwoord. [eiseres] betwist dat. Zij heeft, toen duidelijk werd dat de overeenkomst was beëindigd, de eindafrekening opgemaakt en aan [gedaagde sub 1] c.s. in rekening gebracht, € 738,10 [1] . Omdat [gedaagde sub 1] c.s. die rekening niet betaalde, vordert [eiseres] betaling nu in deze procedure, met nevenvorderingen. De kantonrechter wijst € 363,00 plus rente toe. [gedaagde sub 1] c.s. moet de proceskosten betalen.

3.De beoordeling

[eiseres] heeft recht op loon
3.1.
Vast staat dat partijen een overeenkomst hebben gesloten, waarbij [eiseres] werkzaamheden voor [gedaagde sub 1] c.s. zou uitvoeren. Vast staat ook dat er werkzaamheden zijn verricht. In principe heeft [eiseres] daarmee recht op loon. [gedaagde sub 1] c.s. vindt van niet, omdat zij naar haar zeggen nooit antwoord kreeg op haar vragen over de vragen in de gespreksnotitie [2] . Maar [eiseres] ontkent dat [gedaagde sub 1] c.s. daarover contact heeft gezocht. Het had daarom op de weg van [gedaagde sub 1] c.s. gelegen om haar standpunt nader te onderbouwen. Dat had [gedaagde sub 1] c.s. bijvoorbeeld kunnen doen door een lijst van haar gebelde nummers over te leggen, dan wel e-mails, waaruit blijkt dat zij contact heeft gezocht. Maar dat doet [gedaagde sub 1] c.s. niet. Pas toen [notariskantoor] tussentijds een declaratie van € 363,00 stuurde op 3 december 2024 [3] , blijkt dat [gedaagde sub 1] c.s. daarop reageerde [4] . Van een tekortkoming in de nakoming van de verplichting van [eiseres] om te reageren op vragen van [gedaagde sub 1] c.s. blijkt daarom niets.
3.2.
In de opdrachtovereenkomst [5] is een uurtarief vermeld, maar wordt geen inschatting van de totale kosten gegeven. Volgens [eiseres] heeft zij die inschatting wel mondeling gegeven tijdens het gesprek van 11 april 2024, [gedaagde sub 1] c.s. ontkent dat. Dit kan in het midden blijven. Van een voltooide opdrachtvervulling is namelijk geen sprake. Nadat [eiseres] op 3 december 2024 haar tussentijdse declaratie stuurde van € 363,00 voor het gesprek en het gespreksverslag, werd duidelijk dat [gedaagde sub 1] c.s. inmiddels een andere notaris had gevonden. Van [eiseres] werden verder geen werkzaamheden verwacht. Zij mocht dus haar tot dan toe verrichte werkzaamheden aan [gedaagde sub 1] c.s. in rekening brengen.
[gedaagde sub 1] c.s. moet € 363,00 betalen
3.3.
[eiseres] heeft niet uitgelegd wat het verschil is tussen de einddeclaratie van € 738,10 en de tussentijdse declaratie van € 363,00. Na de tussentijdse declaratie zijn geen werkzaamheden in het kader van de opdrachtverlening verricht. Het bedrag van € 363,00 is redelijk en in overeenstemming met het overeengekomen uurtarief.
Het meerdere ziet de kantonrechter daarom als incassokosten, gericht op het verwijt van [gedaagde sub 1] c.s. dat [eiseres] niet zou hebben gereageerd op haar vragen. Die incassokosten worden afgewezen (zie hierna). De slotsom is dus dat [gedaagde sub 1] c.s. in hoofdsom € 363,00 moet betalen.
3.4.
[gedaagde sub 1] c.s. heeft een klacht ingediend bij de Geschillencommissie Notariaat. Maar dat maakt voor de betalingsplicht van [gedaagde sub 1] c.s. niets uit.
De rente wordt toegewezen maar de buitengerechtelijke incassokosten niet
3.5.
Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. De kantonrechter moet die ambtshalve toetsen. [gedaagde sub 1] c.s. heeft die voorwaarden overgelegd [6] , en daaruit blijkt dat over de buitengerechtelijke incassokosten is opgenomen:
: Alle invorderingskosten komen voor rekening van de opdrachtgever.”Dit beding beoordeelt de kantonrechter als onredelijk bezwarend, omdat de verschuldigdheid van incassokosten niet is gelimiteerd. Het beding wordt vernietigd, en [eiseres] heeft geen recht op vergoeding daarvan. In de algemene voorwaarden is ook een rentebeding opgenomen, maar die bepaling verwijst naar de (per definitie redelijke) wettelijke rente. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toe te wijzen hoofdsom, vanaf de vervaldatum van de factuur van 3 december 2024 tot de betaling.
[gedaagde sub 1] c.s. moet de proceskosten betalen
3.6.
[gedaagde sub 1] c.s. is de meest in het ongelijk gestelde partij en zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de vordering voor de hoofdsom deels is afgewezen, blijft het griffierecht boven een bedrag van € 135,00 als nodeloos veroorzaakt voor rekening van [eiseres] . Voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten zoals [eiseres] vordert, ziet de kantonrechter geen aanleiding. De proceskosten van [eiseres] worden zodoende begroot op:
- kosten van de dagvaarding
121,02
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
164,00
(2 punten × € 82,00)
- nakosten
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
461,02
3.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 363,00, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf de vervaldatum van de factuur van 3 december 2024 tot de betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten van € 461,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door mr. C.J.M. Hendriks op 17 december 2025.
RW1368

Voetnoten

1.Productie 3 van [eiseres]
2.Productie 2 van [eiseres]
3.Ongenummerde bijlage bij de conclusie van antwoord
4.Zie haar e-mail van 19 februari 2025, ongenummerde bijlage bij de conclusie van antwoord
5.Productie 1 van [eiseres]
6.Ongenummerde productie bij de conclusie van antwoord