Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag tot overname van een schuld bij Santander ter hoogte van €900,-. Dienst Toeslagen heeft de aanvraag afgewezen omdat er geen sprake is van een opeisbare schuld, een vereiste op grond van artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen betalingsachterstand is en dat de schuld niet opeisbaar is, waardoor de aanvraag terecht is afgewezen. Het causale verband tussen de schuld en de toeslagenaffaire speelt geen rol bij de beoordeling. Eiseres voerde aan dat Dienst Toeslagen onvoldoende heeft gemotiveerd dat de schuld niet opeisbaar is, maar de rechtbank oordeelde dat dit wel het geval is.
Eiseres stelde dat het vereiste van opeisbaarheid niet verenigbaar is met het doel van de regeling en dat de hardheidsclausule toegepast moet worden vanwege onbillijke gevolgen. De rechtbank wees dit af omdat de wetgever bewust voor het vereiste van opeisbaarheid heeft gekozen en er geen bijzondere omstandigheden zijn die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.
Verder voerde eiseres onzorgvuldigheid aan, maar kon dit niet concreet maken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de schuld niet wordt vergoed en eiseres geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.