Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik, het college
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
De aanwezige open landschapsstructuur, zoals kavels en percelen en de grens tussen land en water (het verkavelingspatroon), blijft leesbaar wanneer een kleine windmolen wordt geplaatst. De openheid van het gebied wordt minimaal beïnvloed. De slanke groene mast, de houten staart en het zichtbare hout van de rotorbladen benadrukken het onderscheid met een grootschalige windmolen. Dit zorgt voor een betere leesbaarheid en positieve beleving van het landschap. De welstandscommissie stelt dat de landschappelijke openheid van de omgeving door de windmolen niet wordt aangetast. Kubiek adviseert dat het bestaande doorzicht naar het achtergelegen landschap onnodig wordt belemmerd. Wij concluderen dat van enige aantasting van de landschappelijke openheid sprake is, maar dat die aantasting zeer beperkt is. Dat komt omdat de windmolen grotendeels achter bebouwing wordt opgericht. Ook uit de foto’s in het rapport van Kubiek blijkt dat de windmolen vanuit uw bedrijfswoning zichtbaar is boven bestaande bebouwing uit. Van gehele landschappelijke openheid is geen sprake, ook omdat de windmolen in een boomgaard staat. De kleine extra aantasting van de landschappelijke openheid is geen reden de vergunning te weigeren.”De rechtbank kan deze motivering volgen. Het college heeft hiermee deugdelijk gemotiveerd dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de open landschapsstructuur, omdat de windmolen grotendeels achter bebouwing is opgericht waardoor de aantasting van de landschappelijke openheid beperkt is. Daarbij mocht het college ook betrekken dat van gehele landschappelijke openheid geen sprake is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
“De windmolen beperkt de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en gebouwen niet. Vanuit uw bedrijfswoning is slechts over de bestaande bebouwing heen zicht op de bovenkant van de windmolen. De afstand tot aan het dichtstbijzijnde gevoelige object is 98 meter. Dat u de windmolen vanaf uw perceel kunt zien, maakt niet dat er sprake is van onevenredige inbreuk op de gebruiksmogelijkheden van uw perceel. De bedrijfswoning en de bedrijfspanden kunnen, ongeacht de aanwezigheid van de windmolen, op dezelfde wijze in gebruik blijven.”Eiseres vindt deze motivering onvoldoende omdat het abstract zou blijven en ruimtelijke onderbouwing zou ontberen. Nu eiseres echter niet onderbouwt in hoeverre zij beperkt zou worden in de gebruiksmogelijkheden van het perceel, is de rechtbank niet gebleken dat de aanvullende motivering van het college onvoldoende concreet zou zijn. De rechtbank is aldus niet gebleken dat sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,--;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,-- aan eiseres te vergoeden.