Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1198

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
UTR 24/3605
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:10 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onterecht opschorten beslistermijn

Eiser kreeg op 26 juli 2023 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd en diende op 30 augustus 2023 bezwaar in met het verzoek om gehoord te worden. De heffingsambtenaar deed meerdere pogingen om een hoorzitting in te plannen, waarop eiser nauwelijks reageerde. Eiser stuurde op 13 februari 2024 een ingebrekestelling en benadrukte niet af te zien van een telefonische hoorzitting.

Op 8 april 2024 verzocht eiser om vaststelling van een dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De heffingsambtenaar stelde dat de beslistermijn was opgeschort met toestemming van eiser, maar de rechtbank oordeelde dat instemming met opschorting expliciet moet zijn en niet verondersteld kan worden. De heffingsambtenaar kon ook niet volhouden dat de opschorting voortkwam uit het houden van een hoorzitting, omdat deze niet heeft plaatsgevonden.

De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn niet was opgeschort en dat de heffingsambtenaar een dwangsom verschuldigd is over 42 dagen. Het beroep werd gegrond verklaard, de naheffingsaanslag uit coulance vernietigd, en de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht, proceskosten en betaling van de dwangsom.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de dwangsom wordt vastgesteld op €1.442,- wegens onterecht opschorten van de beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/3605

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. J. Pablo)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeente en hoogheemraadschap Utrecht,verweerder
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans)

Inleiding

1. Op 26 juli 2023 is aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, aanslagnummer: [nummer] (hierna: de naheffingsaanslag).
1.1.
Eiser heeft op 30 augustus 2023 een bezwaarschrift ingediend. Eiser heeft in zijn bezwaar gevraagd gehoord te worden.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft tussen 30 november 2023 en 9 februari 2024 meerdere voorstellen voor een hoorzitting naar eiser gestuurd. Daar is niet of nauwelijks op gereageerd. Op 13 februari 2024 heeft eiser een ingebrekestelling naar de heffingsambtenaar gestuurd, waarin eiser aangeeft nadrukkelijk niet af te zien van een telefonische hoorzitting.
1.3.
Op 15 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar een ontvangstbevestiging gestuurd van de ingebrekestelling. De heffingsambtenaar vraagt daarin nogmaals om de termijn op te schorten en om een hoorzitting in te plannen op 20 februari 2023 om 11:00 uur.
1.4.
Op dat bericht is geen reactie gekomen van eiser. Op 8 april 2024 heeft eiser de heffingsambtenaar een bericht gestuurd met het verzoek om een dwangsom vast te stellen omdat het besluit niet tijdig is genomen. Eiser vraagt daarin om voor 13 april 2024 een beslissing te nemen.
1.5.
Op 12 april 2024, verzonden op 16 april 2024 heeft de heffingsambtenaar uitspraak op het bezwaar gedaan. De heffingsambtenaar heeft daarin de naheffingsaanslag uit coulance vernietigd. Verder komt eiser volgens de heffingsambtenaar niet in aanmerking voor de uitkering van een dwangsom, omdat eiser bij bericht van 8 april 2024 de heffingsambtenaar een nieuwe termijn heeft gesteld, en er binnen 14 dagen een besluit is genomen.
1.6.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld op de zitting van 7 januari 2026. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Het geschil
3. In geschil is de vraag of de heffingsambtenaar er vanuit mocht gaan dat het bericht van eiser van 8 april 2024 kon worden opgevat als het geven van toestemming voor het opschorten van de beslistermijn.
Beoordeling van het geschil
4. Eiser voert aan dat de beslistermijn niet is opgeschort. Hij wijst erop dat de heffingsambtenaar er ten onrechte vanuit gaat dat de beslistermijn (van artikel 7:10 Awb Pro) kan worden opgeschort wanneer deze al verstreken is en zonder expliciete toestemming van eiser.
5. In zijn verweerschrift stelt de heffingsambtenaar zich alsnog op het standpunt dat er een dwangsom is verschuldigd – en het beroep dus gegrond is – maar slechts over vier dagen, van 13 april 2024 tot en met 16 april 2024. De heffingsambtenaar stelt daarbij dat met het bericht van 8 april 2024 door eiser uitstel is verleend van de beslistermijn tot 13 april 2024.
6. De rechtbank kan dit niet volgen. Daarbij stelt zij voorop dat volgens vaste rechtspraak instemming met uitstel niet kan worden verondersteld maar dat die expliciet moet worden gegeven. [1] In het bericht van 8 april 2024 valt een dergelijke expliciete instemming van eiser met uitstel echter niet te lezen.
7. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar nog het standpunt ingenomen dat de beslistermijn is uitgesteld in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften als bedoeld in artikel 7:10 lid 4 sub c Awb Pro, namelijk het houden van een hoorzitting. De rechtbank stelt voorop dat de heffingsambtenaar dit standpunt niet eerder dan de zitting heeft ingenomen en dat dit punt in zoverre tardief is. Overigens kan de rechtbank de heffingsambtenaar ook niet volgen in dit standpunt. Immers, de uitspraak op bezwaar is uiteindelijk gedaan zonder dat een hoorzitting heeft plaatsgevonden. Dat de uitspraak op bezwaar vanwege het uitblijven van een hoorzitting niet eerder kon worden gedaan valt dus niet in te zien.
8. Uit het voorgaande volgt dat de beslistermijn voor het doen van uitspraak op bezwaar niet is opgeschort, en dus dwangsom is verschuldigd over 42 dagen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht vergoeden en krijgt hij een vergoeding voor zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3 punten op: 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-. Nu deze zaak een evident geschil over een dwangsom betreft naar aanleiding van een parkeerbelastingzaak, zal de rechtbank – gelet op de Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 [2] –, een wegingsfactor van 0,25 hanteren. De te vergoeden proceskosten komen daarmee op een bedrag van € 633,50.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eisers moet vergoeden;
- stelt de door de heffingsambtenaar te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 633,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Vermeer, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:122.
2.Opgenomen in een bijlage bij de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.