Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
€ 392,- moet zijn, afhankelijk van de verzendadministratie van de heffingsambtenaar.
Rechtbank Midden-Nederland
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de hoogte van een dwangsom bij de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) centraal. De heffingsambtenaar had een dwangsom van €184,- vastgesteld wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar. Eiser betwistte dit en stelde dat de dwangsom hoger moest zijn, afhankelijk van de verzenddatum van de uitspraak op bezwaar.
De rechtbank constateert dat de ingebrekestelling op 20 februari 2024 is ontvangen en dat de heffingsambtenaar tot 5 maart 2024 had om uitspraak te doen. De dwangsom werd aanvankelijk berekend over 8 dagen, maar eiser stelde dat de termijn doorliep tot 20 maart 2024, wat een hogere dwangsom rechtvaardigt. De heffingsambtenaar erkende de vertraging en stelde de dwangsom vast op €357,-, waarmee eiser akkoord ging.
Daarnaast verzocht eiser om betaling van de proceskostenvergoeding rechtstreeks aan zijn gemachtigde en stelde bezwaar tegen het cessieverbod in artikel 30a lid 4 en 5 Wet WOZ. De rechtbank volgt de Hoge Raad dat de bestuursrechter niet bevoegd is hierover te oordelen en gaat hier niet op in.
Verder is de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase met ongeveer twaalf maanden overschreden. Gezien het financiële belang van minder dan €1.000,- wordt volstaan met de constatering van overschrijding zonder toekenning van immateriële schadevergoeding.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het deel van de uitspraak op bezwaar over de dwangsom, stelt de dwangsom vast op €357,-, en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van in totaal €950,50.
Uitkomst: De rechtbank stelt de dwangsom vast op €357,- en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.