De zaak betreft een geschil tussen twee bedrijven die aan elkaar grenzen, waarbij eiseres een schroothandel exploiteert die oude brandblusapparaten verwerkt. Deze verwerking leidt tot PFAS-verontreiniging in bodem en grondwater, wat aanleiding gaf tot een verbod in een onherroepelijk arrest van 2 juli 2024. Eiseres verzoekt in een incident om schorsing van de tenuitvoerlegging van dit arrest, stellende dat het verbod onterecht is en dat dwangsommen onterecht worden opgeëist.
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest ten uitvoer mag worden gelegd, tenzij sprake is van een juridische of feitelijke misslag, een noodtoestand of misbruik van bevoegdheid. Eiseres heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die een uitzondering rechtvaardigen. Het eerdere kort geding van 20 januari 2026 wees een soortgelijke vordering af.
De rechtbank concludeert dat het belang van gedaagde bij het voorkomen van nieuwe PFAS-uitstoot zwaarder weegt dan het belang van eiseres bij het voorkomen van executiegeschillen. Ook is onvoldoende onderbouwd dat het verbod is overtreden of dat executie misbruik van recht betreft. De vordering tot schorsing wordt daarom afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank beveelt een mondelinge behandeling in de hoofdzaak om verdere procedurele stappen te bepalen en wijst op de mogelijkheid van zakelijke mediation.