Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1346

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
C/16/603085 / HL ZA 25-299
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 3:13 BWArt. 611d Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tot schorsing tenuitvoerlegging arrest PFAS-verontreiniging

De zaak betreft een geschil tussen twee bedrijven die aan elkaar grenzen, waarbij eiseres een schroothandel exploiteert die oude brandblusapparaten verwerkt. Deze verwerking leidt tot PFAS-verontreiniging in bodem en grondwater, wat aanleiding gaf tot een verbod in een onherroepelijk arrest van 2 juli 2024. Eiseres verzoekt in een incident om schorsing van de tenuitvoerlegging van dit arrest, stellende dat het verbod onterecht is en dat dwangsommen onterecht worden opgeëist.

De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest ten uitvoer mag worden gelegd, tenzij sprake is van een juridische of feitelijke misslag, een noodtoestand of misbruik van bevoegdheid. Eiseres heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die een uitzondering rechtvaardigen. Het eerdere kort geding van 20 januari 2026 wees een soortgelijke vordering af.

De rechtbank concludeert dat het belang van gedaagde bij het voorkomen van nieuwe PFAS-uitstoot zwaarder weegt dan het belang van eiseres bij het voorkomen van executiegeschillen. Ook is onvoldoende onderbouwd dat het verbod is overtreden of dat executie misbruik van recht betreft. De vordering tot schorsing wordt daarom afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank beveelt een mondelinge behandeling in de hoofdzaak om verdere procedurele stappen te bepalen en wijst op de mogelijkheid van zakelijke mediation.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest af en veroordeelt eiseres in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/603085 / HL ZA 25-299
Vonnis in incident van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. N.H.M.M. Janssen,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.R. Bügel.

1.De kern van de zaak

1.1.
De percelen van [eiseres] en [gedaagde] grenzen aan elkaar. [eiseres] is een schroothandel. Een deel van de bedrijfsvoering van [eiseres] bestaat uit het verwerken (demonteren en vernietigen) van oude afgekeurde brandblusapparaten. Het schuim van de schuimblussers die [eiseres] verwerkt, bevat PFAS. In de bovengrond, de ondergrond en het grondwater zijn verhoogde gehalten aan PFAS aangetoond. De verontreiniging wordt gerelateerd aan de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] met de schuimblussers. Hierover zijn partijen in meerdere procedures verwikkeld.
1.2.
In het onherroepelijke arrest van 2 juli 2024 [1] is aan [eiseres] een verbod opgelegd om bij de verwerking van de brandblusapparaten afvalstoffen buiten haar inrichting te verspreiden naar bodem, water en/of lucht. In de hoofdzaak wil [eiseres] dat dit verbod wordt opgeheven. Daarnaast wil [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de dwangsommen terug te betalen en de schade vanwege de beslaglegging te vergoeden. Als provisionele voorziening wil [eiseres] dat de executie van het arrest van 2 juli 2024 wordt gestaakt, totdat in de hoofdzaak bij in kracht van gewijsde vonnis is beslist, op straffe van een dwangsom.
1.3.
[gedaagde] voert verweer in het incident en in de hoofdzaak. [gedaagde] eist in reconventie een verbod op het innemen en verwerken van brandblusapparaten omdat daar gevaarlijke en/of schadelijke afvalstoffen bij vrijkomen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 18 november 2025 met provisionele vordering en met producties,
  • de conclusie van antwoord in het incident, tevens conclusie van antwoord in de hoofdzaak, met eis in reconventie.
2.2.
Ten slotte is vonnis in het incident bepaald.

3.De beoordeling in het incident

De conclusie
3.1.
[eiseres] heeft in eerdere procedures ook gevraagd om de tenuitvoerlegging van het arrest van het hof van 2 juli 2024 te schorsen. Recentelijk is de kwestie aan de orde geweest in het kort geding tussen partijen waarin de voorzieningenrechter op 20 januari 2026 uitspraak [2] heeft gedaan. [eiseres] heeft geen nieuwe of gewijzigde omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel moeten leiden. Het oordeel luidt in dit incident daarom niet anders. Dit betekent dat de vorderingen van [eiseres] in het incident worden afgewezen. Hieronder wordt dit toegelicht.
Het toetsingskader
3.2.
Op grond van artikel 223 Wetboek Pro van Rechtsvordering (Rv) kan een partij vorderen dat een rechter tijdens de procedure een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van de procedure. Hiervoor is vereist dat de eiser in incident voldoende belang heeft bij de incidentele vordering en dat deze samenhangt met de hoofdvordering. Als aan deze processuele vereisten is voldaan, dan moet de rechtbank beoordelen of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde voorlopige voorzieningen rechtvaardigt.
3.3.
De incidentele vordering strekt tot staking van executiemaatregelen (de tenuitvoerlegging van het vonnis). In een executiegeschil is het uitgangspunt dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest heeft verkregen bevoegd is dat arrest te executeren. Hierop kan alleen een uitzondering worden gemaakt als de uitspraak klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of als na de bestreden beslissing feiten en omstandigheden zijn voorgevallen die meebrengen dat de executie een noodtoestand veroorzaakt. Een andere reden om de uitvoer te schorsen is dat de (verdere) tenuitvoerlegging van het kortgedingvonnis misbruik van bevoegdheid zou opleveren (3:13 BW).
De standpunten van partijen
3.4.
Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] ten onrechte aanspraak gemaakt op dwangsommen, nu [gedaagde] niet aangetoond heeft dat [eiseres] het verbod heeft overschreden. Dit is volgens [eiseres] een reden om de executie van het arrest van 2 juli 2024 te staken en gestaakt te houden. Samenhangend met het incident heeft [eiseres] in de hoofdzaak gesteld dat de uitspraak van de rechtbank van 15 oktober 2025 [3] (hierna: de bodemzaak) met zich meebrengt dat de grondslag van het door het hof in kort geding opgelegde verbod is komen te vervallen. [eiseres] betoogt dat het aan de bestuursrechter is voorbehouden om te oordelen over de uitleg en schending van een vergunningsvoorschrift voordat er door de civiele rechter een dwangsom kan worden opgelegd en geëxecuteerd. [eiseres] vindt dat [gedaagde] misbruik van haar executiebevoegdheid heeft gemaakt.
3.5.
[gedaagde] betwist dat sprake is van onrechtmatige executie of onverschuldigde betaling van de dwangsommen. Volgens [gedaagde] is er voor staking van de executie geen grond, omdat geen sprake is van misbruik van recht. [gedaagde] betoogt dat de grondslag voor het arrest van 2 juli 2024 niet is komen te vervallen. Het verbod in het arrest van 2 juli 2024 geldt nog steeds en er is aantoonbaar sprake geweest van overtredingen van het verbod door [eiseres] .
De gevraagde voorlopige voorziening wordt afgewezen
3.6.
De incidentele vordering hangt samen met de hoofdvordering. De rechtbank oordeelt dat er geen reden is om een uitzondering te maken op het uitgangspunt dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest ten uitvoer mag worden gelegd. Hieronder wordt dit toegelicht.
3.7.
De rechtbank constateert dat de grondslagen voor de vorderingen in incident ook reeds aan de rechtbank zijn voorgelegd in kort geding, wat geleid heeft tot het vonnis van 20 januari 2026. In die uitspraak is de schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van 2 juli 2024 afgewezen. [eiseres] had in die procedure onvoldoende gesteld waarom haar belang bij schorsing zwaarder zou wegen dan het belang van [gedaagde] . Ook in dit incident heeft [eiseres] hierover onvoldoende gesteld. [gedaagde] heeft belang bij het voorkomen van nieuwe uitstoot. Het belang van [eiseres] om executiegeschillen te voorkomen indien [gedaagde] opnieuw dwangsommen opeist, weegt onvoldoende op tegen het gerechtvaardigde belang van [gedaagde] om nieuwe uitstoot te voorkomen.
3.8.
[eiseres] heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat de executie een noodtoestand veroorzaakt. [eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde] misbruik van haar executiebevoegdheid heeft gemaakt omdat tot op heden niet vaststaat dat het verbod is overtreden, maar onderbouwt dit niet. De rechtbank komt door het gebrek aan een onderbouwing tot de conclusie dat van deze uitzonderingsgronden geen sprake is.
3.9.
Voor zover [eiseres] haar vordering baseert op het argument dat het voor haar onmogelijk zou zijn om aan de hoofdvordering te voldoen omdat er, ook als zij de verwerking van brandblussers stillegt, alsnog sprake is van verspreiding van afvalstoffen, kan de rechtbank daarover niet oordelen. De dwangsomrechter is namelijk exclusief bevoegd om dwangsommen op te schorten in geval van onmogelijkheid om aan de hoofdvordering te voldoen op grond van artikel 611d Rv. Dat zou in dit geval het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zijn.
De proceskosten in incident
3.10.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris advocaat
836,00
(1 punt × € 836,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.025,00

4.Het vervolg in de hoofdzaak

4.1.
De rechtbank constateert dat partijen in veel procedures verwikkeld zijn, en mogelijk ook blijven. Wellicht dat andere interventies beter zijn om de voortdurende geschillen tussen partijen op te lossen. De rechtbank wijst partijen in dit kader uitdrukkelijk op de optie van zakelijke mediation. Indien partijen hiervoor openstaan, kunnen zij contact opnemen met het Mediationbureau van de rechtbank voor een doorverwijzing.
4.2
Ondanks het dringende advies om de geschillen in zakelijke mediation met elkaar te bespreken, zal de rechtbank al wel een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
4.2.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
4.3.
Op de mondelinge behandeling wordt aan de advocaten van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zijn niet toegestaan. Indien een partij voorziet dat de hieronder voor de mondelinge behandeling gereserveerde tijd onvoldoende is voor een behoorlijke behandeling van de zaak, kan deze partij zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een week na de datum van dit vonnis, de rechtbank gemotiveerd verzoeken hiervoor meer tijd te reserveren onder opgave van verhinderdata van alle partijen.
4.4.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.
4.5.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank
In het incident
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.025,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
In de hoofdzaak
5.3.
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door (een) nog aan te wijzen rechter(s) van deze rechtbank, in het gerechtsgebouw te Lelystad, Stationsplein 15, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,
5.4.
bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
5.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 6 mei 2026voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
julitot en met
oktober 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
5.6.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
5.7.
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
5.8.
wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling
120 minutenzal worden uitgetrokken,
5.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr G.J. Baken en in het openbaar uitgesproken
op 25 maart 2026