Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1411

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/4274
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 4:100 AwbArt. 7:2 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit college over dwangsombeschikking wegens procedurele en motiveringsgebreken

Eiser diende een ingebrekestelling in wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar tegen de weigering van een omgevingsvergunning. Het college verklaarde deze ingebrekestelling niet-ontvankelijk en stelde een dwangsombesluit vast. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna het college het primaire besluit herroept zonder een nieuw besluit te nemen. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank omdat hij recht meende te hebben op een dwangsom en rente.

De rechtbank oordeelt dat een ingebrekestelling geen aanvraag is en dat het college slechts eenmaal een dwangsom kan verbeuren voor maximaal 42 dagen. Het college hoefde daarom geen tweede dwangsombesluit vast te stellen. Daarnaast is volgens vaste rechtspraak geen dwangsom verschuldigd voor het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit of een besluit op bezwaar tegen een dwangsombesluit.

De rechtbank constateert procedurele gebreken, zoals het niet informeren van eiser over het afzien van een hoorzitting en een onjuiste samenstelling van de adviescommissie. Ook is er een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Gezien deze gebreken vernietigt de rechtbank het besluit, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. Eiser krijgt het betaalde griffierecht vergoed.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens procedurele en motiveringsgebreken, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en eiser krijgt het griffierecht vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4274

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

26 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouder van de gemeente Lopik, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Brands)

Inleiding

1. Met het besluit van 18 juni 2024 (het primaire besluit) heeft het college de op 10 mei 2024 door eiser ingediende ingebrekestelling wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar tegen de weigering van de door eiser gevraagde omgevingsvergunning niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
2. Met het besluit op bezwaar van 10 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het primaire besluit herroepen en geen nieuw besluit ter vervanging genomen. Daartegen heeft eiser beroep ingesteld, omdat hij vindt dat hij recht heeft op een dwangsom en omdat hij rente wil over een andere, wel toegekende dwangsom.
3. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op een zitting behandeld. De gemachtigde van het college heeft aan de zitting deelgenomen. Eiser is niet verschenen. Nadat de rechtbank aan de hand van de track & trace van PostNL heeft vastgesteld dat de uitnodiging voor de zitting tijdig is aangekomen, is het beroep op de zitting behandeld.
4. De rechtbank heeft het onderzoek na afloop van de zitting gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering daarvan vermeldt de rechtbank in dit proces-verbaal.

Beslissing

5. De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

6. De rechtbank is van oordeel dat het college het primaire besluit terecht heeft herroepen. Uit vaste rechtspraak volgt dat een ingebrekestelling geen aanvraag is om een besluit te nemen en dat het bestuursorgaan de beschikking ter vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van de dwangsom uit eigen beweging dient vast te stellen [1] Een schriftelijke ingebrekestelling is daarvoor slechts een voorwaarde. [2] De ingebrekestelling is bedoeld om het college aan te sporen om alsnog binnen een termijn van twee weken een besluit te nemen en de dwangsomregeling als het ware te activeren. [3] Omdat de ingebrekestelling geen aanvraag is, kon het college niet de ingebrekestelling niet-ontvankelijk verklaren.
7. Het college heeft vervolgens terecht geen nieuw besluit voor het herroepen besluit in de plaats gesteld. Het college is immers slechts gehouden om de hoogte van de dwangsom vast te stellen als deze verschuldigd is. [4] Het college kan slechts één keer een dwangsom verbeuren voor ten hoogste 42 dagen. [5] Het is niet mogelijk is om meerdere dwangsommen ten aanzien van hetzelfde niet tijdig genomen besluit te verbeuren. [6] Bij besluit van 29 september 2023 heeft het college naar aanleiding van een eerdere ingebrekestelling van eiser de maximale dwangsom van € 1442,- aan eiser toegekend wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de geweigerde vergunning. Nadien heeft het college ook de wettelijke rente vastgesteld. Gelet hierop, kon het college dus geen tweede dwangsom aan eiser toekennen en hoefde het dus ook geen tweede dwangsombesluit vast te stellen in de plaats van het herroepen primaire besluit.
8. In het bestreden besluit heeft het college aan eiser om een andere reden een tweede dwangsom toegekend, namelijk omdat de beslissing op het bezwaar tegen het dwangsombesluit (het primaire besluit) te lang op zich liet wachten. Over deze tweede dwangsom wil eiser wettelijke rente. Uit vaste rechtspraak volgt echter dat het bestuursorgaan niet een dwangsom kan verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit. Ook wordt geen dwangsom verbeurd bij het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen een dwangsombesluit. [7] Het bestreden besluit bevat op dit punt dus een gebrek. In de rechtspraak is het een vast uitgangspunt dat degene die beroep instelt niet in een slechtere positie mag komen te verkeren als gevolg van zijn beroep. De rechtszekerheid verzet zich tegen een wijziging van het bestreden besluit ten nadele van eiser. Dat betekent dat de rechtbank het gebrek, dat bestaat uit het ten onrechte toekennen van een tweede dwangsom, in stand laat. Het voorgaande heeft echter wel tot gevolg dat eiser geen recht heeft op toekenning van wettelijke rente. Wettelijke rente is namelijk alleen verschuldigd als de beschikking tot betaling van de
verschuldigdegeldsom niet op tijd is afgegeven. [8] Van een verschuldigde dwangsom is echter geen sprake en dus heeft eiser ook geen recht op wettelijke rente.
9. Verder heeft het college in het bestreden besluit gemotiveerd dat hij geen dwangsom was verschuldigd na weer een andere ingebrekestelling van 29 juli 2024. Het college schrijft dat geen dwangsom is verschuldigd omdat een ingebrekestelling geen aanvraag is. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen is een ingebrekestelling inderdaad geen aanvraag, maar dan kan er nog wel een dwangsom verschuldigd zijn. Eiser voert daarom terecht aan dat de motivering om de dwangsom af te wijzen gebrekkig is. De rechtbank is echter van oordeel dat de conclusie dat eiser geen recht heeft op een dwangsom wel juist is, omdat de ingebrekestelling betrekking had op het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit en geen dwangsom kan worden verbeurd wegens het uitblijven van een dwangsombesluit. [9] Het bestreden besluit bevat op dit punt dus een motiveringsgebrek om welke reden het beroep gegrond is.

Procedurele beroepsgronden

10. Eiser voert aan dat het college niet van horen in bezwaar heeft kunnen afzien, omdat het college niet volledig is tegemoet gekomen aan het bezwaar. Ook is eiser door de voorzitter niet geïnformeerd dat werd afgezien van een hoorzitting, terwijl dat wel had gemoeten. Daarnaast voert eiser aan dat een vooronderzoek heeft plaatsgevonden, gelet op de notitie van het college aan de commissie, waaruit blijkt dat een hoorzitting aanvankelijk gepland was. Verder voert eiser aan dat het college ten onrechte heeft nagelaten om een beslissing over de toekenning van een proceskostenvergoeding te nemen. Tot slot voert eiser aan dat de commissie onbevoegd was om het college te adviseren, omdat de commissie niet uit één voorzitter en drie leden bestond. Om deze reden is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd, aldus eiser.
11. Het uitgangspunt is dat een belanghebbende wordt gehoord voordat een beslissing op bezwaar wordt genomen. [10] Er zijn gevallen wanneer van horen kan worden afgezien. [11] Een van die uitzonderingen is wanneer aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. [12] Aan het bezwaar van eiser, met het verzoek om het bezwaar gegrond te verklaren en de niet-ontvankelijk verklaring te herroepen, is naar het oordeel van de rechtbank volledig tegemoetgekomen. Dit is namelijk precies wat eiser vroeg in zijn bezwaarschrift. De voorzitter en secretaris zijn bevoegd rechtstreeks alle gewenste inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen ten behoeve van de voorbereiding van de hoorzitting. [13] Hieronder wordt mede verstaan het verzoeken om een verweerschrift en alle op het dossier betrekking hebbende stukken. Uit de Verordening commissie bezwaar-en beroepschriften gemeente Lopik (de Verordening) blijkt niet dat als een notitie of een verweerschrift door het college is opgesteld, er niet meer afgezien kan worden van een hoorzitting. De rechtbank volgt het standpunt van eiser op dit punt dus niet. Omdat eiser in het bezwaarschrift niet heeft verzocht om een proceskostenvergoeding, heeft het college hierover geen beslissing hoeven te nemen.
12. De bevoegdheid om af te zien van horen wordt uitgeoefend door de voorzitter van de commissie. [14] Als de voorzitter daartoe besluit, dan doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbende. [15] Dat heeft de voorzitter in het geval van eiser niet gedaan. Om deze reden is sprake van een procedureel gebrek.
13. Dat geldt ook voor de samenstelling van de commissie. Een adviescommissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden. [16] Uit het advies van de commissie volgt dat deze is uitgebracht door de voorzitter en één commissielid, ondersteund door de secretaris. Het college stelt zich op het standpunt dat dit is toegestaan op grond van artikel 10, lid 10, van de Verordening, waarin staat dat voor het houden van een hoorzitting is vereist dat in elk geval de voorzitter, of diens plaatsvervanger, ten minste één lid en de secretaris aanwezig is. De rechtbank is van oordeel dat dit artikellid uitsluitend ziet op de hoorzitting en niet analoog kan worden toegepast op het uit te brengen advies, om welke reden sprake is van een procedureel gebrek.

Conclusie

14. Gelet op deze procedurele gebreken (ro. 12 en 13) en het motiveringsgebrek (ro. 9) is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat de gebreken niet tot een ander inhoudelijk besluit kunnen leiden dan het college heeft genomen (ro. 7), laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Als gevolg van het gegrond verklaren van het beroep krijgt eiser het door hem betaalde griffierecht van € 194,- terug. Eiser zal zich voor de vergoeding van het griffierecht rechtstreeks tot het college moeten wenden.
15. Op de zitting heeft de rechtbank gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026 door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier.
de griffier de rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling van 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:409, r.o. 3.1.
2.Artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1290, r.o. 5.1.
4.Uitspraken van de Afdeling van 11 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1074 en 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2884 en artikel 4:18 van Pro de Awb.
5.Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb.
6.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1962, r.o. 6.1.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 10 december 2024, ECLI:NL:RVS:2014:4448, r.o. 4.1 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:307, r.o. 4.24.
8.Artikel 4:100 van Pro de Awb.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1290, r.o. 5.1.
10.Artikel 7:2 van Pro de Awb.
11.Artikel 7:3 van Pro de Awb.
12.Artikel 7:3, onderdeel e, van de Awb.
13.Artikel 9 van Pro de Verordening.
14.Artikel 5, lid 3, van de Verordening.
15.Artikel 5, lid 4, van de Verordening.
16.Artikel 7:13 van Pro de Awb en artikel 1, onderdeel d, van de Verordening.