Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1448

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/16/605616 / JE RK 26-83
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van twee minderjarigen

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 12 maart 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2023 en 2024, die beiden in hetzelfde pleeggezin verblijven sinds respectievelijk juli 2023 en juli 2024.

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van deze maatregelen voor de duur van een jaar, omdat de ouders onvoldoende stabiliteit bieden, afspraken niet nakomen en de moeder haar verslaving niet erkent. De kinderen vertonen emotionele en ontwikkelingsproblemen die worden gemonitord door een ziekenhuis. De omgang tussen ouders en kinderen verloopt moeizaam en is onder begeleiding beperkt.

De rechtbank onderschrijft het perspectiefbesluit van de GI dat het opgroeiperspectief van de kinderen niet bij de ouders ligt, mede vanwege de problematische relatie, verslavingsproblematiek en het ontbreken van voldoende draagkracht. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd tot 12 maart 2027, waarbij het pleeggezin een veilige en stabiele omgeving biedt.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen tot 12 maart 2027 vanwege onvoldoende draagkracht van de ouders.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/605616 / JE RK 26-83
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
de Jeugd- en Gezinsbeschermers,gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
wonend in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
[vader],
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de vader,
[pleegouders],
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de pleegouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt in de beoordeling mee
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op19 januari 2026;
- de toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming van 13 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de vader;
- [A] en [B] als vertegenwoordigers van de GI.
2. Kort voor de zitting van 27 februari 2026 hebben de ouders de rechtbank bericht dat zij niet naar de zitting konden komen, ditmaal vanwege problemen met het vervoer. De rechtbank heeft de ouders, vanwege het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de gelegenheid gegeven om digitaal bij de zitting aanwezig te zijn. Uiteindelijk waren de ouders telefonisch aanwezig, omdat het de ouders niet is gelukt om een digitale verbinding tot stand te brengen.
2.1.
De pleegouders zijn niet naar de zitting gekomen. Zij hebben zich hiervoor afgemeld.
2.2.
Het dictum van deze beslissing is op 12 maart 2026 digitaal kenbaar gemaakt aan de GI. Dit is de schriftelijke uitwerking van die beslissing.

3.De feiten

1.1.
De vader heeft [minderjarige 1] erkend. [minderjarige 2] is niet erkend.
1.2.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige 1] . De moeder is alleen belast met het gezag over [minderjarige 2] .
1.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in hetzelfde pleeggezin. [minderjarige 1] verblijft daar sinds 12 juli 2023 en [minderjarige 2] sinds 8 juli 2024.
1.4.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 maart 2023 [minderjarige 1] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 12 maart 2026. In de beschikking van 4 juli 2023 is [minderjarige 1] met een (spoed)machtiging uit huis geplaatst. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 12 maart 2026.
1.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 februari 2024
[minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 12 maart 2026. In de beschikking van 8 juli 2024 is [minderjarige 2] met een (spoed)machtiging uit huis geplaatst. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 12 maart 2026.

4.Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarnaast heeft de GI gevraagd het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens de beoordeling van het verzoek aan bod te laten komen. De GI is van mening dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet teruggeplaatst kunnen worden bij (één van) de ouders.

5.Het standpunt van de ouders

De ouders zijn het er niet mee eens dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ergens anders opgroeien. De moeder herkent de zorgen over haar alcoholgebruik niet en vindt dat zij de zorg over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan dragen. Ook de vader vindt dat hij, en met de moeder samen de zorg voor de kinderen kan dragen. Daarnaast willen de ouders, zo lang de kinderen nog uit huis geplaatst zijn, de kinderen vaker zien.

6.De beoordeling

De beslissing
6.1.
De rechtbank zal het verzoek van de GI toewijzen. Dat betekent dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 12 maart 2027. Ook zal de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 12 maart 2027. Hierna zal de rechtbank deze beslissing uitleggen.
De verlenging van de ondertoezichtstelling
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Bij zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] zijn er vermoedens van het [aandoening] ( [aandoening] ) en zij hebben allebei mogelijk prenataal en postnataal traumatische ervaringen meegemaakt. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt daarom door het [ziekenhuis] in Utrecht gemonitord. De zorgen over [minderjarige 1] hebben met name te maken met haar asymmetrische motorische ontwikkeling en oogproblematiek. [minderjarige 2] heeft moeite met het reguleren van haar emoties en het verwerken van prikkels. Dit is ook voorafgaand en tijdens de omgang zichtbaar. Beide kinderen ervaren dan veel angst en spanning waarbij [minderjarige 2] veel moet huilen en ontroostbaar kan zijn. De GI heeft uitgelegd dat de spanning bij de kinderen niet zozeer wordt veroorzaakt door het handelen van de ouders tijdens de omgang, maar door het feit dat de ouders de omgangsafspraken niet structureel nakomen. Hierdoor kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen relatie met de ouders opbouwen en moeten zij telkens opnieuw wennen als zij de ouders zien. Vanwege de heftige emoties van de kinderen zijn de omgangsmomenten ook moeilijk voor de ouders. Tijdens het laatste omgangsmoment in december waren zowel de kinderen als de ouders gespannen. De omgang is toen vroegtijdig gestopt. Hierna heeft de GI besloten om de omgang weer onder begeleiding op het kantoor van [instelling] te laten plaatsvinden. Sindsdien zijn de ouders niet meer naar een omgangsmoment gekomen. De GI heeft gefaciliteerd dat er nog een aantal videobelmomenten hebben plaatsgevonden, omdat er anders helemaal geen contact tussen de ouders en de kinderen zou zijn.
6.3.
De ouders zijn de afspraken voor het inzetten van de VIB (video interactie begeleiding) onvoldoende nagekomen, waardoor deze hulp niet van de grond is gekomen. Een evaluatie heeft ook niet plaatsgevonden, omdat de ouders niet op de uitnodigingen reageren. Tijdens het gesprek op de zitting hebben de ouders verteld dat zij niet altijd naar afspraken komen omdat zij de reiskosten niet kunnen betalen. De moeder staat onder bewind en stelt dat zij geen reiskostenbudget kan krijgen. De GI heeft toegelicht dat de GI hierover contact wil opnemen met de bewindvoerder van de moeder. De GI heeft dat al eerder aangeboden. De rechtbank hoopt dat de moeder dat aanbod nu aangrijpt. Het is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belangrijk dat de ouders de omgangsafspraken nakomen.
6.4.
De samenwerking tussen de GI en de ouders verloopt moeizaam. De moeder is vaak telefonisch niet bereikbaar, reageert niet op mails en komt – zoals hiervoor al is benoemd – niet naar afspraken. Momenteel krijgt de GI helemaal geen contact met de moeder en daarom verloopt het contact via de vader. De GI ervaart de samenwerking met de vader als wisselend. Hij maakt op de GI een overbelaste indruk. Tegelijkertijd ziet de GI ook dat de vader zijn best doet om de omgangsafspraken na te komen. Verder is gebleken dat de ouders langere tijd niet open zijn geweest over het hervatten van hun relatie. De GI heeft zorgen over deze relatie, omdat er meldingen zijn gedaan over de vele ruzies tussen de ouders die kunnen uitlopen op huiselijk geweld.
Op basis van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de betrokkenheid van de GI nog noodzakelijk is.
Het opgroeiperspectief
Het wettelijk kader ten aanzien van het perspectief besluit
6.5.
In de uitspraak van 1 september 2023 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2023:1148) wordt beschreven dat de GI gedurende de uithuisplaatsing tot het standpunt kan komen dat terugplaatsing bij de ouder(s) niet meer aan de orde is en dat het opgroeiperspectief van het kind ergens anders ligt. Dit standpunt van de GI wordt in de praktijk aangeduid als ‘perspectiefbesluit’. In deze zaak heeft de GI het besluit genomen dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer bij de moeder en/of de vader ligt.
6.6.
De bedoeling van de wetgever is dat het perspectiefbesluit er in dat geval toe leidt dat de Raad voor de kinderbescherming aan de rechter verzoekt over te gaan tot beëindiging van het gezag van de ouder(s) bij wie het perspectief niet meer ligt. In de praktijk kan een verzoek tot beëindiging van het gezag na een perspectiefbesluit een behoorlijke tijd op zich laten wachten omdat het door de Raad daarvoor te verrichten onderzoek tijd kost. In de tussentijd werkt het perspectiefbesluit wel door in de praktijk. De hulpverlening is dan niet meer gericht op een terugkeer van het kind naar de ouder(s), maar op hulp bij acceptatie en invulling van hun rol als ouder op afstand. Hoewel het perspectiefbesluit duidelijkheid kan bieden, heeft het als zodanig geen wettelijke grondslag. De wet verbindt aan dat besluit geen rechtsgevolgen en voorziet niet in een specifieke rechtsgang om het perspectiefbesluit voor beoordeling aan de rechter voor te leggen. Er zijn wel verschillende procedures waarin het opgroeiperspectief van de minderjarige een rol speelt. De ouder(s), het kind en de pleegouders hebben belang bij inzicht in en duidelijkheid over het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van het kind. In dat opzicht vervult het perspectiefbesluit een belangrijke functie. Een verschil van mening tussen de ouder(s) en de GI over het opgroeiperspectief van het kind zal ook aan de orde kunnen komen in het kader van een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
6.7.
De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat een perspectiefbesluit ook aan het rechterlijk oordeel kan worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit. De beslissing op het verzoek van de GI tot
verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is een maatregel die (mede) samenhangt met het perspectiefbesluit. De rechtbank zal zich daarom hierover
uitlaten.
Verloop van beoordeling van het perspectief
6.8.
Omdat al eerder perspectiefbesluiten zijn genomen en beoordeeld, is het belangrijk om eerst duidelijk te maken over het perspectief van wie en het perspectief bij wie het hier gaat. Het perspectief van [minderjarige 1] is in 2024 beoordeeld, zowel door de rechtbank als door het hof. De ouders waren toen niet bij elkaar en het perspectief is daarom toen voor beide ouders afzonderlijk beoordeeld. Ten aanzien van de moeder heeft de GI eind 2024 besloten om het opvoedbesluit van [minderjarige 1] voor zover dat de moeder betrof ‘even stop te zetten’, omdat er in korte tijd veel was gebeurd, namelijk de zwangerschap en geboorte van [minderjarige 2] en de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] kort na haar geboorte. Dit alles was gebeurd in het jaar na de geboorte van [minderjarige 1] . Hierdoor had de moeder nagenoeg geen tijd gehad om deze gebeurtenissen en de daarbij komende emoties te kunnen verwerken. De GI hoopte de moeder te motiveren om haar afspraken na te komen, ook gelet op de uitlatingen van de moeder na de zitting van 31 oktober 2024 in de hoger beroepsprocedure. De moeder heeft toen gezegd dat het tot haar was doorgedrongen dat zij aan de slag moest gaan en dat zij hiervoor gemotiveerd was. In de periode daarna is het [instelling] wederom niet gelukt om alle fases van een perspectiefonderzoek te doorlopen, omdat de moeder geen openheid gaf over (de ernst van) haar verslaving.
6.9.
Ten aanzien van de vader heeft de rechtbank in de beschikking van 12 september 2024 het perspectiefbesluit over [minderjarige 1] met betrekking tot vader onderschreven. De conclusies van dit onderzoek gingen weliswaar over [minderjarige 1] , maar de GI vindt deze conclusies ook bruikbaar om te besluiten dat ook het perspectief van [minderjarige 2] niet bij de vader kan liggen.
6.10.
De verklarende analyse (begin juni 2025 door de GI ontvangen) geeft als conclusie dat zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] beter in het pleeggezin kunnen opgroeien. Daarna heeft de GI op 5 augustus 2025 (opnieuw) een perspectiefbesluit genomen waarin staat dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bij (een van) de ouders ligt en de kinderen dus niet bij de moeder en/of de vader kunnen opgroeien. Dit besluit heeft betrekking op het perspectief van [minderjarige 1] én [minderjarige 2] , en gaat over het perspectief bij de ouders afzonderlijk en bij de ouders samen.
Het opgroeiperspectief
6.11.
De rechtbank onderschrijft de visie van de GI, dat het opgroeiperspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bij (een van) de ouders ligt. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom.
6.12.
Uit de verklarende analyses volgt dat de ouders beperkte draagkracht hebben en onvoldoende kunnen aansluiten bij de opvoedbehoeften van de kinderen. De ouders zijn niet in staat om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] structuur, regelmaat en emotionele veiligheid te bieden. Daarnaast zijn er forse zorgen over de verslaving van de moeder, haar persoonlijke problematiek, lichamelijke klachten en schadelijke copingstrategieën.
6.13.
Tijdens de vele zittingen die er bij de rechtbank zijn geweest tekent zich ook bij de rechtbank een duidelijk patroon af. Voor de positieve testen ten aanzien van alcohol en/of drugs heeft de moeder iedere keer een verklaring. Zo bevatte de alcoholvrije wijn die zij had gedronken volgens haar toch alcohol en kon een andere positieve test worden verklaard doordat het Japanse restaurant waar de moeder had gegeten het eten afbluste met sake. Later zei zij over de positieve testen dat zij door de vader was gedrogeerd en ook door de buurman. Het zijn een paar voorbeelden van de manier waarop de moeder steeds weer verklaart dat zij niks kon doen aan de positieve testen.
6.14.
Hetzelfde geldt voor het niet verschijnen bij de omgang en ook bij zittingen bij de rechtbank. Exemplarisch is dat op 2 oktober 2025 een zitting was gepland om het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te bespreken. Zeer kort voor de zitting meldden de ouders dat zij niet konden komen. De reden hiervan was dat de vader plotseling met de moeder naar het ziekenhuis moest. Ook bij deze zitting waren de ouders als gezegd niet aanwezig, doordat de auto van de vader kapot was gegaan, de ouders vervolgens vanuit Blaricum op de fiets wilden komen maar de moeder plotselinge pijn aan haar gewrichten had waardoor dat niet kon. Vergelijkbare verklaringen zijn er voor het niet nakomen van de omgang met de kinderen.
6.15.
Ook als het gaat om de relatie tussen de ouders tekent zich een patroon af. De ouders zijn nu weer bij elkaar en nemen elkaar in bescherming. Eerder beschuldigde de moeder de vader echter als gezegd van drogeren, en gaf de vader juist aan dat alle zorgen over de moeder terecht waren en dat hij zich daarom van haar distantieerde.
6.16.
De rechtbank heeft al eerder tegen de moeder gezegd dat middelengebruik en ouderschap weliswaar een zorgelijke combinatie is, maar dat dit niet betekent dat dat ‘het einde van de wereld’ is. Om een ouderrol te kunnen vervullen is echter wel nodig dat de ouder het middelengebruik erkent en verantwoordelijkheid hiervoor neemt, om op die manier verandering te bewerkstelligen. De rechtbank ziet dat de moeder daarin onmachtig is. Haar coping lijkt te zijn om vast te houden aan verklaringen voor haar gedrag en voor testen die niet geloofwaardig zijn. De rechtbank ziet ook een vader die steeds verandert in zijn verhalen en standpunten en die niet de beslissingen kan nemen en keuzes kan maken die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben.
6.17.
De rechtbank onderschrijft dan ook het besluit van de GI dat, nu de ouders geen ontwikkeling laten zien, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bij hun kunnen opgroeien. Het perspectief ligt dus niet bij de ouders.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
6.18.
Nu duidelijk is dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bij (een van) de ouders ligt, zal de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling, te weten tot 12 maart 2027. In het pleeggezin kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot volwassenheid opgroeien. Het pleeggezin biedt een veilige, voorspelbare en stabiele omgeving waarbij er goed wordt aangesloten bij de (extra) behoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarnaast is het positief dat er een prettige samenwerking is tussen de ouders en de pleegouders.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.19.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Hierna volgt de beslissing.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 12 maart 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 12 maart 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. T. Dopheide, mr. R.M. Maliepaard en mr. F. Rethmeier, kinderrechters, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 en op schrift gesteld op 9 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.