Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1450

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
26/797
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WpbrArt. 8:81 AwbArt. 4:84 AwbArt. 7:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking politietoestemming beveiligingswerkzaamheden

Verzoeker had toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, welke op 14 januari 2026 door de korpschef werd ingetrokken wegens een forse snelheidsovertreding van 61 km/u en het rijden met een ingevorderd rijbewijs. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de korpschef bevoegd was tot intrekking en dit in redelijkheid had gedaan. Verzoeker erkende de verkeersovertredingen en was inmiddels veroordeeld voor het rijden met een ingevorderd rijbewijs. Daarnaast waren er nog openstaande feiten omtrent huiselijk geweld, die bij de heroverweging in bezwaar worden betrokken.

Hoewel verzoeker een spoedeisend belang had vanwege het verlies van inkomsten, weegt het maatschappelijk belang bij betrouwbare beveiligers zwaarder. De voorzieningenrechter concludeerde dat de bezwaargronden geen redelijke kans van slagen hebben en wees het verzoek af. De intrekking blijft van kracht tot de beslissing op bezwaar.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de politietoestemming wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/797

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. B.E.J. Torny),
en
de korpschef van politie, namens deze, de politiechef van eenheid Midden-Nederland
(gemachtigde: mr. S.S. Madarie).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking van de aan verzoeker verleende politietoestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten voor een beveiligingsorganisatie. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de korpschef bevoegd is om de verleende toestemming, om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, in te trekken, en is van oordeel dat de korpschef dit in redelijkheid heeft gedaan. Verzoeker heeft namelijk een forse snelheidsovertreding van 61 km/u begaan en heeft hierna een voertuig bestuurd terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 14 januari 2026 heeft de korpschef de aan verzoeker verleende toestemming, op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) en paragraaf 3.3 van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (de Beleidsregels), ingetrokken. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De korpschef heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de korpschef.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als het besluit waartegen bezwaar is gemaakt zodanig gebrekkig is dat het in heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. Als uitgangspunt bij de heroverweging geldt dat bij het nemen van een besluit op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt, en gekeken moet worden naar de stand van feiten en omstandigheden zoals die op dat moment zijn. [1] De voorzieningenrechter zal daarom allereerst beoordelen of de bezwaargronden van verzoeker een redelijke kans van slagen hebben.
4.1.
De voorzieningenrechter weegt vervolgens de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van de korpschef die pleiten tegen het treffen daarvan, tegen elkaar af. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt in stand kan blijven, hoe minder ruimte er bij deze belangenafweging is voor de belangen van verzoeker.
Is er sprake van spoedeisend belang?
5. De korpschef stelt zich allereerst op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang zoals bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat een financieel belang op zichzelf onvoldoende reden is om een voorlopige voorziening te treffen. Dit is alleen anders als verzoeker aannemelijk kan maken dat hij in een financiële noodsituatie terecht zal komen. Volgens de korpschef heeft verzoeker onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is.
5.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval wel sprake is van een spoedeisend belang. De intrekking van de toestemming heeft tot gevolg dat verzoeker geen inkomsten meer krijgt als zelfstandige, door beveiligingsopdrachten aan te nemen via [bedrijf] . Tijdens de zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij alleen opdrachten had via [bedrijf] , waarvoor hij de ingetrokken toestemming van de politie-eenheid Midden - Nederland nodig heeft. [bedrijf] heeft de samenwerking beëindigd zolang verzoeker geen toestemming heeft. Verder heeft verzoeker stukken overgelegd van een dwangbevel loonbelasting en schulden bij een creditcard- en leasemaatschappij, waarvoor hij betalingsregeling heeft getroffen, en hij heeft bankafschriften overgelegd waaruit een saldo blijkt van in totaal € 32,- op verzoekers betaal- en spaarrekening. De voorzieningenrechter is van oordeel dat bij het wegvallen van de voornaamste bron van inkomen van verzoeker en gelet op zijn schulden en saldo op zijn rekeningen, de financiële noodsituatie voldoende aannemelijk is. De voorzieningenrechter neemt daarom in het voordeel van verzoeker aan dat er wel een spoedeisend belang is.
Hoe is het besluit tot stand gekomen?
6. Op 10 juni 2024 is aan verzoeker - op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wpbr - toestemming verleend om beveiligingswerkzaamheden te verrichten bij [bedrijf] .
7. Op 6 mei 2025 is het rijbewijs van verzoeker ingevorderd, omdat hij een snelheidsovertreding van 61 km/u heeft begaan. Verzoeker reed 161 km/u op een weg waar de maximum toegestane snelheid 100 km/u is. Aan verzoeker is een geldboete van €1100,- opgelegd en subsidiair 21 dagen hechtenis en een rijontzegging voor 210 dagen, waarvan 168 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Later, op 25 mei 2025, heeft de politie geconstateerd dat verzoeker een auto bestuurde, terwijl zijn rijbewijs nog was ingevorderd.
8. Verzoeker betwist niet dat hij een snelheidsovertreding heeft begaan en vervolgens een auto heeft bestuurd terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd.
Welke feiten en omstandigheden zijn na het bestreden besluit bekend geworden?
9. Tijdens de zitting is gebleken dat verzoeker voor het rijden terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd inmiddels is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week, met een proeftijd van 2 jaar, en 40 uur taakstraf. Het rijden met een ingevorderd rijbewijs is een misdrijf.
10. Op de Justitiële Documentatie van verzoeker staat een – nog te beoordelen – feit voor huiselijk geweld (ex)partnermishandeling, met een pleegdatum van 12 november 2025. Ook staat er een openstaand feit op verzoeker zijn Justitiële Documentatie voor huiselijk geweld (ex)partnermishandeling met een pleegdatum van 2 maart 2026, waarvoor hij is gedagvaard.
11. De korpschef heeft zich hierover tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de twee verkeersfeiten voldoende grondslag zijn om de toestemming in te trekken en dat bij de beslissing op bezwaar de aanvullende feiten nader zullen worden bekeken. De voorzieningenrechter zal daarom rekening houden met de aanvullende feiten bij de beoordeling of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
Wat is het toetsingskader?
12. Artikel 7, tweede lid, van de Wpbr, bepaalt dat een beveiligingsorganisatie toestemming moet krijgen van de korpschef om een bepaald persoon beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten.
12.1.
Op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr, wordt toestemming door de korpschef onthouden indien de betreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor de te verrichten werkzaamheden.
12.2.
Op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr, wordt de verleende toestemming door de korpschef ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.
12.3.
De criteria waaraan de betrouwbaarheid wordt getoetst, zijn nader uitgewerkt in paragraaf 3.3 van de Beleidsregels.
Deze beleidsregels luiden als volgt:
“De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van:
veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken
andere omtrent de aanvrager bekende feiten.
Ad a. (veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken)
De persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd mag op het moment van de aanvraag niet:
(…);
binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd.
(…)
Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten)
De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.
Sepots, processen-verbaal en mutaties
Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat.
Ook sepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. Hierbij dient de aard van het sepot in ogenschouw te worden genomen. Een technisch sepot, bijvoorbeeld wegens onvoldoende bewijs, zal bij de beoordeling naar de betrouwbaarheid een minder grote rol spelen dan een sepotbeslissing die op beleidsmatige gronden is genomen. In het geval dat een sepot wordt meegenomen in de beoordeling, wordt voor wat betreft de terugkijktermijn als uitgangspunt genomen de datum waarop het Openbaar Ministerie de beslissing heeft genomen de zaak te seponeren.’’
Was de korpschef bevoegd tot het intrekken van de toestemming?
13. Verzoeker stelt in het verzoekschrift dat het overschrijden van een snelheidslimiet een overtreding betreft en dat de korpschef niet bevoegd is om de toestemming in te trekken bij het begaan van een overtreding. Bovendien is er geen sprake van het structureel overtreden van rechtsregels, waarvan die overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Verzoeker is verder van mening dat het verband, tussen de twee verkeersfeiten en de aard van zijn werkzaamheden, te ver uit elkaar ligt. Daarnaast zijn de feiten niet zo zwaarwegend dat gesproken kan worden over het creëren van een reëel gevaar voor goederen en personen.
13.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de korpschef bij de beantwoording van de vraag of iemand voldoende betrouwbaar is, beoordelingsruimte heeft. [2] Aan medewerkers in de beveiligingsbranche mogen, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat de korpschef als beoordelingsmaatstaf mag hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven moeten zijn. Bij deze toets maakt de korpschef gebruik van de Beleidsregels en moet hij artikel 4:84 van Pro de Awb toepassen. Daarbij mag hij alleen omstandigheden betrekken die relevant zijn voor het oordeel of de betrokkene al dan niet bekwaam of betrouwbaar is. [3]
13.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de korpschef met toepassing van de Beleidsregels mogen concluderen dat de betrouwbaarheid van verzoeker, door de snelheidsovertreding en het rijden met een ingevorderd, niet boven elke twijfel is verheven.
13.3.
De korpschef heeft tijdens de zitting toegelicht dat de twee verkeersfeiten in het bestreden besluit onder sub b, van artikel 3.3. van de Beleidsregels vallen, maar - doordat verzoeker inmiddels is veroordeeld voor het rijden terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd - inmiddels is voldaan aan het vereiste van artikel 3.3, onder a, van de Beleidsregels. Dat betekent dat verzoeker volgens de Beleidsregels onvoldoende betrouwbaar is.
13.4.
Verder heeft de korpschef toegelicht dat op grond van artikel 3.3, onder b, van de Beleidsregels ook overtredingen, processen-verbaal en mutaties van betekenis kunnen zijn. Een ernstige snelheidsovertreding levert een onmiddellijk gevaar op voor de verkeersveiligheid en behoeft daarom directe correctie. De invordering en inhouding van het rijbewijs is daarvoor een zeer effectief middel, omdat hierdoor het rijden tijdelijk onmogelijk wordt gemaakt. Door te rijden met een ingevorderd rijbewijs (waarvoor verzoeker op het moment van het besluit nog niet was veroordeeld) heeft verzoeker een opgelegde maatregel, die ertoe strekt om deelname aan het gemotoriseerde verkeer tijdelijk onmogelijk te maken ter bescherming van de verkeersveiligheid, naast zich neergelegd en doorkruist met een opgelegde veiligheidsmaatregel. Het risico voor andere weggebruikers, wat met deze maatregel wordt beoogd te voorkomen, wordt zo opnieuw in het leven geroepen. De Korpschef stelt zich daarom op het standpunt dat verzoeker er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen, en de overtreding daarom kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet beschikt over de betrouwbaarheid die is vereist voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden.
13.5.
Het standpunt van verzoeker dat geen sprake is van een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde, omdat volgens verzoeker geen verband bestaat tussen de werkzaamheden van verzoeker en de strafbare feiten in kwestie en omdat zijn gedrag niet gevaarlijk was, volgt de voorzieningenrechter niet. De korpschef heeft er namelijk terecht op gewezen dat ook incidenten in de privésfeer bij de beoordeling mogen worden betrokken als deze zich naar hun aard niet verdragen met beveiligingswerkzaamheden. [4] Hieronder vallen ook verkeersdelicten die bij uitstek betrekking hebben op de veiligheid van anderen. [5] Het functioneren in de privésfeer mag voor de korpschef dus een indicatie zijn voor het algehele functioneren, zeker nu de voorzieningenrechter van oordeel is dat het verband niet in zijn geheel ontbreekt. Bij het begaan van beide verkeersovertredingen was verzoeker onderweg naar een beveiligingsopdracht. Van een beveiliger mag worden verwacht dat de verkeersveiligheid een hogere prioriteit heeft dan situaties waarin verzoeker tijdsdruk ervaart of waarbij andere persoonlijke belangen spelen. Verzoeker heeft met zijn gedrag de verkeersveiligheid in het gevaar gebracht, en daarmee ook de veiligheid van zichzelf en van andere weggebruikers.
Heeft de korpschef in redelijkheid gebruik mogen maken van de bevoegdheid tot intrekking van de toestemming?
14. Volgens verzoeker moeten de verkeersfeiten van 6 en 25 mei 2025 genuanceerd worden, los van dat hij de ernst ervan begrijpt. Verzoeker is de snelheidsovertreding begaan, omdat hij na zijn dienst een sleutelbos had meegenomen naar huis, waardoor zijn collega’s het gebouw niet konden afsluiten. Om deze reden is hij om 01:27 uur zo snel mogelijk teruggereden, zodat zijn collega’s konden afsluiten. Verzoeker kwam net van een snelweg af waar het is toegestaan om 130 km/u te rijden en reed op een vrijwel verlaten snelweg. Dit maakt dat in dit geval geen sprake was van concreet en reëel gevaar voor personen en goederen in de nabije omgeving van verzoeker. Op 25 mei 2025 is verzoek in de auto gestapt terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd, omdat hij zijn baan dreigde te verliezen. Zijn overeenkomst zou worden ontbonden op het moment dat hij niet zou komen opdagen, en ondanks de moeite was het verzoeker die dag niet gelukt om vervanging voor zijn werkzaamheden te regelen. Deze (genuanceerde) omstandigheden zouden in het voordeel van verzoeker mee moeten wegen.
14.1.
Tijdens de zitting heeft verzoeker toegelicht dat de officier van justitie -naar aanleiding van een sepotverzoek van verzoeker - voornemens is om over te gaan tot een sepot voor de verdenking van mishandeling die op 12 november 2025 zou hebben plaatsgevonden. Voor de verdenking van mishandeling die op 2 maart 2026 zou hebben plaatsgevonden, is de gemachtigde van verzoeker ook van plan om - op korte termijn - een sepotverzoek in te dienen. Volgens verzoeker is hij degene die is mishandeld door zijn toenmalige vriendin in plaats van andersom, en is de relatie inmiddels beëindigd. Er is daarom volgens verzoeker ook geen recidiverisico.
14.2.
Verder stelt verzoeker dat de gevolgen van de intrekking zeer ingrijpend zijn in verhouding tot de ten grondslag gelegde incidenten. Verzoeker raakt zo zijn opdrachten voor beveiligingswerkzaamheden kwijt, waardoor hij geen inkomsten meer heeft. Dit heeft per direct gevolgen voor zijn financiële situatie. Verzoeker is zonder inkomen namelijk niet in staat om zijn vaste lasten en lopende schulden te betalen.
14.3.
Op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr kan de korpschef de toestemming kan intrekken als niet aan de vereisten wordt voldaan. Artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr heeft geen dwingendrechtelijk karakter, waardoor ruimte is voor een belangenafweging. Hierbij spelen de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de maatregel een rol. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt verder dat intrekking van de verleende toestemming op zich geen onredelijk middel is om het maatschappelijk belang dat gediend is bij een betrouwbare veiligheidszorg te beschermen. Wel is van belang dat de maatregel is afgestemd op het individuele geval en dat de korpschef goed motiveert waarom de maatregel passend en noodzakelijk is. [6]
14.4.
De korpschef heeft tijdens de zitting toegelicht dat het op dit moment nog niet helemaal duidelijk is hoe de verdenkingen van mishandeling worden meegewogen tijdens de heroverweging in bezwaar, maar dat dit niet afdoet aan het bestreden besluit omdat de twee verkeersfeiten al voldoende grondslag bieden om de toestemming in te trekken. De korpschef heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat ook sepots en andere (politie)gegevens meewegen bij de heroverweging in bezwaar, als dat tegen die tijd aan de orde is.
14.5.
De voorzieningenrechter kan dit standpunt van de korpschef volgen. De korpschef heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd waarom de intrekking van de toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten een noodzakelijk en passende maatregel is om het doel, te weten het maatschappelijk belang dat gediend is bij een betrouwbare veiligheidszorg, te bereiken. Bij deze afweging heeft de korpschef rekening gehouden met de aard van de strafbare feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen. Minder ingrijpende maatregelen, zoals het geven van een waarschuwing, acht de korpschef onvoldoende passend om het beoogde doel te bereiken. De korpschef vindt de twee verkeersfeiten, die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit, daarvoor te ernstig.
14.6.
Verder volgt de voorzieningenrechter de korpschef in het standpunt dat de aangevoerde omstandigheden waaronder deze gedragingen hebben plaatsgevonden niet leiden tot een ander oordeel. Deze omstandigheden doen namelijk niet af aan de ernst van de gedragingen, al helemaal niet vanwege de hogere eisen die aan de betrouwbaarheid van verzoeker mogen worden gesteld vanwege zijn functie. Bovendien is verzoeker inmiddels veroordeeld voor een misdrijf, waardoor hij op grond van de beleidsregels onvoldoende betrouwbaar is. Dat de korpschef desondanks zou moeten afzien van intrekking, volgt de voorzieningenrechter niet.
14.7.
Ook volgt de voorzieningenrechter de korpschef in het standpunt dat de persoonlijke omstandigheden niet leiden tot een ander oordeel. Het niet kunnen genereren van inkomsten uit beveiligingswerkzaamheden is een inherent gevolg van intrekking van de toestemming en leidt niet meteen tot de conclusie dat het bestreden besluit onevenwichtig is. De intrekking van de toestemming brengt namelijk niet met zich mee dat verzoeker in het geheel geen andere werkzaamheden meer kan verrichten. De korpschef heeft mogen concluderen dat er een zwaarder gewicht toekomt aan het maatschappelijk belang van een goede en betrouwbare beveiliger, dan aan de persoonlijke belangen van verzoeker.

Conclusie en gevolgen

15. Gezien hetgeen wat hiervoor is besproken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
16. De voorzieningenrechter weegt ook altijd nog zelf de belangen af. Als het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, is er weinig ruimte om alsnog een voorlopige voorziening te treffen en komt er meer gewicht toe aan het belang dat is gediend met het besluit. Het belang van verzoekers is vooral dat hij weer aan het werk kan als beveiliger, zodat hij in zijn vaste lasten kan voorzien. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang dat met het bestreden besluit is gediend, namelijk bescherming van de maatschappij tegen onbetrouwbare beveiligers, zwaarder weegt dan het belang van verzoeker.
17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst tot 6 weken na de beslissing op bezwaar en de voorzieningenrechter ook geen aanleiding ziet om een andere voorziening te treffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas , griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 7:11, eerste lid, van de Awb bepaalt dat op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt.