Eiser diende op 15 april 2025 een bezwaar in bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Verweerder verlengde de beslistermijn tweemaal, maar zonder toestemming van eiser voor de tweede verlenging. Op 30 oktober 2025 was er nog geen besluit genomen. Eiser stuurde een ingebrekestelling op 21 november 2025, waarna twee weken verstreken zijn zonder besluit.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in gebreke is gebleven en legt een dwangsom van €1.442,- vast voor de maximale periode van 42 dagen. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, wordt hem opgedragen binnen twee maanden na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. De rechtbank houdt rekening met het tekort aan verzekeringsartsen en stelt daarom een termijn van twee maanden vast.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100,- per dag opgelegd voor elke dag dat verweerder de nieuwe beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000,-. Verweerder wordt ook veroordeeld tot betaling van het griffierecht van €53,- en een proceskostenvergoeding van €467,- aan eiser, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp.