Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1586

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
UTR 23/2680
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 10 EVRMArt. 8:64 AwbArchiefwetBesluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling inzageverzoeken op grond van de AVG en afwijzing beroep wegens onvoldoende bewijs van onvolledigheid dossier

Eisers hebben op 21 oktober en 1 november 2021 verzoeken ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo), artikel 10 EVRM Pro en artikel 15 AVG Pro voor inzage in hun dossiers. Verweerder wees Woo-verzoeken af wegens misbruik van recht, maar verstrekte op basis van de AVG een kopie van het dossier vanaf 1 juli 2021.

Eisers stelden dat het dossier onvolledig was en dat verweerder informatie achterhield, waaronder digitale documenten en schuldhulpverleningsdossiers. Verweerder stelde dat het volledige dossier was verstrekt, met uitzondering van vernietigde schuldhulpverleningsdossiers conform de Archiefwet.

De rechtbank beperkte de beoordeling tot de AVG-verzoeken en oordeelde dat verweerder een zorgvuldige zoekslag had verricht. Eisers slaagden er niet in concreet aan te tonen welke documenten ontbraken. De rechtbank verwierp de stelling dat verweerder gebruikmaakt van algoritmes en concludeerde dat de verstrekte PDF-bestanden voldoen aan het inzagerecht.

De rechtbank wees ook verzoeken van eisers die buiten de reikwijdte van het geding vielen af en verklaarde het beroep ongegrond. Eisers kregen geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard omdat verweerder het dossier zorgvuldig heeft verstrekt en eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat informatie ontbreekt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2680

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers,

en
het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen,
Regionale Sociale Dienst, verweerder,
(gemachtigde: A.G. [A] ).

Inleiding

1. Eisers hebben op 21 oktober 2021 en op 1 november 2021 verzoeken ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo), artikel 10 van Pro het EVRM en op grond van artikel 15 van Pro de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) .
1.1.
Het college heeft bij besluit van 18 november 2021 de verzoeken voor zover deze zien op de Woo afgewezen. Voor zover de verzoeken zijn gebaseerd op de AVG wijst verweerder de verzoeken toe, waarbij verweerder een kopie van het dossier verstrekt van 1 juli 2021 tot en met heden.
1.2.
Met het bestreden besluit van 22 februari 2023, verzonden op 3 april 2023, heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft de verzoeken niet aangemerkt als een Woo-verzoek, maar als een inzageverzoek op grond van artikel 15 van Pro de AVG. Verweerder heeft in het kader van de AVG een kopie van het dossier verstrekt over de periode van 1 juli 2021 tot en met 18 november 2021.
1.3.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 24 juli 2023, op 22 augustus 2023 en op 7 februari 2025 hebben eisers gronden ingediend.
1.4.
Verweerder heeft op 1 september 2023 en op 19 december 2024 een verweerschrift ingediend en op 27 februari 2025 aanvullende stukken.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van verweerder.
1.6.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en eisers de gelegenheid gegeven om nader toe te lichten waarom de ontvangen dossiers niet volledig zijn [1] . Verder heeft de rechtbank verweerder de gelegenheid gegeven om hier een reactie op in te dienen en om de Zivver-bestanden met het dossier te overleggen.
1.7.
Eisers hebben een reactie ingediend. Verweerder heeft hier op gereageerd en heeft een USB-stick overgelegd met de Zivver-bestanden.
1.8.
Partijen hebben ingestemd met het achterwege laten van een nadere zitting. [2] De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Totstandkoming van het besluit

2. Eisers hebben op 21 oktober 2021 en op 1 november 2021 op grond van artikel 10 van Pro het EVRM, op grond van de Woo en op grond van artikel 15 van Pro de AVG verzocht om het volledige digitale dossier in de zaaknummers Z/21/206729 en Z/21/208191, inclusief het dossier van het besluit van 20 maart 2009 waarin de gehuwdennorm wordt toegekend. Eisers willen ontvangen:
het inkomstendossier;
het schuldhulpdossier;
alle digitale transcripties van de gesprekken die met eisers, met de advocaten en met de medewerkers van de RSD (o.a. op 30 juli 2015, 30 december 2015, 20 april 2016, 21 juni 2017) hebben plaats gevonden;
de richtlijnen waarop alle besluiten van de RSD die betrekking hebben op eisers zaak, zijn gebaseerd;
de volledige dossiers UTR 21/124, UTR 21/473, UTR 21/637, CRvB 16/5046, UTR 15/6546, RvS 201609340/3/A3.
2.1.
Verweerder heeft met het primaire besluit van 18 november 2021 de verzoeken voor zover deze zijn gebaseerd op de Woo afgewezen, omdat volgens verweerder sprake is van misbruik van recht. Verweerder wijst de verzoeken voor zover deze zijn gebaseerd op de AVG toe en verstrekt een kopie van het dossier na 1 juli 2021 tot en met heden. Verweerder verstrekt het volledige dossier, met uitzondering van de digitale transcripties van gesprekken omdat deze niet worden opgenomen. Ook kan verweerder het schuldhulpdossier niet overleggen omdat dit conform de Archiefwet op 30 september 2018 is vernietigd. Verweerder heeft daarnaast geen beschikking over het dossier van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS 201609340/3/A3). Het verstrekken van relevante wet- en regelgeving valt niet onder de reikwijdte van het recht op inzage op grond van de AVG.
2.2.
Eisers zijn op 22 november 2021 tegen het besluit in bezwaar gegaan
2.3.
Verweerder heeft op 22 februari 2023 met de beslissing op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder merkt de verzoeken niet aan als Woo-verzoeken, omdat uit de aard en de inhoud van de verzoeken blijkt dat eisers inzage willen in hun persoonsgegevens. Verder vindt verweerder dat voor zover mogelijk is voldaan aan de verzoeken van eisers om inzage te geven in de persoonsgegevens en deze te verstrekken op grond van de AVG. Verweerder heeft het dossier al aan eisers verstrekt en heeft dit nogmaals op 9 februari 2023 via Zivver verstrekt. Ook is verweerder ingegaan op de resterende bezwaargronden.
2.4.
Eisers hebben op 29 april 2023 beroep ingesteld. Zij hebben op 24 juli 2023, 22 augustus 2023, 8 december 2024 en op 7 februari 2025 (aanvullende) gronden ingediend. Ook hebben eisers op 10 juni 2024, 11 maart 2025, 30 juni 2025, 1 juli 2025 en op 4 juli 2025 en op 21 augustus 2025 nog verschillende verzoeken en reacties ingediend.
2.5.
Eisers stellen, kort samengevat, het volgende. Zij verzoeken om deze zaak te voegen met de zaak UTR 21/3424 WOB. Verder willen eisers hun digitale dossiers ontvangen, omdat zij enkel PDF-documenten hebben ontvangen en geen digitale documenten. Eisers voeren aan dat verweerder informatie achterhoudt, waardoor hun grondrecht – het recht op informatie – wordt geschonden. Het dossier is namelijk gelet op de bij de inventarisatielijst opgenomen stukken niet volledig. Ook heeft verweerder hun Woo-verzoeken niet tijdig afgehandeld. Verweerder heeft ook niet op alle bezwaargronden van eisers gereageerd. Eisers verzoeken dat de rechtbank beslist dat er een onafhankelijk onderzoek moet plaatsvinden naar de feiten en dat verweerder alsnog het volledige digitale dossier van betrokkenen aan hen en aan de rechtbank verstrekt.
2.5.
Verweerder heeft op 2 augustus 2023, op 1 september 2023 en op 19 december 2024 op de gronden gereageerd. Op 27 februari 2025 heeft verweerder aanvullende stukken ingediend. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat het procesbelang ontbreekt, omdat het hele dossier al aan eisers is verstrekt. Subsidiair stelt verweerder dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?
3. Deze zaak gaat over de verzoeken om informatie van eisers van 21 oktober 2021 en van 1 november 2021. De rechtbank stelt vast dat deze verzoeken door verweerder in het bestreden besluit zijn aangemerkt als inzageverzoeken als bedoeld in artikel 15 van Pro de AVG en niet als een Woo-verzoeken. Gezien hetgeen op de zitting is besproken is dit tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank beperkt de beoordeling dus tot de vraag of het bestreden besluit is genomen overeenkomstig de AVG. De rechtbank komt daarom ook niet toe aan de beroepsgrond van eisers dat door de weigering om het volledige digitale dossier op grond van de Woo aan hen te verstrekken, hun grondrechten – waaronder in het bijzonder het recht op informatie uit artikel 10 van Pro het EVRM en zaak C-579/21 [3] – worden geschonden.
De overige verzoeken
4. In deze zaak gaat het alléén om de beslissing van verweerder op de verzoeken van 21 oktober 2021 en 1 november 2021. Eiser hebben diverse verzoeken gedaan/stellingen ingenomen die buiten deze omvang van dit geding vallen.
5. Zo hebben eisers in hun beroepsschriften gronden gericht ten aanzien van de toekenning van de gehuwdennorm in het besluit van 20 maart 2009. Ook stellen eisers dat de Woo-verzoeken van 22 februari 2021 niet tijdig zijn afgehandeld. Eisers verzoeken verder om een onafhankelijk onderzoek naar de feiten, zoals die staan in de aanvraag van 15 augustus 2019, en eisers verzoeken om de feiten in het digitale dossier te controleren en objectiveren op basis van de ware feiten. De rechtbank zal daarop niet inhoudelijk ingaan.
6. Ook hebben eisers voorafgaande aan de zitting verschillende verzoeken gedaan aan de rechtbank. Zo hebben eisers verzocht om de onderhavige zaak te voegen met de zaak UTR 21/3424 en verzocht of de rechtbank zich kan uitlaten over de bevoegdheid om deze zaken te behandelen gelet op de uitspraken van de CRvB in de zaaknummers 14/1625 en 14/1626. De rechtbank overweegt dat voeging van deze zaak niet mogelijk is. De rechtbank heeft reeds op 10 november 2021 het beroep in de zaak UTR 21/3424 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het daartegen ingediende verzet op 24 januari 2022 ongegrond verklaard. Ook eisers verzoek aan de rechtbank om verweerder er toe te zetten uitvoering te geven aan de uitspraak van het CRvB van 10 januari 2013, omdat eisers recht hebben op een schadevergoeding maar deze tot op de dag van vandaag niet uitbetaald zouden hebben gekregen, valt buiten de omvang van dit geding. De rechtbank zal zich ook daar niet over uitlaten.
7. Eisers hebben de rechtbank verder verzocht om het procesdossier van de rechtbank te digitaliseren conform het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht en om de stukken te ordeneren met cijfers. De rechtbank heeft eisers daarover voorafgaande aan de zitting bericht dat dit niet mogelijk is.
8. Eisers hebben ook verzocht om voorafgaande aan de zitting verweerder al te laten reageren op alle standpunten van eisers. Dit omdat verweerder (en de gemeente Bunnik) volgens eisers geen rechtsbescherming hebben gegeven aan de belangen van eisers en daarmee hun grondrechten zijn geschonden. Ook verzoeken eisers om onafhankelijk waarheidsvinding onderzoek voor de geplande zitting. De rechtbank overweegt dat het verweerder vrijstaat om voor de zitting een verweerschrift in te dienen, maar dat verweerder ook nog op de zitting verweer kan voeren voor zover dat niet in strijd is met de goede procesorde.
Het procesbelang
9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen procesbelang bestaat, omdat het gehele dossier al aan eisers is verstrekt.
10. De rechtbank acht voldoende procesbelang aanwezig, nu eisers beoordeeld willen hebben of de documenten die onder de reikwijdte van hun verzoeken vallen wel volledig aan hen zijn verstrekt.
Verwijzing naar de bezwaargronden
11. Eisers voeren ten eerste aan dat alle gronden al in het dossier zitten. Eisers hebben in de bezwaarprocedure alle gronden en verzoeken bij verweerder bekendgemaakt.
12. De rechtbank overweegt dat het aan eisers is om in beroep gemotiveerd en concreet aan te voeren waarom zij het niet eens zijn met de inhoud van het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is ingegaan op de bezwaargronden. De rechtbank overweegt dat een enkele verwijzing naar wat eerder is gesteld, zonder daarbij duidelijk te maken op welke onderdelen verweerder in zijn motivering tekort is geschoten, niet kan leiden tot enig resultaat. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende op de bezwaargronden van eisers is ingegaan.
Is de verstrekte informatie volledig?
13. Gezien hetgeen op de zitting is besproken begrijpt de rechtbank dat eisers aanvoeren dat zij niet alle informatie hebben verkregen die onder hun verzoeken vallen.
13.1.
Eisers stellen daartoe dat zij niet het volledige digitale dossier hebben ontvangen. Eisers hebben van verweerder PDF-documenten gekregen, maar dit zijn geen digitale documenten. Eisers stellen dat er door verweerder gebruik wordt gemaakt van algoritmes om documenten dan wel besluiten op te stellen en die zijn op deze manier door de documenten per PDF te verstrekken niet zichtbaar.
13.2.
Eisers stellen daartoe verder dat de ontvangen dossiers niet volledig zijn, omdat bij de inventarisatielijst de volgende stukken ontbreken:
punt 2.1. bijlage 1, brief 26 oktober 2021 - alle dossierstukken van zaaknummers Z/21/206729 en Z//21/208191. Ook de brief van 19 oktober 2021;
punt 3 - brief van 2 november 2021 met 11 verzoeken;
punt 4.3. bijlage 4, klacht van 12 juli 2015; bijlage 5, informatie verzoek; bijlage 6, informatie aanvraag 20 juli 2015;
punt 4.4. Bijlage 1, verzoek 12 mei 2021; Bijlage 2, position paper;
alle stukken waarin verweerder aan eisers de gehuwdennorm toekent. Inclusief de verzoeken van eisers om herzieningen en de procedures bij de rechtbank en de CRvB.
13.3.
Eisers stellen daartoe ook dat verweerder bij monde van de heer [A] en mevrouw [B] heeft verklaard dat alle documenten zijn verstrekt, maar dat kunnen eisers niet controleren.
13.4.
Eisers betogen dat het niet zo kan zijn dat verweerder bewijsmateriaal – namelijk het dossier van de schuldhulpverlening – vernietigt, voordat verweerder de gevraagde informatie aan eisers verstrekt en de procedures bij de rechtbank zijn afgerond.
14. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 15 van Pro de AVG geeft betrokkene het recht om uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van de hem of haar betreffende persoonsgegevens en om inzage te verkrijgen in die persoonsgegevens. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen, is het doel van artikel 15 van Pro de AVG dat de betrokkene zich van de verwerking van zijn persoonsgegevens op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. [4] Het derde lid van dat artikel geeft recht op verstrekking van een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt, maar stukken als zodanig zijn geen persoonsgegevens. Het recht op inzage betekent dus niet dat betrokkene zonder meer recht heeft op inzage in of kopieën van stukken. [5] Zoals de Afdeling eerder ook heeft overwogen, is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. [6]
De zoekslag
15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op de zitting afdoende heeft toegelicht hoe de zoekslag is verlopen. Verweerder heeft toegelicht dat er een zoekslag is gedaan naar aanleiding van de verzoeken van eiseres, maar dat de zoekslagen bij AVG-verzoeken – anders dan bij Woo-verzoeken – niet in de besluitvorming wordt omschreven. Verweerder heeft toegelicht dat de zoekslagen eruit bestaan hebben dat zowel in papieren dossiers, als in digitale dossiers is gezocht. De papieren dossiers zijn gescand en worden bewaard in een archiefopslag. De digitale documenten staan in een digitaal beheersysteem. In dat systeem staan de documenten onder een zaaknummer. Ook de bijbehorende (mail)correspondentie, besluiten, rapporten, notulen van gesprekken staan dus opgenomen onder dit zaaknummer. Medewerkers moeten hun e-mails handmatig in het beheersysteem inzetten. De situatie kan zich voordoen dat medewerkers dit vergeten. De e-mailboxen van ex-medewerkers worden echter op een gegeven moment automatisch verwijderd, zodat die e-mails niet meer aanwezig zijn. Verweerder heeft verder toegelicht dat eisers op dit moment geen bijstand meer ontvangen zodat er ook geen consulent meer aan hen is gekoppeld en er geen nieuwe rapportages e.d. meer geschreven worden. De dossiers waar eisers om verzoeken zijn reeds geruime tijd afgesloten. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee de zoekslag afdoende zorgvuldig verricht.
Is alle informatie verstrekt?
16. Verweerder heeft zich naar aanleiding van de beroepsgronden van eisers hierover op het standpunt gesteld dat het volledige dossier aan eisers is verstrekt.
17. Verweerder heeft mede ter zitting toegelicht dat de documenten die eisers hebben ontvangen gedigitaliseerd zijn door er een PDF-bestand van te maken. Deze PDF-bestanden zijn door middel van een USB-stick en via Zivver aan eisers verstrekt. Verweerder heeft verder toegelicht dat de documenten die door verweerder zijn opgesteld worden opgemaakt met een tekstverwerker, waarbij de medewerker informatie aanklikt. Daarna wordt er een rapport of brief gegenereerd. Er wordt daarbij geen gebruik gemaakt van algoritmes. Verweerder heeft verder toegelicht dat er tijdens gesprekken wel door een medewerker meegeschreven wordt maar dat dat notities voor eigen gebruik zijn. De inhoud van deze notities worden verwerkt in een rapportage, een plan van aanpak, een brief of een beschikking, waarna de notities worden verwijderd. Het is niet zo dat medewerkers buiten het dossier notities bewaren en een doorlopende regie op een dossier hebben.
18. De rechtbank is van oordeel dat eisers er niet in zijn geslaagd om aannemelijk te maken dat er informatie in het dossier ontbreekt.
18.1
De rechtbank overweegt daartoe allereerst dat – los van de vraag of het verzoek van eisers aldus gelezen moet worden dat ook gevraagd is om inzage in het mogelijke gebruik van algoritmes – verweerder gezien het voorgaande afdoende heeft toegelicht dat geen gebruik wordt gemaakt van algoritmes. De documenten en besluiten worden opgesteld door medewerkers, waarbij gebruik wordt gemaakt van een tekstverwerkingsprogramma die vervolgens een rapport of brief genereert.
18.2.
De rechtbank overweegt verder dat niet duidelijk is naar welke inventarisatielijst én welke documenten, zoals omschreven in rechtsoverweging 13.2., eisers verwijzen. Door verweerder is géén inventarislijst bij de aan eisers verstrekte dossiers overgelegd. Met partijen is daarom op zitting afgesproken dat eisers dit punt concreet nader zouden toelichten aan de hand van de door verweerder aan eisers verstrekte stukken. De rechtbank heeft uitdrukkelijk met eisers afgesproken zich tot deze punten te beperken. [7] Eisers hebben vervolgens daartoe bij brief van 5 oktober 2025 een reactie ingediend. Deze reactie omvat veel meer dan alleen een concrete toelichting op de gevraagde punten. De rechtbank zal alleen de toelichting waarom is gevraagd betrekken en laat al het overige, dus ook de nieuwe stukken die door eisers worden genoemd die verweerder onder zich zou moeten hebben maar niet bij de verstrekte dossiers zitten, buiten beschouwing. Ook de reacties van eisers van 15 december 2025, 4 januari 2026, 20 januari 2026 op de brieven van verweerder van 3 en 11 december 2025 blijven buiten beschouwing. Dit valt namelijk niet binnen het kader van de op zitting gemaakte afspraken zoals is vastgelegd in het verkort proces-verbaal van de zitting van 4 september 2025.
18.3.
De toelichting van eisers op de punten zoals weergegeven 13.2. (c.q. onder 5a tot en met 5e in het verkort proces-verbaal) gaat niet in op de vraag over welke inventarisatielijst dit gaat en geeft voor de rechtbank geen duidelijkheid waarom eisers vinden dat bepaalde documenten in de door verweerder verstrekte dossiers ontbreken en welke documenten dat precies zijn. Daarbij komt dat dit ook voor verweerder gezien de brief van 3 december 2025 niet duidelijk is, en dat verweerder in die brief desalniettemin een deugdelijke toelichting heeft gegeven over de vraag welke documenten het dan mogelijk zou kunnen betreffen en dat die documenten weldegelijk in de aan eisers verstrekte dossiers aanwezig zijn, dan wel deugdelijk is toegelicht waarom informatie niet aanwezig is. Verweerder heeft daartoe het volgende toegelicht.
Punt 2.1. bijlage 1, brief 26 oktober 2021 - alle dossierstukken van zaaknummers Z/21/206729 en Z//21/208191. Ook de brief van 19 oktober 2021. [8]
19. Ten aanzien van de brief van 21 oktober 2021 is voor verweerder onduidelijk welke brief eisers bedoelen. Verweerder heeft na een handmatige screening een brief gevonden in de bijlage bij de mail van eisers van 26 oktober 2021, maar daar zitten geen andere bijlagen bij. Deze informatie zit bij de verstrekte stukken. De rechtbank ziet in de betreffende stukken geen aanknopingspunt dat er meer informatie moet zijn,
19.1.
Ten aanzien van de dossiers Z/21/206729 en Z/21/208191 heeft verweerder toegelicht waar op de USB-stick deze dossiers zijn te vinden. De rechtbank oordeelt dat eisers niet concreet hebben toegelicht welke documenten in deze dossiers volgens hen dan toch ontbreken.
19.2.
Ten aanzien van de brief van 19 oktober 2021 stelt verweerder dat er – ondanks dat daarnaar is gezocht – geen brief van 19 oktober 2021 is aangetroffen. Wel zitten er brieven van rond deze datum in het dossier. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eisers niet duidelijk hebben gemaakt welke brief hier precies wordt bedoeld.
Punt 3 - brief van 2 november 2021 met 11 verzoeken [9]
20. Verweerder heeft na een handmatige screening een brief aangetroffen van 2 november 2021 in de bijlage van een mail van 2 november 2021, maar het is voor verweerder onduidelijk of eisers deze brief bedoelen. De rechtbank leest in dit stuk dat dit een brief van eisers is aan verweerder gedateerd op 2 november 2021, met twee bijlagen, maar zonder de door eisers gestelde 11 verzoeken. Het komt de rechtbank gezien de toelichting van verweerder niet ongeloofwaardig voor dat verweerder niet beschikt over een brief van 2 november 2021 met 11 verzoeken en eisers hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat verweerder over dit document beschikt.
Punt 4.3. bijlage 4, klacht van 12 juli 2015; bijlage 5, informatie verzoek; bijlage 6, informatie aanvraag 20 juli 2015. [10]
21. Ten aanzien van de klacht van 12 juli 2015 heeft verweerder toegelicht dat een brief van 12 juli 2015 buiten de verstrekkingsperiode van het tweede AVG-verzoek valt. Ook is voor verweerder onduidelijk wat eisers bedoelen met punt 4.3. bijlage 4, klacht van 12 juli 2013. Verweerder heeft toegelicht in het cliëntvolgsysteem te hebben gekeken, en daarin staat geen klacht geregistreerd met deze begindatum. Ook staat er geen bezwaarschrift geregistreerd met deze begindatum. Gelet op de toelichting van verweerder komt het de rechtbank niet ongeloofwaardig voor dat verweerder niet beschikt over deze klacht.
21.1.
Ten aanzien van bijlage 5, informatieverzoek, stelt verweerder dat onduidelijk is welk stuk eisers bedoelen. De rechtbank oordeelt dat eisers onvoldoende duidelijk hebben toegelicht welk stuk zij hier bedoelen.
22.2.
Ten aanzien van bijlage 6, informatieaanvraag 20 juli 2015 stelt verweerder dat deze brief ook buiten de verstrekkingsperiode van het tweede AVG-verzoek valt. Ook is voor verweerder onduidelijk wat eisers precies bedoelen. Verweerder heeft in het cliëntvolgsysteem gekeken of er een informatieverzoek staat geregistreerd, maar dat is niet het geval. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet duidelijk hebben gemaakt welk informatieverzoek precies wordt bedoeld. Ook komt het de rechtbank gelet op de toelichting van verweerder niet ongeloofwaardig voor dat deze informatievraag niet onder hem berust.
Punt 4.4. Bijlage 1, verzoek 12 mei 2021; Bijlage 2, position paper. [11]
23. Ten aanzien van het verzoek van 12 mei 2021 stelt verweerder dat deze brief buiten de verstrekkingsperiode valt. Ook is het voor verweerder onduidelijk wat eisers bedoelen met punt 4.4., bijlage 1, verzoek van 12 mei 2021. Verweerder heeft een screening gedaan van de bestanden in het dossier en geen brief met deze datum aangetroffen, en ook staat er geen zaak met deze begindatum geregistreerd in het cliëntvolgsysteem. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder. Eisers hebben niet concreet gemaakt om wat voor verzoek het precies gaat en niet aannemelijk gemaakt dat dit stuk onder verweerder berust. Het komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor dat dit stuk onder verweerder berust.
23.1.
Ten aanzien van bijlage 2, position papier stelt verweerder eveneens dat het onduidelijk is welk stuk eisers bedoelen. In het verleden heeft verweerder kennis genomen van een stuk van het College voor de Rechten van de Mens. Verweerder kan niet reproduceren of aangeven of en zo ja in welke zaak of context eisers dit stuk in de verstrekkingsperiode hebben ingediend. Verweerder heeft wel een mail aangetroffen van 24 juni 2021 met in de bijlage vermoedelijk een position paper, maar onduidelijk is of eisers deze bedoelen. De rechtbank is van oordeel dat eisers ook hier niet concreet hebben gemaakt welk stuk zij precies bedoelen.
Alle stukken waarin verweerder aan eisers de gehuwdennorm toekent. Inclusief de verzoeken van eisers om herzieningen en de procedures bij de rechtbank en de CRvB. [12]
24. Verweerder stelt dat de stukken met betrekking tot de toekenning van de gehuwdennorm buiten de verstrekkingsperiode van het tweede AVG-verzoek vallen. Ook is voor verweerder onduidelijk welke stukken eisers precies bedoelen. Verweerder licht toe dat eisers over de periode van 15 december 2019 tot en met 11 juli 2021 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet ontvingen. De uitkering is bij besluit van 20 maart 2009 met werkprocesnummer 63363 toegekend naar de gehuwdennorm. Verweerder stelt dat dit volledige aanvraagdossier aan eisers is verstrekt. De rechtbank heeft deze stukken bekeken en de stukken waar verweerder op wijst zijn in het dossier te vinden. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet concreet en onderbouwd hebben toegelicht welke stukken in dit kader ontbreken.
24.1.
Ten aanzien van de verzoeken om herziening en de procedures bij de rechtbank en de CRvB stelt verweerder dat eisers in de verstrekkingsperiode een herzieningsverzoek hebben ingediend met betrekking tot de vaststelling van de gehuwdennorm. Dit dossier is bij verweerder bekend onder zaaknummer Z/21/203936. De rechtbank stelt vast dat dit dossier op de USB-stick aanwezig is. Verder stelt verweerder dat eisers in diezelfde periode bezwaar hebben ingediend tegen het besluit op het herzieningsverzoek, dit dossier is bekend onder zaaknummer Z/21/206729. De rechtbank stelt vast dat dit dossier ook aan eisers is verstrekt. Verweerder stelt daarnaast dat eisers buiten de verstrekkingsperiode beroep hebben ingesteld tegen het besluit op bezwaar, dit dossier is bekend onder zaaknummer Z/21/206729. De rechtbank stelt dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat het dossier op de USB-stick aanwezig is. Verweerder merkt nog op dat eisers vaker kenbaar hebben gemaakt dat zij het oneens zijn met de vaststelling van de gehuwdennorm. Ook stelt verweerder dat een gerichte zoekactie naar procedures buiten de verstrekkingsperiode en in alle dossiers uit het verleden buiten de omvang van het geschil valt en een onevenredige zware belasting oplevert voor verweerder. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat, gezien de omstandigheden van de zaak, eisers ten aanzien van de herzieningsverzoeken en procedures onvoldoende duidelijk hebben gemaakt welke stukken ontbreken.
Verweerder verklaart tegenstrijdig over de volledigheid van het dossier
25. In de gronden van beroep stellen eiser dat sprake is van tegenstrijdige verklaringen. Er zijn twee schriftelijke verklaringen overgelegd over de volledigheid van het dossier. Eisers verwijzen naar de verklaring van mevrouw [B] punt 2.1. bijlage 1 dossierstukken van 26 oktober 2021 en van de heer [A] bijlage 1 van 2 augustus 2023. Ter zitting is besproken dat deze verklaringen niet tegenstrijdig zijn, maar voor eisers niet te controleren zijn. Eisers vragen de rechtbank de feiten te controleren en te objectiveren. Op de zitting is nog gesteld dat de ontvangen dossiers niet volledig zijn, omdat de twee gesprekken met de heer [A] die door hem zijn opgenomen niet bij de stukken zitten.
26. Verweerder heeft toegelicht dat er geen digitale transcripties van de gesprekken zijn, omdat deze gesprekken niet worden opgenomen. Deze toelichting komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. Eisers hebben verder met deze stellingen niet aannemelijk gemaakt dat de verklaringen dat de dossiers volledig zijn verstrekt niet juist zijn,
Vernietiging schuldhulpdossier
27. Eisers voeren aan dat het niet zo kan zijn dat verweerder bewijsmateriaal, namelijk het dossier schuldhulpverlening, vernietigt voordat verweerder de gevraagde informatie aan eisers hebben overgelegd en de procedures bij de rechtbank zijn afgelopen.
28. Verweerder heeft toegelicht dat het dossier schuldhulpverlening conform de Archiefwet op 30 september 2018 is vernietigd omdat gegevens niet langer dan vijf jaar nadat het dossier is gesloten mogen worden bewaard. Deze toelichting komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. Dit betekent dat niet meer kan worden nagegaan of het schuldhulpdossier informatie bevat die onder het AVG-verzoek vallen.
Conclusie
29. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat eisers niet hebben voldaan aan het verzoek van de rechtbank om concreet en gemotiveerd duidelijk te maken naar welke inventarisatielijst zij verwijzen en waarom er gezien die inventarisatielijst stukken ontbreken, en om welke stukken het gaat. Verweerder heeft desalniettemin voor zover mogelijk alle genoemde stukken in de per USB-stick verstrekte informatie gelokaliseerd. De rechtbank is van oordeel dat dit maakt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat informatie in het dossier ontbreekt.

Conclusie en gevolgen

30. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
de griffier
de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De rechtbank heeft in het verkort proces-verbaal uiteengezet wat eisers nader dienen toe te lichten.
2.Artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb.
3.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 december 2022, ECLI:EU:C:2022:1001.
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:452, r.o. 6.2.
5.Uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1319, r.o. 7.1.
6.Uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4279, r.o. 6.1.
7.Zoals ook volgt uit het verkort proces-verbaal van de zitting van 4 september 2025, onder punt 5a tot en met 5e.
8.Punt 5a van het verkort proces-verbaal, zie ook r.o. 11.2. onder a.
9.Punt 5b van het verkort proces-verbaal, zie ook r.o. 11.2. onder b.
10.Punt 5c van het verkort proces-verbaal, zie ook r.o. 11.2. onder c.
11.Punt 5d van het verkort proces-verbaal, zie ook r.o. 11.2. onder d.
12.Punt 5e van het verkort proces-verbaal, zie ook r.o. 11.2 onder c.