Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1611

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
16-054935-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid bij poging tot moord

Op 20 februari 2025 heeft de verdachte in Amersfoort geprobeerd een vrouw met een mes te doden. De verdachte bekende het feit en verklaarde dat hij handelde vanuit een waan dat hij energie zou verkrijgen door iemand te doden. De rechtbank stelde vast dat de verdachte leed aan meerdere ernstige psychische stoornissen, waaronder schizofreniespectrumstoornis, bipolaire-I-stoornis en autismespectrumstoornis.

Deskundigen adviseerden volledige ontoerekeningsvatbaarheid vanwege de drangmatige waan die het handelen van de verdachte volledig bepaalde, waardoor hij geen wilsvrijheid had. De rechtbank volgde dit advies en ontsloeg de verdachte van alle rechtsvervolging. Wel werd een ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging opgelegd vanwege het ernstige geweldsdelict en het hoge recidiverisico bij stoppen van medicatie.

De benadeelde partij vorderde shockschade van €35.000, waarvan de rechtbank €15.000 toekende op basis van de Rotterdamse schaal en vergelijkbare uitspraken. De verdachte is verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, met een gijzeling van 100 dagen bij niet-betaling. Het in beslag genomen mes is verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid en krijgt een ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaat Utrecht
Parketnummer: 16/054935-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 15 april 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ,
verblijvende in [verblijfplaats] ,
op het adres [adres] , [postcode] [plaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 25 maart 2026. Het onderzoek is gesloten op 15 april 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. F.B. Koolhof;
  • de advocaat van de verdachte: mr. L. Cox (hierna: de advocaat);
  • de advocaat van de benadeelde partij: mr. C.H. Dijkstra;
  • een vriendin van het slachtoffer: [A] ;
  • een deskundige (psycholoog): R. Bout;
  • een deskundige (psychiater): H.A. Gerritsen (telefonisch aanwezig).

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 20 februari 2025 heeft geprobeerd om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven door haar meermaals met een mes te steken.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Inleiding

Op 20 februari 2025 ging de politie in Amersfoort op een melding af dat er in een boetiek in het centrum een vrouw was neergestoken. De politie trof de vrouw bloedend aan. Ze had meerdere steekwonden. Naast haar lag een mes. Dankzij medisch ingrijpen heeft ze het overleefd. Op basis van camerabeelden is de verdachte aangehouden in de nabije omgeving van het incident. Hij bekende dat hij op pad was gegaan om iemand dood te steken. Hij dacht dat dan de levensenergie van die persoon op hem zou overgaan. Hij had eerst maanden met dit plan rondgelopen. Het gaat in deze zaak vooral over de vraag of de verdachte (on)toerekeningsvatbaar is.

4.Bewijs en kwalificatie

De officier van justitie en de advocaat stellen zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd. De verdachte bekent ook dat hij het feit heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
  • de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 25 maart 2026;
  • een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een aanvullende verklaring van de aangeefster, [slachtoffer] .
4.1.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 20 februari 2025 te Amersfoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermaals met een mes in haar borst, rug en romp heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4.2.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
poging tot moord.

5.Strafbaarheid

5.1.
Strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
5.2.
Strafbaarheid van de verdachte
5.2.1.
Beroep op ontoerekeningsvatbaarheid en standpunt officier van justitie
De advocaat doet een beroep op ontoerekeningsvatbaarheid en verzoekt de rechtbank om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar is, maar zeer sterk verminderd toerekeningsvatbaar. De standpunten van de advocaat en de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in het oordeel van de rechtbank.
5.2.2.
Oordeel van de rechtbank
In artikel 39 van Pro het Wetboek van Strafrecht staat dat degene die een feit begaat dat hem vanwege een psychische stoornis niet kan worden toegerekend, niet strafbaar is. Van ontoerekeningsvatbaarheid is alleen sprake als is voldaan aan drie vereisten:
de verdachte had tijdens het plegen van het feit een psychische stoornis,
er bestaat een causaal verband bestaat tussen het feit en de stoornis en
de stoornis was zodanig dat deze in de weg staat aan toerekening van het feit aan de verdachte.
Er is over de verdachte op 1 oktober 2025 een Pro Justitia triple-onderzoeksrapport uitgebracht door de deskundigen H.A. Gerritsen (psychiater), R. Bout (psycholoog) en L. van Nieuwburg (forensisch milieuonderzoeker). Zij adviseren om de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. Op de zitting is uitgebreid stil gestaan bij dit advies. De psychiater en de psycholoog hebben de vragen van de rechtbank, de officier van justitie en de verdediging hierover beantwoord. Zij zagen in hetgeen op zitting is besproken en door verdachte is verklaard geen aanleiding om hun advies aan te passen.
Vereisten 1 en 2: was er een psychische stoornis ten tijde van het feit en is er een causaal verband.
De deskundigen hebben vastgesteld dat de verdachte tijdens het bewezenverklaarde feit leed aan een andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, een bipolaire-I-stoornis, en een autismespectrumstoornis. Volgens de deskundigen werd de verdachte vanaf het najaar van 2024 in toenemende mate psychotisch. De verdachte ontwikkelde namelijk een bizarre en moeilijk invoelbare waan met de overtuiging dat er met het vermoorden van een willekeurig persoon energie zou overgaan van de overledene naar hem, waardoor hij zich beter zou gaan voelen. Dit waandenken hing samen met de sombere en lusteloze stemming die de verdachte eind 2024 had als gevolg van zijn bipolaire stoornis. Daarnaast heeft volgens de deskundigen de autismespectrumstoornis een rol gespeeld omdat mensen bij de verdachte vooral een functioneel belang lijken te hebben en geen of een beperkte emotionele betekenis.
Met het advies van de deskundigen is duidelijk geworden dat de verdachte tijdens het bewezenverklaarde feit leed aan meerdere psychische stoornissen en dat er een causaal verband bestaat tussen deze stoornissen en het feit. De verdediging heeft hier ook geen verweer op gevoerd.
Vereiste 3: staat de stoornis aan toerekening in de weg?
De rechtbank kan beslissen dat het feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend als de verdachte door zijn stoornissen niet kon begrijpen dat het feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit. [3] Ongeacht of de verdachte wel of niet begreep dat zijn handelen wederrechtelijk was, stellen de deskundigen dat zijn handelen zodanig door zijn stoornissen werd gedreven dat hij in elk geval geen wilsvrijheid meer had en dus hoe dan ook niet in overeenstemming met dat begrip kon handelen. In het rapport hebben de deskundigen over de wilsvrijheid het volgende overwogen:
“Betrokkene raakte toenemend gepreoccupeerd met het uitvoeren van zijn gedachten om iemand te moeten vermoorden. Hoewel de uitvoering van de gedachte wisselde, kon betrokkene geen afstand nemen van de gedachte energie op te doen door iemand te vermoorden. Deze gedachte had een drangmatig karakter, hij moest het doen. Er waren bij betrokkene gedachtes van uitstel, maar nimmer van afstel. Ook na het ten laste gelegde bleef betrokkene ervan overtuigd dat hij iemand moest doden om energie op te doen, omdat hij bij het ten laste gelegde niet was geslaagd. Vanuit deze gedachte ging betrokkene op 20 februari 2025 naar Amersfoort en stak hij aangeefster meerdere keren. Het was voor betrokkene niet van belang wie het slachtoffer was, maar wel de omstandigheden waaronder, namelijk op een rustige plaats. Betrokkene zag daarvoor af van een vergelijkbaar delict plegen op drukke plaatsen. Betrokkene zijn gedachtegang lijkt op het eerste gezicht rationeel, maar zijn gedragskeuzes zijn irrationeel. Zo wil hij met de trein naar Maastricht (…), steekt hij aangeefster neer in een winkel waarvan betrokkene kon weten dat er een camera was en gaat hij na het ten laste gelegde een kop koffie drinken dicht bij het plaats delict.”
Ook op de zitting hebben de deskundigen nogmaals onderstreept dat zij ervan overtuigd zijn dat de verdachte geen keus had en op een zeker moment over moest gaan tot het doden van iemand. Verder hebben ze toegelicht dat de keuzes die de verdachte maakte volledig werden gestuurd door de waan waarin hij verkeerde en daarmee irrationeel zijn. Al zijn keuzes stonden in het teken van het doden van een willekeurig persoon op een rustige plek zodat de energie-overdacht goed zou gaan. De verdachte heeft hierbij geen oog gehad voor de kans dat hij gepakt zou worden. De psycholoog benoemt dat de verdachte in het eerste gesprek met de psycholoog (vier maanden na het feit) nog steeds vasthield aan het idee dat hij iemand moest doden voor energie en dat hieruit ook blijkt dat de waan zo sterk was dat zijn handelen volledig hierdoor werd gedreven.
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de verdachte enige mate van keuzeruimte had of voelde, zij het uiterst beperkt. Zij heeft daarbij echter ook gezegd dat zij het een twijfelgeval vindt en dat ze het begrijpt als de rechtbank tot een andere conclusie komt. Wanneer de officier van justitie het heeft over enige mate van keuzeruimte dan onderbouwt zij dat met de keuzes van de verdachte over wie, waar en wanneer hij iemand zou ombrengen. Zo heeft de verdachte er naar eigen zeggen eerder vanaf gezien om zijn eigen zoon om te brengen (omdat ‘de energie dan niet goed zou zijn’) en besloot hij op het laatste moment niet naar Maastricht maar naar Amersfoort te gaan. Dat de verdachte zijn plan voor en tijdens de uitvoering nog kon aanpassen maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat hij er voor kon kiezen dat plan in het geheel niet uit te voeren. De rechtbank begrijpt uit het hierboven weergegeven advies van de deskundigen dat de verdachte zo bevangen was door zijn waandenken en de drang om iemand te doden dat ervan afzien voor hem geen optie meer was. De rechtbank deelt de twijfel van de officier van justitie dan ook niet.
Het rapport van de deskundigen en hun toelichting op zitting daarop zijn duidelijk en goed te volgen. Hun conclusie wordt gedragen door hun bevindingen, de rechtbank neemt die conclusie over. De verdachte wordt ontoerekeningsvatbaar geacht, wat betekent dat de verdachte niet strafbaar is en ontslagen zal worden van alle rechtsvervolging.

6.Maatregel

De officier van justitie eist een gevangenisstraf van twee jaar en oplegging van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (hierna: tbs). De advocaat stelt zich op het standpunt dat aan de verdachte een tbs-maatregel moet worden opgelegd. De verdachte kan zich hier ook in vinden.
De rechtbank begrijpt dat er een behoefte bestaat aan vergelding in de vorm van een gevangenisstraf, maar nu de rechtbank van oordeel is dat het feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend, kan de rechtbank geen straf aan de verdachte opleggen. Dit betekent niet dat er geen gevolgen voor de verdachte zijn. Het opleggen van een maatregel ter bescherming van de samenleving behoort wel tot de mogelijkheden. De rechtbank is het met de officier van justitie en de advocaat eens dat aan de verdachte een tbs-maatregel moet worden opgelegd. Bij het bepalen van deze maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd en met de verdachte zijn persoonlijke omstandigheden.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft op 20 februari 2025 in psychotische toestand een poging tot moord gepleegd. Dat is een zeer ernstig geweldsdelict. Het slachtoffer heeft op geen enkele manier aanleiding gegeven voor wat hij haar heeft aangedaan. De verdachte is bij het slachtoffer de winkel binnengestapt en heeft haar uit het niets meerdere keren gestoken in haar bovenlichaam. Nadat het slachtoffer begon te gillen, heeft de verdachte het mes aan de kant gegooid en is hij weggelopen, terwijl het slachtoffer hevig bloedend achterbleef.
Door deze poging tot moord is de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden en heeft ze flink letsel opgelopen waar de littekens nog altijd van zijn te zien. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer in doodsangst verkeerde en moest vechten voor haar leven. Fysiek gaat het weer beter maar ze wordt nog elke dag geconfronteerd met wat haar is aangedaan. Haar littekens zorgen voor flashbacks en haar veiligheidsgevoel is ernstig aangetast. Dit heeft ook erg negatieve gevolgen voor haar gezinsleven en haar dierbaren. Haar partner heeft ook zelf psychische klachten door wat er is gebeurd.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het eerder genoemde Pro Justitia rapport volgt dat het recidiverisico sterk gerelateerd is aan de (ernst van de) psychotische stoornis. Inmiddels zijn de waangedachtes naar de achtergrond verdreven als gevolg van een medicamenteuze behandeling. De kans op recidive wordt in de die omstandigheden door de deskundigen als laag-matig ingeschat, maar dit loopt snel op als de verdachte geen medicatie meer zal nemen. Uit het verleden blijkt dat de verdachte sterk wisselend zijn medicatie innam als er onvoldoende toezicht en begeleiding was. Zelf heeft de verdachte ook verklaard dat hij op een gegeven moment met medicatie wil stoppen.
De deskundigen schrijven verder dat de beperkingen voortkomend uit de autismespectrum- en bipolaire-I stoornis ook de kans op recidive verhogen. De verdachte kan zich, vanwege de autismespectrumstoornis, onvoldoende verplaatsen in anderen waardoor er een zeer beperkt moreel filter is tussen zijn gedachtes en gedrag. Hij is onvoldoende in staat om eventuele negatieve consequenties voor anderen (en zichzelf) van zijn gedrag mee te nemen in zijn overwegingen. Zijn rigide denken speelt daarbij een negatief faciliterende rol. Door zijn bipolaire-I stoornis heeft de verdachte last van wisselende stemmingen waardoor hij bij manische episodes ontremd en impulsief gedrag vertoont en bij depressieve episodes zijn gedachtewereld somber kleurt.
De deskundigen schatten op basis van bovenstaande de kans op gewelddadig gedrag op de korte termijn in als laag/matig zo lang de verdachte zijn medicatie neemt en verblijft in een sterk gestructureerde omgeving. Het is de verwachting dat de verdachte opnieuw last krijgt van een waanstoornis als hij de medicamenteuze behandeling staakt. Dit verhoogt de kans op een verstoorde realiteitstoetsing waardoor de kans op impulsief-agressief gedrag toeneemt. Het risico op gewelddadige gedrag neemt dan toe tot hoog. Ter vermindering van het recidiverisico is het noodzakelijk dat de verdachte gedurende langere tijd, vele jaren en vermoedelijk levenslang, psychiatrisch behandeld en begeleid wordt. Gezien de ernstige, meervoudige en complexe psychiatrische problematiek, de evidente relatie tussen de stoornis en het feit, het hoge recidiverisico zonder interventies, de onvoorspelbaarheid, on-invoelbaarheid en onbetrouwbaarheid (zeker voor wat betreft medicatie-inname) van betrokkene, zijn sterk beperkte ziektebesef en -inzicht en zijn sterke neiging om zijn eigen gang te gaan adviseren de deskundigen de verdachte de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.
Oplegging tbs-maatregel met dwangverpleging
De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de gedragsdeskundigen en zal aan de verdachte de tbs-maatregel met dwangverpleging opleggen. Er wordt voldaan aan de eisen die de wet stelt. Bij de verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, zoals blijkt uit het rapport van de deskundigen. De bewezen verklaarde poging tot moord is een misdrijf waarop een gevangenisstraf van meer dan vier jaar staat gesteld. Daarnaast eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging, omdat sprake is van een hoog recidiverisico wanneer de verdachte opnieuw last krijgt van een waanstoornis als hij de medicamenteuze behandeling staakt. Gelet op de bevindingen van de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat de tbs noodzakelijk is. Alleen dan is er een stevig kader waarin langdurige behandeling van de verdachte kan plaatsvinden.
Ongemaximeerd
De maatregel zal worden opgelegd wegens poging tot moord. Dit is een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer anderen, zodat de maatregel niet gemaximeerd is en dus niet beperkt is tot de duur van vier jaar.
De rechtbank legt hiermee de zwaarste maatregel op die het strafrecht kent. Hoewel deze maatregel, net als een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ook vrijheidsbeneming inhoudt en deze, als aan de voorwaarden is voldaan, onbeperkt kan worden verlengd, realiseert de rechtbank zich dat deze uitkomst mogelijk als onrechtvaardig zal worden ervaren. In deze zaak botst de ernst van het feit en het daardoor aangerichte leed met de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Het is daardoor ingewikkeld, zo niet onmogelijk om tot een oordeel te komen dat voor iedereen als rechtvaardig wordt gevoeld.
De voorlopige hechtenis
Omdat de rechtbank een maatregel oplegt die vrijheidsbeneming met zich meebrengt, zal zij het bevel voorlopige hechtenis niet opheffen.

7.In beslag genomen voorwerpen

De rechtbank is het met de officier van justitie en de advocaat eens dat het in beslag genomen mes verbeurd moet worden verklaard, nu het bewezen verklaarde feit met behulp van dit voorwerp is begaan.

8.Vordering benadeelde partij

8.1.
Vordering van de benadeelde partij
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 35.000,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (shockschade), ten gevolge van de beschuldiging. De advocaat van de benadeelde partij wijst ter onderbouwing naar de bandbreedte van de Rotterdamse Schaal, categorie PTSS – ernstig letsel, en haalt een uitspraak aan van Hof Arnhem-Leeuwarden. [4] De benadeelde partij vordert ook wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatrel.
8.2.
Standpunten
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering volledig kan worden toegewezen, met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De advocaat verzoekt om het toe te wijzen bedrag te matigen. Ter onderbouwing haalt ze meerdere uitspraken aan waarbij een lager bedrag aan shockschade is toegekend dan het gevorderde bedrag in deze zaak. [5] Daarnaast benoemt ze dat de Rotterdamse schaal een niet bindende leidraad is.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
Shockschade
Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan aan een benadeelde partij een immateriële schadevergoeding worden toegekend indien deze op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Een dergelijke aantasting kan onder meer bestaan uit zogeheten shockschade. Er is sprake van shockschade indien schade is ontstaan door een hevige emotionele schok door het direct waarnemen van een gebeurtenis of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan door een naaste, waaruit geestelijk letsel voortvloeit.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van shockschade, dit is door de verdediging ook niet betwist. De benadeelde partij is de partner van het slachtoffer en was snel aanwezig in de winkel waar de steekpartij had plaatsgevonden. Hij heeft haar op de grond zien liggen terwijl ze aan het vechten was voor haar leven en hij heeft de camerabeelden van de steekpartij gezien. Vervolgens is hij met verbalisanten meegereden naar het ziekenhuis, achter de ambulance aan. De benadeelde partij heeft hier geestelijk letsel aan overgehouden, zoals blijkt uit het verslag van een traumatherapeut dat is overgelegd bij de vordering.
Voor de vaststelling van de hoogte van de shockschade kijkt de rechtbank onder andere naar de Rotterdamse schaal. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. Deze indicaties betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. De rechtbank kijkt in deze zaak naar de bandbreedte van de categorie 14.1 ‘geestelijk letsel algemeen’ onder ‘(b) Ernstig’ en niet naar de categorie 14.2 ‘posttraumatische stresstoornis (PTSS)’, zoals door de benadeelde partij is betoogd. Hoewel uit de onderbouwende stukken van de vordering voldoende blijkt dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen met trauma gerelateerde klachten, staat niet vast dat hier PTSS aan ten grondslag ligt.
Verder kijkt de rechtbank voor de vaststelling van de hoogte van het toe te wijzen bedrag naar soortgelijke uitspraken. Hierbij zoekt de rechtbank aansluiting bij de aangehaalde uitspraken van de verdediging. Reden hiervoor is dat, anders dan in de aangehaalde uitspraak van de advocaat van de benadeelde partij, de benadeelde partij niet mee is gegaan in de ambulance, geen reanimaties heeft moeten bijwonen en niet geconfronteerd is met een levenloos en gehavend lichaam.
Gelet op voorgaande overwegingen matigt de rechtbank het toe te wijzen bedrag naar billijkheid tot een bedrag van € 15.000,-. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 20 februari 2025 tot de dag van volledige betaling. De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Proceskostenveroordeling
De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 15.000,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 100 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

9.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde maatregel en de beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 45, 289 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4.1 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.2 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en
ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;
maatregel
- gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;
beslag
- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:
o mes (G3485725);
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde]
  • wijst de vordering van [benadeelde] toe tot een bedrag van € 15.000,-, aan immateriële schade;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 15.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 100 dagen gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Böhmer, voorzitter, mr. A.M.M. Lemmen en mr. S.E. Garvelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kiestra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 februari 2025 te Amersfoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermaals met een mes, althans een puntig voorwerp, in haar borst en/of rug en/of romp, dan wel haar lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025055065, doorgenummerd pagina 1 tot en met 374. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.Pagina 76 e.v.
3.Hoge Raad 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295, rechtsoverweging 5.5.
4.Hof Arnhem-Leeuwarden 16 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:186.
5.Rechtbank Midden-Nederland 6 maart 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:1283; Hof Arnhem-Leeuwarden 20 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6450; Rechtbank Rotterdam 11 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:3759.