ECLI:NL:RBMNE:2026:2170

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/5668
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 9 lid 1 en lid 5 ParticipatiewetArt. 8:42 lid 1 Algemene wet bestuursrechtArt. 1a:1 lid 4 WajongArt. 1a lid 1 Schattingsbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College moet nieuw besluit nemen over vrijstelling re-integratieverplichtingen wegens onvoldoende onderzoek arbeidsongeschiktheid

Eiseres, die bijstand ontvangt, verzocht het college om vrijstelling van haar re-integratieverplichtingen wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Het college wees dit af, stellende dat eiseres niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, onder meer gebaseerd op de afwijzing van haar Wajong-aanvraag en een sociaal-medische beoordeling van het UWV.

De rechtbank oordeelt dat het college zijn besluit niet mocht baseren op de afwijzing van de Wajong-aanvraag, omdat deze een ander beoordelingskader kent en het besluit nog niet onherroepelijk is. Ook mocht het college zich niet baseren op de UWV-rapportages, die onvoldoende inzicht geven in de duurzaamheid van de beperkingen. Bovendien heeft het college nagelaten deze rapporten in het dossier te voegen, waardoor de rechtbank de juistheid van de conclusies niet kan toetsen.

De rechtbank stelt dat het college een eigen, onafhankelijk medisch- en arbeidsdeskundig onderzoek moet laten verrichten om te beoordelen of eiseres volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4 van Pro de Wet WIA. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college moet een nieuw besluit nemen na eigen onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid van eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5668

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: E. Kuipers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing van het college om eiseres niet vrij stellen van de re-integratieverplichtingen omdat zij volgens het college niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zijn besluitvorming niet mocht baseren op de afwijzing van de Wajong-aanvraag en ook niet op de sociaal- medische beoordeling die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in het kader van de aanvraag indicatie banenafspraak heeft gedaan. De besluitvorming van het college is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
1.2.
Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Het college moet een nieuw besluit nemen en een eigen medisch- en arbeidsdeskundigonderzoek laten verrichten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres ontvangt vanaf 17 juli 2023 bijstand. In maart 2025 heeft eiseres gevraagd om ontheffing van de sollicitatieplicht.
2.1.
Eiseres is met het besluit van 19 mei 2025 vrijgesteld van de verplichting om werk te vinden. Wel geldt de verplichting om mee te werken aan afspraken en onderzoeken en gebruik te maken van voorzieningen die de gemeente eiseres aanbiedt. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 8 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt vast dat eiseres is vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen [1] en van het verrichten van een tegenprestatie. [2] Eiseres moet wel voldoen aan de
re-integratieverplichting. [3] Concreet houdt die verplichting voor eiseres op dit moment in dat zij contact onderhoudt met haar contactpersoon en haar contactpersoon op de hoogte houdt van de voortgang van de Wajong-procedure.
4. Eiseres vindt dat zij ook van de re-integratieverplichtingen moet worden vrijgesteld, omdat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Uitgangspunten
5. Het college kan eiseres alleen vrij stellen van de re-integratieverplichtingen als komt vast te staan dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (de Wet WIA). Dit volgt uit artikel 9, vijfde lid, van de Pw. Als dat het geval is wordt gesproken van een ‘permanente ontheffing’ van die verplichtingen. Bij de toepassing van artikel 9, vijfde lid, van de Pw moet zoveel als mogelijk worden aangesloten bij (de systematiek van) de Wet WIA. Volgens de Wet WIA is iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt als hij duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur en dit een direct en objectief medisch vast te stellen gevolg is van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling. Onder duurzaam arbeidsongeschikt wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie of een medische situatie waarbij op lange termijn een kleine kans op herstel bestaat. De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. [4]
Het bestreden besluit
6. Het college stelt zich in het bestreden besluit – samengevat – op het standpunt dat vooralsnog niet is komen vast te staan dat de arbeidsbeperkingen van eiseres duurzaam zijn.
Het college heeft zijn besluitvorming gebaseerd op de onderzoeken van het Uwv en de besluitvorming over de indicatie banenafspraak en op de afwijzing van de aanvraag om een Wajong-uitkering. Na een sociaal medisch- en arbeidsdeskundige beoordeling van het Uwv heeft eiseres een indicatie banenafspraak gekregen. Dit betekent dat zij is opgenomen in het zogenaamde doelgroepenregister en hierdoor meer kans op werk heeft. Het college gaat er vanuit dat eiseres met ondersteuning van een jobcoach (in de toekomst) kan werken en dat zij (bijvoorbeeld) via de gemeente kan worden begeleid bij het vinden van werk. Daarbij is de Wajong-aanvraag van eiseres afgewezen waarbij is overwogen dat eiseres volgens de arts en arbeidsdeskundige van het Uwv in de toekomst wel arbeidsvermogen heeft. Eiseres is dus niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de Pw. Het besluit is volgens het college niet onevenredig in verhouding tot het met het besluit te dienen doelen. Door de werkcoach wordt rekening gehouden met de kwetsbaarheid en problematiek van eiseres en van haar wordt momenteel zeer weinig verwacht.
Mocht het college zijn besluitvorming baseren op de afwijzing van de Wajong-uitkering?
7. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte verwijst naar de besluitvorming van het Uwv over de Wajong-uitkering. De beoordeling door het Uwv van deze aanvraag ziet op een andere wettelijke context en bovendien is het Wajong-besluit nog niet onherroepelijk. De Pw verplicht tot maatwerk en het college heeft dit nagelaten.
8. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank legt hieronder uit waarom.
9. Eiseres heeft op 6 april 2024 een Wajong-uitkering aangevraagd. Met het besluit van 8 oktober 2024 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Hoewel de besluitvorming zelf niet in het dossier zit, volgt uit het dossier dat het Uwv aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd dat eiseres volgens de arts en arbeidsdeskundige nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat zij dat in de toekomst misschien wel kan ontwikkelen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Nadat het college een besluit heeft genomen op dit bezwaar heeft eiseres op 30 december 2025 beroep ingesteld (zaaknummer 25/7816). Dit beroep loopt nog.
10. De rechtbank stelt allereerst vast dat het college bij zijn besluitvorming en in beroep verwijst naar de rapporten van de arts en de arbeidsdeskundige van het Uwv, maar dat deze rapporten niet in het dossier zitten. Omdat deze rapporten aan de besluitvorming ten grondslag liggen had het college deze rapporten bij het bestreden besluit moeten voegen. Ook hadden deze rapporten in deze beroepsprocedure overgelegd moeten worden, omdat het op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. [5] Dit heeft het college niet gedaan. De rechtbank kan dus niet beoordelen of het klopt wat het college zegt over de conclusies van het Uwv. Alleen al daarom kan de afwijzing van de Wajong-uitkering geen rol spelen in deze procedure.
11. Nog los van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zijn standpunt dat eiseres niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is niet mag baseren op de afwijzing van de Wajong-aanvraag. De Wajong kent immers een heel ander beoordelingskader dan de Wet WIA. De beoordeling of iemand duurzaam geen arbeidsvermogen heeft in het kader van de Wajong is een andere en striktere beoordeling dan de vraag of iemand volgens de Wet WIA duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin iemand geen arbeidsvermogen heeft en dit ook niet meer kan ontwikkelen. [6] Hiervan is kort gezegd sprake als iemand geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of niet ten minste vier uur per dag belastbaar is [7] , en er geen enkel perspectief meer is op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. [8] Terwijl bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van artikel 4 van Pro de Wet WIA onder volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid wordt verstaan: iemand die door (kort gezegd) ziekte duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, waarbij met duurzaamheid wordt bedoeld een medisch stabiele of verslechterende situatie of een medische situatie waarbij op lange termijn een kleine kans op herstel bestaat. De conclusie dat eiseres in het kader van de Wajong in de toekomst mogelijk wel arbeidsvermogen heeft betekent dus niet zonder meer dat eiseres niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet WIA. De beroepsgrond van eiseres slaagt.
Had het college een eigen onderzoek moeten doen?
12. Eiseres voert verder aan dat het college een eigen, onafhankelijk onderzoek had moeten doen en zich niet mocht baseren op het onderzoek van het Uwv. Deze beoordeling had immers uitsluitend betrekking op de vraag of eiseres op langere termijn over enig arbeidsvermogen beschikt en niet op de vraag of zij thans in staat is tot naleving van de participatieverplichtingen.
13. Het college heeft aan de besluitvorming, behalve de afwijzing van de aanvraag voor de Wajong-uitkering, de sociaal- medische beoordeling ten grondslag gelegd die het Uwv in het kader van de aanvraag indicatie banenafspraak heeft gedaan. In dat kader is een verzekeringsgeneeskundige rapportage opgesteld op 27 februari 2024 en een arbeidsdeskundig rapport op 1 maart 2024. Op basis hiervan heeft het Uwv aan eiseres met het besluit van 1 maart 2024 een indicatie banenafspraak toegekend. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college de besluitvorming hierop mocht baseren, want als dat niet zo is had het college een eigen onderzoek moeten doen.
14. De rechtbank volgt het college niet in zijn standpunt dat hij de besluitvorming mocht baseren op het onderzoek en de besluitvorming van het Uwv in het kader van de aanvraag indicatie banenafspraak. Hierna legt de rechtbank dit uit.
15. Het Uwv heeft in het kader van de aanvraag indicatie banenafspraak het arbeidsvermogen van eiseres beoordeeld. In het arbeidsdeskundig rapport staat onder het kopje ‘beschouwing’ het volgende:

‘Om te beoordelen of iemand door beperkingen niet in staat is het wettelijk minimumloon per maand te verdienen maken we gebruik van een beperkte set van functies. We noemen deze functies ‘drempelfuncties’. Het zijn functies op de Nederlandse arbeidsmarkt met een minimale belasting.

Mevrouw [eiseres] kan niet het wettelijk minimumloon per maand verdienen want zij kan geen van de drempelfuncties uitvoeren. Mijn overwegingen hierbij zijn: de cliënt heeft intensieve functionele begeleiding nodig bij het aanleren van een taak en persoonlijke begeleiding door iemand die kennis en ervaring heeft met haar problematiek. Deze begeleider is in haar nabijheid aanwezig. Ze heeft meer begeleiding nodig dan in de drempelfunctie wordt geboden.’
16. Het gegeven dat eiseres volgens de arbeidsdeskundige geen van de drempelfuncties kan uitoefenen onderbouwt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer de conclusie dat eiseres niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet WIA. Integendeel, dat eiseres geen van de drempelfuncties kan uitoefenen is veeleer een aanwijzing dat eiseres niet in staat is om met arbeid meer dan 20% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.
17. Verder geven de rapportages van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige geen antwoord op de vraag of de beperkingen van eiseres duurzaam zijn. De verzekeringsarts concludeert slechts dat de beperkingen van eiseres nog ten minste zes maanden aanwezig zijn. Deze conclusie sluit niet uit dat bij eiseres sprake is van een medische situatie waarbij op lange termijn een kleine kans op herstel bestaat. De sociaal-medische beoordeling in het kader van de indicatie banenafspraak biedt dus onvoldoende grondslag voor het standpunt van het college dat de beperkingen van eiseres niet duurzaam zijn in de zin van artikel 4 van Pro de Wet WIA. Het college had zijn besluitvorming dus ook niet hierop mogen baseren en had zelf moeten (laten) onderzoeken of eiseres volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet WIA.

Conclusie en gevolgen

18. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het college zijn besluitvorming niet mocht baseren op de sociaal- medische beoordeling van het Uwv en ook niet op de afwijzing van de Wajong-aanvraag. Het bestreden besluit is dus onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank verklaart daarom het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit.
19. Het college moet opnieuw op het bezwaar van eiseres beslissen. Daarbij moet het college deze uitspraak in acht nemen. Voor het nemen van een nieuw besluit geldt de wettelijke beslistermijn. Om het gebrek in de besluitvorming te herstellen zal het college een eigen medisch- en arbeidsdeskundigonderzoek moeten laten verrichten. Dit onderzoek zal zich moeten richten op de vraag of eiseres op het moment dat zij verzocht om vrijstelling van de re-integratieverplichting volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet WIA.
20. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluiten van 8 september 2025;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.
de griffier is verhinderd
deze uitspraak te
ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet (Pw).
2.Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Pw.
3.Neergelegd in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Pw.
4.Zie bv. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:920.
5.Als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
6.Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong.
7.Artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit.
8.Zie Kamerstukken II 2011/12, 33 161, nr. 3 onder 5.1 en zie ook bv. overweging 4.3 van de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:21.