ECLI:NL:CRVB:2025:920
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing permanente ontheffing arbeidsverplichtingen en bijzondere bijstand wegens gebrek aan bewijs
Appellant, een bijstandsgerechtigde, verzocht om een permanente ontheffing van de arbeidsverplichtingen op grond van de Participatiewet (PW) en om bijzondere bijstand voor kosten zoals een oven en kinderkamerinrichting. Het dagelijks bestuur verleende slechts een tijdelijke ontheffing en wees de bijzondere bijstand af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en daarom recht had op permanente ontheffing, en dat bijzondere omstandigheden de toekenning van bijzondere bijstand rechtvaardigden. De Raad oordeelde dat appellant geen begin van bewijs leverde voor volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, mede omdat hij na de tijdelijke ontheffing begeleiding naar werk vroeg en daadwerkelijk aan het werk ging.
Ten aanzien van de bijzondere bijstand concludeerde de Raad dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet kon reserveren voor de kosten vanwege schulden. De Raad benadrukte dat schulden op zich geen bijzondere omstandigheid vormen zonder nadere onderbouwing.
Het hoger beroep werd afgewezen, waarmee het bestreden besluit in stand bleef. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door P.W. van Straalen op 25 juni 2025.
Uitkomst: De aanvraag voor permanente ontheffing van arbeidsverplichtingen en bijzondere bijstand wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs.