Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2374

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/4606
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 7:4 AwbArt. 6:22 AwbArt. 9 Rijkswet op het Nederlanderschap
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing naturalisatieverzoek wegens onvoldoende rehabilitatietermijn geldboete

Eiser verzocht om naturalisatie, maar de staatssecretaris wees dit af vanwege ernstige vermoedens dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit was gebaseerd op een buitenlandse veroordeling in Griekenland voor mensensmokkel, waarbij een gevangenisstraf en een geldboete werden opgelegd. De gevangenisstraf was voltooid en de rehabilitatietermijn daarvoor verstreken, maar de geldboete was niet betaald en de rehabilitatietermijn daarvoor was volgens de staatssecretaris nog niet verstreken.

Eiser voerde aan dat de strafmaatvergelijking van het Openbaar Ministerie (OM) te laat was verstrekt en dat de staatssecretaris onvoldoende onderzoek had gedaan naar de status van de boete. De rechtbank oordeelde dat de strafmaatvergelijking inderdaad te laat was verstrekt en dat eiser ten onrechte niet was gehoord in de bezwaarfase, maar dat deze procedurele gebreken niet tot nadeel van eiser hadden geleid omdat hij alsnog de gelegenheid had gekregen om te reageren.

De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris terecht de rehabilitatietermijn van de geldboete als niet verstreken had aangemerkt, omdat eiser niet had aangetoond dat de boete was kwijtgescholden. Ook was onvoldoende duidelijkheid over de omstandigheden van de strafbare feiten om een vergelijkbare Nederlandse strafmaat te bepalen. De rechtbank verwierp het beroep en bepaalde dat de staatssecretaris het griffierecht en proceskosten aan eiser moest vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt ongegrond verklaard omdat de rehabilitatietermijn van de geldboete niet is verstreken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4606

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I.C. van Krimpen),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: R.P.G. van Bel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser tot naturalisatie. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de stafmaatanalyse van het Openbaar Ministerie (OM) ten onrechte niet aan eiser is toegestuurd voordat het bestreden besluit is genomen. Ook is eiser ten onrechte niet gehoord in de bezwaarfase. Eiser heeft dus deels gelijk, maar het beroep is ongegrond omdat de rechtbank deze gebreken passeert. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een verzoek ingediend tot naturalisatie. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 28 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 juni 2025 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
Op 3 maart 2026 en 17 maart 2026 heeft eiser zijn gronden aangevuld.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Teishe als tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

Waarom heeft de staatssecretaris het verzoek van eiser afgewezen?
3. Eiser heeft namens hemzelf en zijn zoon verzocht om naturalisatie. De staatssecretaris geeft deze aanvraag bij besluit van 28 mei 2024 afgewezen omdat er op grond van het gedrag van verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Aan dat vermoeden heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat eiser op 11 januari 2017 in Griekenland is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 31 maanden en een geldboete van € 9.000,- wegens mensensmokkel (door vijf personen het Griekse grondgebied binnen te brengen
)en het gebruik van een vals document. Met het bestreden besluit is de staatssecretaris bij die afwijzing gebleven. De staatssecretaris erkent dat de rehabilitatietermijn van vijf jaar ten aanzien van de gevangenisstraf al is verstreken omdat eiser op 25 januari 2017 vervroegd is vrijgelaten en dat daarmee zijn gevangenisstraf is voltooid. Ten aanzien van de geldboete is de rehabilitatietermijn volgens de staatssecretaris echter nog niet verstreken omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij die boete heeft betaald of dat hij is kwijtgescholden. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan eiser niet als gevaar voor de openbare orde moet worden aangemerkt, is volgens de staatssecretaris niet gebleken.
Wat is het toetsingskader?
4. Op deze zaak zijn de bepalingen van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en de Handleiding voor de toepassing van de RWN (Handleiding) van toepassing. In artikel 9 van Pro de RWN staat dat een verzoek om naturalisatie wordt afgewezen als er ernstige vermoedens bestaan dat iemand een gevaar vormt voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. In de Handleiding wordt omschreven wanneer er dergelijke ernstige vermoedens zijn. In de Handleiding staat onder meer dat een naturalisatieverzoek wordt afgewezen als aan de vreemdeling in de periode van, in het geval van eiser, vijf jaar, direct voor het verzoek of de beslissing daarop, een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. De periode van vijf jaar wordt de rehabilitatietermijn genoemd. Met een sanctie wordt onder meer bedoeld iedere taak- of leerstraf. Ook gaat het om geldboetes hoger dan € 900,-. Daarbij maakt het niet uit of die door een buitenlandse instantie of voorwaardelijk is opgelegd. Uit vaste de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het beleid neergelegd in de Handleiding als uitgangspunt dient bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ernstige vermoedens dat iemand gevaar oplevert voor de openbare orde. [1]
4.1.
Volgens de Handleiding kan in zeer bijzondere gevallen worden afgeweken van het criterium ‘gevaar voor de openbare orde’ en kunnen die bijzondere omstandigheden hoogstens leiden tot de conclusie dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde.
Neemt de rechtbank de aanvullende gronden van 17 maart 2026 mee in haar beoordeling?
5. Eiser heeft één dag voor de zitting nog aanvullende stukken ingediend. Hoewel dit formeel gezien te laat is, zal de rechtbank deze stukken toch bij haar beoordeling betrekken. De staatssecretaris heeft zich daar niet tegen verzet en hij is tijdens de zitting inhoudelijk ingegaan op de stukken die eiser nog heeft overgelegd. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat de late indiening in dit geval in strijd is met de goede procesorde.
De vergewisplicht en de late verstrekking van de strafmaatvergelijking
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij de strafmaatvergelijking van het OM pas in deze beroepsprocedure heeft ontvangen. Dit is volgens hem te laat en onzorgvuldig.
6.1.
De rechtbank volgt eiser hierin. De strafmaatvergelijking van het OM had in de bezwaarfase aan eiser moeten worden verstrekt, omdat het een op de zaak betrekking hebbend stuk is. [2] Dat in het bestreden besluit wordt gerefereerd aan de strafmaatvergelijking, ontslaat de staatssecretaris niet van de verplichting om het stuk aan eiser te verstrekken. Dit betekent dat de bezwaarprocedure op dit punt onzorgvuldig is geweest. Dat betekent echter niet dat staatssecretaris om die reden een nieuw besluit moet nemen. De rechtbank stelt namelijk vast dat aannemelijk is dat eiser door deze schending niet is benadeeld. In deze beroepsprocedure heeft eiser alsnog kennis kunnen nemen van de inhoud van strafmaatvergelijking en heeft hij daarop kunnen reageren. Om die reden passeert de rechtbank het zorgvuldigheidsgebrek. [3]
7. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de staatssecretaris de strafmaatvergelijking niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen omdat het advies naar inhoud niet inzichtelijk en concludent is. Zo heeft het OM nagelaten om te beoordelen of sprake was van meerdaadse samenloop en heeft het OM de strafverlichtende omstandigheden ten onrechte niet betrokken bij de strafmaatvergelijking. Ook heeft het OM nagelaten om een jurisprudentie onderzoek uit te voeren.
7.1.
De rechtbank overweegt dat de strafmaatvergelijking een deskundigenadvies is aan de staatssecretaris. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet de staatssecretaris, als hij een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich ervan vergewissen dat dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. [4]
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de stafmaatvergelijking naar inhoud inzichtelijk en concludent is. De staatssecretaris heeft in zoverre aan zijn vergewisplicht voldaan. Het OM legt in de strafmaatvergelijking uit dat het niet mogelijk is om gedetailleerder in te gaan op de straf die eiser in Nederland zou hebben gekregen voor de door hem in Griekenland gepleegde strafbare feiten omdat de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd niet bekend zijn, en die conclusie vindt de rechtbank niet onbegrijpelijk. Eiser stelt dat de staatssecretaris hem om meer informatie had moeten vragen daarover, maar dat volgt de rechtbank niet. In de Handleiding staat dat de staatssecretaris een strafmaatvergelijking moet laten uitvoeren om te onderzoeken hoe iemand in het buitenland anders wordt bestraft dan in Nederland, en dat onderzoek heeft de staatssecretaris gedaan. In dat kader heeft de staatssecretaris ook nog gevraagd om aanvullende informatie over de omstandigheden omtrent de valsheid in geschrifte. Eiser heeft daartoe een tenlastelegging en een vonnis overgelegd. De staatssecretaris heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan zijn verplichtingen zoals omschreven in de Handleiding. Dat de staatssecretaris nog meer had moeten opvragen, volgt de rechtbank niet. Als eiser meer stukken had over de omstandigheden waaronder hij de gepleegde feiten had begaan of over zijn persoonlijke omstandigheden, dan had het op zijn weg gelegen om die aan de staatssecretaris te verstrekken. Dat heeft hij tot op heden nagelaten. De staatssecretaris en het OM hebben alle overgelegde documenten betrokken bij zowel de strafmaatvergelijking als het bestreden besluit. De staatssecretaris mocht de strafmaatvergelijking daarom (mede) ten grondslag leggen aan de weigering tot naturalisatie.
Is de rehabilitatietermijn ten aanzien van de boete verstreken?
8. Tussen partijen is niet in geschil dat de rehabilitatietermijn ten aanzien van de gevangenisstraf in Griekenland is verstreken. In geschil is alleen nog of de rehabilitatietermijn van de in Griekenland opgelegde geldboete al is verstreken.
8.1.
Eiser betoogt dat dit het geval is. Volgens eiser volgt uit de richtlijnen van het OM en de oriëntatiepunten van de rechtbanken dat hij in Nederland slechts een gevangenisstraf had gekregen van 24 maanden en dat daarbij niet aanvullend ook nog een geldboete zou zijn opgelegd. Omdat een geldboete in Nederland niet aan de orde zou zijn geweest, moet volgens eiser ervan worden uitgegaan dat de rehabilitatietermijn van de Griekse boete al is verstreken.
8.2.
De rechtbank overweegt dat uit de strafmaatvergelijking van het OM volgt dat er geen jurisprudentieonderzoek naar in Nederland vergelijkbare zaken kon worden gedaan omdat de feiten en omstandigheden rondom de door eiser gepleegde feiten in Griekenland niet duidelijk zijn geworden. Eiser stelt dat die omstandigheden zijn af te leiden uit de Griekse tenlastelegging en het strafvonnis, maar dat volgt de rechtbank niet. In de tenlastelegging staat slechts een omschrijving van de tenlastegelegde feiten, waarvoor eiser ook is vervolgd. De tenlastelegging zegt niks over de omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de strafbare feiten waarvoor eiser is veroordeeld. Ook het strafvonnis geeft hierover geen duidelijkheid, omdat daarin slechts staat waarvoor eiser wordt veroordeeld en welke straf aan hem wordt opgelegd. Het strafvonnis bevat verder geen motivering van de veroordeling of de opgelegde straf en vermeldt niet de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd of wat de persoonlijke omstandigheden van eiser destijds waren. Om die reden kon dus ook niet worden onderzocht wat voor straf eiser in Nederland had gekregen. Gelet daarop, kan dus ook niet worden geconcludeerd dat aan eiser (naast een gevangenisstraf) niet ook een boete zou zijn opgelegd. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
9. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de rehabilitatietermijn is verstreken omdat hij aannemelijk heeft gemaakt dat de boete is kwijtgescholden, althans dat hij alles in zich macht heeft gedaan om dat aan te tonen. Het had volgens eiser op de weg van de staatssecretaris gelegen om navraag te doen over de boete bij de Griekse autoriteiten.
9.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de boete niet betaald is. In geschil is alleen nog of de boete is kwijtgescholden. De bewijslast van die stelling ligt bij eiser.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd om aan te tonen dat de boete is kwijtgescholden. De stukken van de penitentiaire inrichting, de procureur-generaal en het Griekse belastingkantoor die hij daarover heeft overgelegd, zeggen niks over wat er met de boete is gebeurd. Uit die stukken kan alleen worden afgeleid dat het onduidelijk is wat er met de boete is gebeurd en dat het kennelijk lastig te achterhalen is, maar dat maakt op zichzelf niet dat vaststaat dat de boete is kwijtgescholden. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat eiser niet meer mogelijkheden heeft om nader onderzoek te doen naar de boete door bepaalde zaken nader uit te vragen. Ook is niet gebleken waarom eiser geen Tax Identification Number (TIN) kan aanvragen bij de Griekse autoriteiten om meer duidelijkheid te krijgen over de status van de boete.
9.3.
In de door eiser op 17 maart 2026 overgelegde stukken ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Het document van de gemeente Athene geeft namelijk geen duidelijkheid over de vraag of elders in Griekeland (met name op Corfu) nog wel een boete van eiser openstaat. De kopie van Griekenlandse wetgeving die eiser heeft overgelegd bevat verder ook geen informatie over de aan eiser opgelegde boete.
10. De staatssecretaris heeft daarom terecht geconcludeerd dat de rehabilitatietermijn van de boete nog niet is verstreken en dat er daarom een vermoeden bestaat dat eiser een gevaar is voor de openbare orde. De staatssecretaris moet het verzoek om naturalisatie dan afwijzen.
10. In dat wat eiser aanvoert over de evenredigheid en bijzondere omstandigheden heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om van het uitgangspunt van een “gevaar voor de openbare orde” af te wijken. De door eiser genoemde omstandigheden vallen daar gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling niet onder. Dat die omstandigheden in samenhang wél bijzonder zouden zijn – zoals eiser stelt – heeft hij niet onderbouwd. Met de hardheidsclausule kan bovendien niet worden afgeweken van artikel 10 van Pro de RWN. [5] Is eiser ten onrechte niet gehoord in bezwaar?
12. Eiser stelt dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. Eiser heeft in bezwaar veel nieuwe documenten overgelegd over zijn strafprocedure in Griekenland en de staatssecretaris heeft naar aanleiding daarvan aan het OM gevraagd om een strafmaatvergelijking. Er bestond gelet daarop twijfel over of het ingediende bezwaar kon leiden tot een ander besluit. De staatssecretaris heeft gelet hierop ten onrechte overwogen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is.
12.1.
De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb opgenomen algemene regel is dat er voor het bestuursorgaan een hoorplicht bestaat voordat het op bezwaar beslist. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan een bestuursorgaan van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [6] volgt dat dit alleen het geval is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.
12.2.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiser in de bezwaarfase. De staatssecretaris stelt dat er geen twijfel bestond over de uitkomst van het bezwaar, maar het alsnog laten uitvoeren van een stafmaatvergelijking door het OM in de bezwaarfase wijst op het tegendeel. Daarnaast had de staatssecretaris tijdens een hoorzitting die strafmaatanalyse met eiser kunnen bespreken. De staatssecretaris is er daarnaast aan voorbijgegaan dat het horen in de bezwaarfase meer functies heeft dan de (enkele) vaststelling of een bezwaarschrift gegrond of ongegrond moet worden verklaard. Zoals de Afdeling heeft bepaald [7] , versterkt het horen het vertrouwen van de bezwaarmaker in de overheid. Bovendien creëert het horen draagvlak voor de te nemen beslissing op bezwaar. Daarnaast geeft de hoorzitting aan de staatssecretaris, mede in het licht van de in bezwaar opgestelde strafmaatanalyse, de gelegenheid om nog te vragen om stukken die relevant kunnen zijn voor het nemen van een zorgvuldige beslissing op bezwaar en aan eiser om zijn persoonlijke situatie nader toe te lichten en eventuele vragen daarover te beantwoorden.
12.3.
Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb is genomen. Omdat eiser in zijn beroepschrift en op de zitting alsnog gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om zijn standpunten naar voren te brengen, oordeelt de rechtbank dat aannemelijk is dat hij niet is benadeeld door dit gebrek. De rechtbank passeert het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft en dat hij nu niet kan naturaliseren.
13. Gelet op de gebreken die zijn vastgesteld in het bestreden besluit in overwegingen 6.1 en 12.2 heeft eiser wel recht op terugbetaling van zijn griffierecht en vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Ook moet de staatssecretaris het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- vergoeden.

BeslissingDe rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:192).
2.Artikel 7:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 6:22 van Pro de Awb.
4.Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4302.
5.Zie paragraaf 3.7 van de Handleiding.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4261.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.