Overwegingen
6. Op verlening van de omgevingsvergunning is de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing.
7. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en de Omgevingswet in werking getreden. Met de invoering van de Omgevingswet is ook de Chw ingetrokken. Omdat de omgevingsvergunning vóór 1 januari 2024 is aangevraagd, zijn in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen en de Chw nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
8. Eisers 1 tot en met 7 (zaaknummer UTR 25/4003) en eisers 8 tot en met 11 (zaaknummer UTR 25/3486) zijn door het college niet-ontvankelijk verklaard in bezwaar, omdat zij volgens het college niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij de verleende omgevingsvergunning. Aan de rechtbank ligt de vraag voor of dat juist is.
9. De rechtbank overweegt in dat kader allereerst dat het college de belanghebbendheid van eisers in de bezwaarfase terecht heeft beoordeeld, nu de omgevingsvergunning, ondanks dat het college die op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, aanhef en onder 3⁰ van de Wabo heeft verleend, in dit geval kon worden voorbereid met de reguliere procedure.Als de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing was geweest, had immers een ieder (dus ook niet-belanghebbenden) zijn zienswijze naar voren mogen brengen.
10. Alleen belanghebbenden bij een besluit kunnen daar op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tegen in bezwaar en beroep. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat alleen degene die een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het besluit, belanghebbende is bij dat besluit. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij of zij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de bestuursrechter naar de factoren afstand tot -, zicht op -, planologische uitstraling van - en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Die factoren worden zo nodig in onderlinge samenhang bezien. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn voor het antwoord op de vraag of die van enige betekenis zijn.
11. Eisers 1 tot en met 11 voeren aan dat zij wél belanghebbenden zijn, omdat zij gevolgen van enige betekenis ondervinden van het bouwplan. Volgens hen betekenen de 24 flexwoningen een toename van (geluid)overlast, afval en verkeer in de wijk. Bovendien zal er een onveilige situatie ontstaan ter hoogte van de splitsing tussen [straat] en de [straat] , als gevolg van de nieuwe uitrit die (veel) te steil is. Eisers wijzen er verder op dat de druk op de wijk al groot is, doordat de school recent is uitgebreid en er onlangs ook een muziekschool is bijgekomen. Zij zijn juist in de wijk komen wonen vanwege de rust en die zal als gevolg van dit bouwplan verder worden verstoord. De wijk is niet ingericht op (de bewoners van) nog eens 24 woningen. Op de zitting hebben een aantal eisers er tot slot op gewezen dat zij vrezen voor hun eigen veiligheid en de veiligheid van hun kinderen door voorbijrazende auto’s, maar ook vanwege de doelgroep waar een deel van de flexwoningen voor is bestemd.
11. De rechtbank is, met het college, niet gebleken dat eisers 1 tot en met 11 gevolgen van enige betekenis van het bouwplan ondervinden. Voor zover zij vanaf hun percelen al zicht hebben op het bouwplan, ziet de rechtbank niet dat dat zicht van enige betekenis voor hun woon- en leefklimaat zal zijn. De flexwoningen worden op het noordelijkste deel van het perceel gebouwd, achter de nieuwe parkeerplaats en de bestaande bebouwing. Het geheel zal vervolgens worden afgeschermd met groenblijvende heesters en bomen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de druk op de wijk al groter is als gevolg van andere ruimtelijke ontwikkelingen, kan dat niet betekenen dat eisers om die reden als belanghebbenden bij deze omgevingsvergunning moeten worden aangemerkt. Belanghebbendheid kan alleen worden afgeleid van een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang, niet van belangen betrokken bij andere besluiten.
13. Wat betreft het verkeer blijkt uit de berekeningen van het college dat er met het bouwplan 58 verkeersbewegingen per etmaal bij (kunnen) komen. De ervaring leert echter dat starters, maar voornamelijk statushouders, veelal geen auto hebben. De werkelijke verkeerstoename zal daarom naar verwachting een stuk lager zijn. Van een relevante toename is de rechtbank in ieder geval niet gebleken. Het betoog van eisers over de nieuwe uitrit kan de rechtbank niet volgen (zie overweging 37). De vrees van eisers voor onveilig gedrag in het verkeer (hard rijden), maar ook voor afval op straat, geluidsoverlast en onveiligheid in het algemeen, al dan niet gerelateerd aan de doelgroepen van de flexwoningen, mist een objectieve grondslag.
14. Dat betekent dat eisers 1 tot en met 11 ook naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij de verleende omgevingsvergunning. Het college heeft hen met de bestreden besluiten daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover de beroepen namens deze eisers zijn ingesteld, moeten die dan ook ongegrond worden verklaard.
15. Eiser 12 is door het college wél ontvankelijk geacht in bezwaar. In aanmerking genomen dat eiser 12 vanaf zijn perceel in ieder geval enig zicht heeft op het bouwplan (hij woont er tegenover) en de afstand tussen zijn perceel en het bouwplan plusminus 20 meter bedraagt, is de rechtbank van oordeel dat hij terecht is aangemerkt als belanghebbende. Eiser 12 (hierna te noemen ‘eiser’) is daarom ook ontvankelijk in beroep.
16. Het beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.Het college heeft met het herstelbesluit de verleende omgevingsvergunning aangevuld en daarmee dus het bestreden besluit 2, voor zover daarin over de inhoudelijke bezwaren van eiser is beslist, gewijzigd. Het beroep voor zover ingesteld namens eiser, is daarom van rechtswege mede gericht tegen het herstelbesluit.
17. Omdat het college het bestreden besluit 2 in beroep heeft gewijzigd moet het beroep voor zover ingesteld namens eiser gegrond worden verklaard en het bestreden besluit 2 worden vernietigd. Eiser heeft zijn beroepsgronden na het herstelbesluit grotendeels gehandhaafd. De rechtbank zal daarom hierna, aan de hand van de overgebleven beroepsgronden, bezien of de rechtgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2, mede gelet op het herstelbesluit, in stand kunnen worden gelaten.
18. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen, uitvoeren, het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, en voor aanleggen. Niet in geschil is dat het project in strijd is met gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van het geldende bestemmingsplan ‘Kom Vianen’. Zoals gezegd heeft het college de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3⁰, van de Wabo verleend. Dit artikellid geeft het college de bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, mits dat geen strijd oplevert met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
19. De rechtbank hecht er in deze zaak belang aan om te wijzen op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wabo. Hieruit vloeit als hoofdregel voort dat de gemeenteraad (niet het college) gaat over het te voeren ruimtelijk beleid en over de goede ruimtelijke ordening. De Wro bepaalt dat de gemeenteraad daartoe structuurvisies en bestemmingsplannen vaststelt en krachtens de Wabo is bepaald dat met een omgevingsvergunning alleen van het bestemmingsplan kan worden afgeweken als de gemeenteraad daarvoor een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) heeft afgegeven.De achterliggende gedachte van de wetgever daarbij is dat de beslissingen hierover vanwege de verdeling van bestuurlijke verantwoordelijkheden niet aan het bevoegd gezag maar aan de gemeenteraad als vvgb-orgaan wordt overgelaten.De verklaring van geen bedenkingen is een integraal onderdeel van het besluit omtrent de omgevingsvergunning.
20. De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin geen (afzonderlijke) vvgb nodig is.Op 4 november 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Vijfheerenlanden dat gedaan door de ‘Lijst met categorieën verklaring van geen bedenkingen 2021 Vijfheerenlanden’ (de Lijst) vast te stellen. Op 10 februari 2022 heeft de gemeenteraad de Lijst, voor zover hier relevant, als volgt gewijzigd:
“Géén verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad van gemeente Vijfheerenlanden is vereist in de volgende gevallen:
(…)
3. indien er sprake is van de realisatie van huisvesting voor statushouders in combinatie met de huisvesting voor starters zoals nader omschreven is in het raadsbesluit van 16 november 2021 “aanbod Vijfheerenlanden asielopgave” (zaaknummer [nummer] ). Het gaat hierbij om huisvesting voor maximaal 140 personen in units van diverse grootte op één tot maximaal vijf locaties.
Bestaand stedelijk gebied = grenzen zoals aangegeven in bijgevoegde kaarten ‘Bebouwde kom grenzen gemeente Vijfheerenlanden’.”
21. Gelet hierop is het uitgangspunt in deze zaak dat de gemeenteraad als vvgb-orgaan achter de realisatie van deze categorie van huisvesting staat. Het bouwplan past binnen deze categorie, zodat daarvoor geen (afzonderlijke) vvgb nodig is. Vervolgens weegt het college de bij de aanvraag betrokken belangen in het licht van voornoemd uitgangspunt af. Daarbij geniet het college beleids- en beoordelingsvrijheid, zodat de bestuursrechter het resultaat van die belangenafweging alleen terughoudend kan toetsen.
22. Eiser voert aan dat de omgevingsvergunning in feite voor langer dan vijftien jaar is verleend. Met het herstelbesluit heeft het college de aanvang van de vijftienjaarstermijn gekoppeld aan de dag na die waarop de bouw door vergunninghouder gereed wordt gemeld. Volgens eiser is dat in strijd met de Chw en met artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
23. De rechtbank volgt eiser hierin niet. In de Chw noch het Bor is een maximale termijn van vijftien jaar voorgeschreven voor omgevingsvergunningen als deze. Artikel 5.16 van het Bor regelt alleen dat áls het college een tijdelijke bouwvergunning voor vijftien jaar of korter wil verlenen, het college in de vergunning de verplichting moet opnemen dat vergunninghouder na afloop van die termijn de voor de verlening bestaande toestand hersteld moet hebben. De rechtbank vindt het niet onredelijk om de vijftienjaarstermijn te laten aanvangen op de dag na gereedmelding van de bouw. Dit is in lijn met het Bouwbesluit 2012 waarin tijdelijke bouwwerken, zoals het onderhavige, zijn omschreven als bouwwerken die bedoeld zijn om voor een periode van ten hoogste vijftien jaar op een bepaalde plaats aanwezig te zijn. Bovendien zullen de flexwoningen pas in gebruik kunnen worden genomen als deze gereed zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
24. Eiser voert verder aan dat woningbouw op deze locatie in strijd is met het gemeentelijk beleid. Uitgangspunt in dit beleid is dat woningbouw bij voorkeur plaatsvindt op inbreidingslocaties en het college gaat er ten onrechte vanuit dat het perceel als zodanig is aangemerkt. De visiekaart behorende bij de Omgevingsvisie Vijfheerenlanden van 8 februari 2024 is niet gedetailleerd genoeg, en volgens de (meer gedetailleerde) Gebiedsvisie Vianen van 20 maart 2025 maakt het perceel deel uit van de bestaande groenstructuur. Blijkens de Gebiedsvisie is het de bedoeling om die groenstructuur uit te werken naar een klimaat adaptief groen-blauwnetwerk. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat deze gebieden worden verhard, aldus eiser.
25. In reactie op herstelbesluit, waarmee het college het bestreden besluit 2 op dit punt nader heeft gemotiveerd, voert eiser aan dat de ‘Nota van Uitgangspunten’ waar het college naar verwijst slechts een voorbereidingsdocument is: de Gebiedsvisie heeft te gelden als het uiteindelijke beleid. De motivering van het college komt er volgens eiser op neer dat alle locaties binnen stedelijk gebied ‘inbreidingslocaties’ zouden zijn, terwijl inbreidingslocaties niet voor niets specifiek zijn aangewezen. In de Omgevingsvisie staat tot slot duidelijk het uitgangspunt dat pas naar uitbreidingslocaties wordt uitgeweken als inbreidingslocaties niet mogelijk blijken. Een afwijkingsmogelijkheid voor kleine projecten is hierin niet opgenomen.
26. De rechtbank volgt eiser hierin evenmin. Op de zitting heeft het college toegelicht dat juist is afgeweken van het uitgangspunt in het beleid dat woningbouw bij voorkeur plaatsvindt op inbreidingslocaties. De in het beleid aangewezen inbreidingslocaties zijn niet geschikt geacht voor dit relatief kleine, tijdelijke project. De locatie aan de Monnikendreef is wél geschikt, omdat het binnen stedelijk gebied, maar aan de rand van een bestaande woonwijk ligt, dicht bij voorzieningen. De rechtbank kan het college hierin volgen. Temeer nu de gemeenteraad achter deze categorie van huisvesting staat binnen ‘bestaand stedelijk gebied’; dat gebied gelijk is aan de grenzen zoals aangeven in de bij de Lijst behorende kaarten; en deze locatie [door de rechtbank rood omcirkeld] op de hieronder weergegeven kaart ‘Bebouwde komgrenzen Vianen’ van de Lijst binnen die grenzen ligt:
27. De rechtbank is tot slot niet gebleken dat het bouwplan op deze locatie pertinent in strijd zou zijn met het gemeentelijk beleid. De beleidsstukken sluiten niet uit dat op niet-inbreidingslocaties woningen worden gebouwd. In de Nota van Uitgangspunten is het bouwplan specifiek voor deze locatie opgenomen. En hoewel niet verder uitgewerkt en ook niet opgenomen op de bijbehorende visiekaart, wordt daar in de Gebiedsvisie (op pagina 9) wel naar verwezen. De beroepsgrond slaagt niet.
Interim Omgevingsverordening
28. Eiser voert verder aan dat de omgevingsvergunning in strijd is met artikel 9.15, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Interim Omgevingsvergunning provincie Utrecht (Iov). Dat het bouwplan zou passen binnen het Provinciaal Programma Wonen en werken 2023 is onjuist, en dat er geen bodemdaling optreedt als gevolg van de flexwoningen is niet onderbouwd met een deskundigenrapport.
29. De rechtbank volgt eiser niet. In dit artikellid is bepaald dat een bestemmingsplan (waaronder mede wordt verstaan een omgevingsvergunning voor bouwen) dat betrekking heeft op locaties binnen stedelijk gebied, bestemmingen en regels kan bevatten voor woningbouw, mits de woningbouw past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken en niet leidt tot extra bodemdaling. Tussen partijen is niet in geschil en de rechtbank stelt vast, dat het perceel op kaart 2 in de Iov is aangeduid als ‘Stedelijk gebied’ bij het thema ‘wonen, werken en recreëren’, zodat dit artikellid van toepassing is.
30. BRO heeft hierover in de ruimtelijke onderbouwing van 6 december 2024 overwogen dat de 24 flexwoningen die worden gebouwd geen uitbreiding zijn van de kern en dat sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Omdat de flexwoningen maximaal 15 jaar aanwezig zijn kan het perceel nadien weer voor andere bestemmingen gelden. Volgens BRO is het bouwplan daarom in lijn met de Iov. De rechtbank kan dit volgen. Eiser heeft daar niets tegenover gesteld.
31. Wat de bodemdaling betreft heeft het college erop gewezen dat kleinschalige, tijdelijke bouw niet tot bodemdaling zal leiden, temeer nu de flexwoningen zullen worden gefundeerd met heipalen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen bodemdaling zal optreden. Ook hier heeft eiser niets tegenover gesteld. Dat een en ander zou moeten worden onderbouwd met een deskundigenrapport is niet vereist. De beroepsgrond slaagt niet.
Ladder voor duurzame verstedelijking
32. Eiser voert verder aan dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening is verleend. Het perceel ligt niet in bestaand stedelijk gebied gelet op de daarop rustende bestemming ‘Tuin’ en de omliggende groenbestemmingen.
33. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Zoals hiervoor is overwogen ligt het perceel volgens de bij de Lijst behorende kaart ‘Bebouwde komgrenzen Vianen’ in bestaand stedelijk gebied, en is het perceel op kaart 2 in de Iov ook als ‘stedelijk gebied’ aangeduid. Los daarvan, geldt dat op het perceel niet alleen de bestemming ‘Tuin’ maar ook de bestemming ‘Wonen’ rust, wat bebouwing ten behoeve van wonen ter plaatse reeds mogelijk maakt. Het college heeft erop gewezen dat het perceel aan de rand van een woonwijk ligt, nabij een sportcentrum, school, winkels en supermarkt en binnen de ontsluitingswegen ( [straat] en [straat] ). Alleen ten noorden van de ontsluitingsweg [straat] ligt geen bebouwing, maar ten westen van deze ontsluitingsweg en ten zuiden en oosten van het perceel wel. Naar het oordeel van de rechtbank kan het perceel alleen al gelet hierop worden beschouwd als behorende bij een reeds bestaand ‘stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’, zodat sprake is van stedelijk gebied.De beroepsgrond slaagt niet.
34. Eiser voert aan dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren, omdat het bouwplan zijn woon- en leefklimaat onevenredig aantast. Zo heeft het college onvoldoende onderbouwd dat het maximaal toegestane geluidsniveau van 40 dBniet wordt overschreden met de warmtepompen en airco’s die voor elke woning zullen worden geïnstalleerd. Eiser wijst er verder op dat het perceel al wordt ontsloten met een uitrit en een tweede uitrit, ten koste van openbaar groen, in strijd is met de Algemene Plaatselijke Verordening Vijfheerenlanden 2023 (APV). Bovendien wordt met de nieuwe uitrit een verkeersonveilige situatie gecreëerd. Omdat het perceel lager ligt dan de [straat] waar de uitrit op uitkomt moeten auto’s over een relatief korte afstand een hellingshoek van 10 tot 15% overbruggen. Dit is volgens eiser veel te steil, waardoor er zeer beperkt zich bestaat op het verkeer op de [straat] . Dat desalniettemin sprake zou zijn van een verkeersveilige situatie had het college moeten onderbouwen met het rapport van een verkeersdeskundige. Eiser heeft tot slot gewezen op overlast van afval en een toename van verkeersbewegingen in de wijk.
35. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het bouwplan niet in overeenstemming zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. Met de uitgebreide berekening in het verweerschrift heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat het maximale geluidsniveau van 40 dB, ook bij cumulatie, niet wordt overschreden gelet op de afstand tussen de warmtepompen en airco’s en de percelen van omwonenden, waaronder het perceel eiser. Onderbouwing met een deskundigenrapport is niet vereist.
36. Verder is in artikel 2:12, tweede lid, aanhef en onder d, van de APV bepaald dat het college een vergunning voor het aanleggen van een uitrit
kanweigeren als het perceel al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van de tweede uitweg ten koste gaat van het openbaar groen. Dat betekent dat het college een tweede uitrit om die reden kan weigeren, maar dat niet hoeft te doen. De rechtbank kan in dit geval de keuze voor een nieuwe uitrit volgen, omdat de oude uitrit uitkomt op een fietspad waar alleen het (gemotoriseerd) verkeer naar de bestaande woning gebruik van maakte. Deze uitrit zal met een paal afgesloten worden voor gemotoriseerd verkeer. Waar voorheen de uitrit van het perceel dus op een fietspad uitkwam, zal in de nieuwe situatie de uitrit op een reeds bestaande t-splitsing uitkomen.
37. Met de uitgebreide toelichting in het bestreden besluit 2 heeft het college naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een verkeersveilige situatie. Het perceel ligt weliswaar lager dan de [straat] , maar omdat er eerst nog een sloot moet worden overgestoken en een berm moet worden gepasseerd, is er voor de automobilisten voldoende tijd en mogelijkheid om het kruisende verkeer te bezien. Het college heeft hier overleg over gevoerd met zijn verkeersdeskundigen. Verder blijkt uit de stukken dat de toename van het aantal verkeersbewegingen ruimschoots past binnen de verkeerscapaciteit van de [straat] . Ook hier geldt dat een deskundigenrapport niet is vereist.
38. Tot slot ziet de rechtbank ook in de overige door eiser aangevoerde punten geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is van een onevenredige aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Zoals hiervoor al is overwogen mist de vrees voor onveilig gedrag in het verkeer (hard rijden), maar ook voor afval op straat, geluidsoverlast en onveiligheid in het algemeen, al dan niet gerelateerd aan de doelgroep van de flexwoningen, een objectieve grondslag. De beroepsgrond slaagt niet.
39. Eiser voert tot slot aan dat het college de keuze voor deze locatie onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en onderbouwd, terwijl het college daar wel toe is gehouden gelet op de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2025.Volgens eiser blijkt uit de zogenoemde ‘groslijst’ niet dat de locatie vergeleken met de daarin opgenomen andere locaties hoger zou scoren. De groslijst is namelijk niet voor alle locaties volledig ingevuld.
40. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het college moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie. Dat betekent onder meer dat als het project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de vergunning kan leiden als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarbij geldt dat het niet aan het college is om alternatieve locaties aan te dragen.De enkele verwijzing naar het ontbreken van gegevens op de groslijst, voldoet hier niet aan. Als de andere locaties bovendien op alle niet ingevulde punten gewaardeerd zouden worden met een 8 (zeer hoog), scoort de locatie aan de [straat] nog steeds hoger. De rechtbank volgt eiser tot slot ook niet in zijn verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 12 maart 2025. In die zaak ging het om de vaststelling van een bestemmingsplan door de gemeenteraad. Die bevoegdheid is niet vergelijkbaar met die van het college om op aanvraag van het bestemmingsplan af te wijken in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. De beroepsgrond slaagt niet.