ECLI:NL:RBMNE:2026:300

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
UTR 24/7877
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 4 AVGArt. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond op onvolledig overzicht persoonsgegevens BING-rapport en onduidelijke e-mailwisselingen gemeente

Eiser heeft op grond van de AVG een verzoek ingediend om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens, met name met betrekking tot een BING-rapport. De gemeente verstrekte een overzicht, maar dit bleek onvolledig omdat het alleen objectieve persoonsgegevens bevatte, terwijl het rapport ook subjectieve gegevens bevatte.

Eiser stelde dat de gemeente meer persoonsgegevens van hem verwerkt dan vermeld in het overzicht, onder meer vanwege een RIEC-onderzoek en e-mailwisselingen binnen de gemeente. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er meer gegevensverwerking plaatsvond rondom het BING-rapport, maar dat een specifieke e-mailwisseling binnen de gemeente wel een aanwijzing kan zijn voor aanvullende verwerking.

Het college stelde dat deze e-mails vals waren, maar heeft dit niet onderbouwd. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het college op een nieuw besluit te nemen waarin het overzicht wordt aangevuld en de authenticiteit van de e-mails wordt onderzocht. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met een aangevuld overzicht van de gegevensverwerking en onderzoek naar de authenticiteit van e-mails.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7877

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. B.N. van Hoek),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Yahya).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over eisers verzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). In deze zaak gaat het om twee vragen: i. is het overzicht van verwerkingsgegevens met betrekking tot het BING-rapport voldoende? En ii. heeft eiser aannemelijk gemaakt dat er meer gegevens worden verwerkt dan waarop hij nu zicht heeft?
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het overzicht van verwerkingsgegevens van het BING-rapport geeft onvoldoende inzicht in de verwerkte persoonsgegevens van eiser
.Met de door eiser ingebrachte documenten heeft hij echter niet aannemelijk gemaakt dat de gemeente meer persoonsgegevens van hem zou moeten verwerken. Dat is alleen anders voor een aantal e-mails die eiser heeft verstrekt en die volgens hem van de gemeente afkomstig zijn. Het college zegt dat die e-mails vals zijn, maar dat is niet onderbouwd en moet het college alsnog doen als hij dit aan eiser wil tegenwerpen.

Inleiding

1. Eiser heeft op 21 februari 2024 een AVG-verzoek ingediend, waarin hij vraagt om afschriften van de verwerking van zijn persoonsgegevens met betrekking tot:
zijn rechtspositie;
het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC);
de verstrekking van zijn persoonsgegevens aan andere bestuursorganen;
correspondentie met oud-wethouder [A] .
2. Het college heeft in het besluit van 28 mei 2024 aangegeven dat er geen gegevensverwerking is aangetroffen met betrekking tot de punten b. t/m d. De verwerking van persoonsgegevens in verband met a. de rechtspositie van eiser, zijn in een overzicht aan eiser verstrekt.
3. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser heeft het college vastgesteld dat er een zogeheten BING-rapport over eiser is. In het besluit op bezwaar van 12 november 2024 is daarom een overzicht van de verwerking van eisers persoonsgegevens met betrekking tot dit rapport verstrekt.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. Op 15 december 2025 heeft het college aanvullende stukken overgelegd. Het college heeft met een beroep op artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat alleen de bestuursrechter kennis mag nemen van de stukken. De bestuursrechter handelt alsof de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, nu de stukken onderdeel zijn van een procedure op grond van de AVG en de stukken daarmee inzet zijn van het geding zijn. Eiser heeft de rechtbank toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om bij de beoordeling in dit beroep van de geheimgehouden informatie kennis te nemen.
6. De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 via een digitale Teams-verbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Herhaling bezwaargronden
7. Eiser verzoekt de rechtbank om de bezwaargronden als ingelast te beschouwen.
8. De rechtbank oordeelt dat daarvoor geen aanleiding is. Het college is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de bezwaargronden van eiser. Het is aan eiser om in beroepsgronden aan te geven in welke zin hij het oneens is met het bestreden besluit.
Verwerkingsoverzicht BING-rapport
9. Eiser voert aan dat hij een afschrift van het BING-rapport wil hebben. De conceptversie heeft hij wel gekregen, maar de definitieve versie niet. Het is in eisers belang om inzage te krijgen in het rapport, omdat uit het BING-onderzoek bleek dat eiser niets te verwijten viel. Het college had het OM moeten vragen of er bezwaar bestaat om het rapport te verstrekken. Verder heeft eiser op zitting toegelicht dat het overgelegde overzicht onvolledig is en dat er meer persoonsgegevens in het rapport moeten zijn verwerkt dan is vermeld op het overzicht. Met het overzicht kan eiser nu niet controleren of zijn persoonsgegevens op de juiste wijze zijn verwerkt.
10. De rechtbank stelt voorop dat iemand op grond van artikel 15 van Pro de AVG recht heeft op inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens. Bij persoonsgegevens gaat het volgens artikel 4 van Pro de AVG om alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Dit begrip komt een ruime betekenis toe: het strekt zich potentieel uit tot elke soort informatie, zowel objectief als subjectief. Bij objectieve informatie kan bijvoorbeeld worden gedacht aan NAW-gegevens. Van subjectieve informatie is sprake als de informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een natuurlijk persoon. [1] Stukken als zodanig zijn geen persoonsgegevens. Het recht op inzage betekent dan ook niet dat iemand zonder meer recht heeft op (integrale) inzage in of een afschrift van stukken waarin persoonsgegevens worden verwerkt. In beginsel kan worden volstaan met een overzicht van de verwerking van de persoonsgegevens. Dat overzicht moet wel de noodzakelijke kenmerken bevatten om iemand in staat te stellen zijn AVG-rechten uit te oefenen, in de zin dat aan de hand van het overzicht moet kunnen worden gecontroleerd of de persoonsgegevens juist zijn en zijn verwerkt in lijn met de AVG. Daarom moet het overzicht niet alleen een omschrijving van het persoonsgegeven vermelden, maar ook het persoonsgegeven zelf en de verwerkingsdoeleinden. Als dat nodig is om te kunnen beoordelen of persoonsgegevens rechtmatig worden verwerkt, moet meer informatie worden verstrekt over de inhoud, de strekking of de context. [2]
11. De rechtbank stelt vast dat het overzicht van de gegevensverwerking in het BING-rapport onvolledig is. In het overzicht gaat het alleen om de verwerking van objectieve persoonsgegevens, namelijk eisers NAW-gegevens. De rechtbank heeft het BING-rapport bekeken en is van oordeel dat het BING-rapport meer persoonsgegevens van eiser bevat. Zo zijn in het rapport ook subjectieve persoonsgegevens van eiser verwerkt. Het overzicht van de verwerking van de persoonsgegevens is dus inderdaad onvoldoende om de juistheid van de gegevensverwerking te controleren. Dit betekent echter niet dat eiser een afschrift krijgt van het BING-rapport. Het college zal het overzicht moeten aanvullen. Op voorhand is het niet onwaarschijnlijk dat met een aanvulling de begrijpelijkheid van de verwerkte persoonsgegevens is gewaarborgd. Dan is het niet noodzakelijk om een afschrift van het BING-rapport te verstrekken. Dit is een afweging die het college moet maken.
12. Deze beroepsgrond slaagt.
Zijn er concrete aanknopingspunten dat er meer documenten zijn?
13. Eiser voert verder aan dat de gemeente meer persoonsgegevens van hem verwerkt dan op de overzichten staat vermeld. Dit volgt volgens eiser in de eerste plaats uit het feit dat er een BING-onderzoek is geweest. Er zouden meer documenten hierover moeten zijn, zoals een opdracht vanuit de gemeente of beslissingen die naar aanleiding van het rapport zijn genomen. In de tweede plaats volgt dit volgens eiser uit het feit dat hij onderwerp is geweest van een RIEC-onderzoek naar aanleiding van een melding van de gemeente over hem bij het RIEC. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser diverse producties overgelegd in beroep, waaruit volgens hem blijkt dat de gemeente inderdaad zijn persoonsgegevens verwerkt in RIEC-verband.
14. De rechtbank stelt voorop dat als een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. [3] De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiser het onderzoek dat het college naar zijn gegevensverwerking heeft gedaan niet betwist. Eiser stelt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat de gemeente meer gegevens van hem verwerkt.
15. Ten aanzien van de gegevensverwerking rondom het BING-rapport is eiser daarin niet geslaagd. Volgens het college is er geen verdere gegevensverwerking gevonden buiten het BING-rapport zelf. Eiser heeft daartegenover enkel gesteld dat het college een opdracht moet hebben gegeven voor het BING-onderzoek en dat de uitkomst van het BING-rapport besproken moet zijn geweest, althans dat dat tot beslissingen moet hebben geleid. Dit heeft hij echter niet onderbouwd. Met deze stellingen heeft eiser daarom niet aannemelijk gemaakt dat er rondom het BING-rapport meer persoonsgegevens van eiser zijn verwerkt.
16. Voor wat betreft gegevensverwerking in RIEC-verband overweegt de rechtbank als volgt. Het college heeft toegelicht dat RIEC Midden-Nederland is gevraagd of er persoonsgegevens van eiser worden verwerkt. Ook heeft het college het RIEC-informatiesysteem (RIS) doorzocht. Er is geen verwerking van eisers persoonsgegevens gevonden. De rechtbank ziet in het grootste deel van de door eiser overgelegde producties geen concrete aanknopingspunten dat de gemeente wel die gegevens zou hebben verwerkt. De meeste producties bevatten hiervoor geen aanwijzingen. Die producties gaan namelijk niet over eisers persoonsgegevens in combinatie met het RIEC. Dat is alleen anders in twee producties. Eén daarvan is een mailwisseling tussen het RIEC Den Haag en de Belastingdienst. Hieruit volgt echter niet dat de gemeente persoonsgegevens van eiser in dit verband verwerkt. Dan blijft de andere productie over. Dat betreft een e-mailwisseling binnen de gemeente waarin eisers naam in verband met het RIEC voorkomt. Aangezien deze e-mailwisseling niet in het overzicht bij het bestreden besluit voorkomt, vormt dit in beginsel een aanknopingspunt dat er meer persoonsgegevens van eiser worden verwerkt. Het college stelt echter dat deze e-mailwisseling valselijk is opgemaakt en dat het daarom geen concrete aanwijzing oplevert. Dit standpunt heeft het college echter niet onderbouwd. De enkele stelling dat deze e-mailwisseling in civiele en strafrechtelijke procedures er niet toe heeft geleid dat eiser gelijk kreeg, volstaat niet. Als het college stelt dat de e-mailwisseling valselijk is opgemaakt en dus geen aanwijzing vormt van verdere gegevensverwerking, dan moet hij dat onderbouwen.
17. Deze beroepsgrond slaagt daarom gedeeltelijk.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is gegrond. Het overzicht ten aanzien van het BING-rapport is onvolledig. Daarnaast kan de door eiser verstrekte e-mailwisseling binnen de gemeente potentieel een aanwijzing vormen dat de gemeente meer persoonsgegevens verwerkt dan nu uit de overzichten bij het bestreden besluit blijkt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Het college moet een nieuw besluit nemen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank vindt het niet opportuun om dit via en bestuurlijke lus te doen en beslist daarom dat het college binnen de wettelijke termijn een nieuw besluit moet nemen. In dat besluit moet het college de gegevensverwerking in het BING-rapport opnieuw bekijken en het overzicht daarop aanvullen. Daarbij moet het college afwegen of het aangevulde overzicht voldoende noodzakelijke kenmerken bevat voor eiser om zijn AVG-rechten uit te oefenen. Daarnaast moet het college of onderbouwen dat de door eiser verstrekte e-mailwisseling binnen de gemeente vals is of, als blijkt dat de e-mailwisseling echt is, een nadere zoekslag doen naar de gegevensverwerking van eiser.
19. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 12 november 2024;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5083.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3067.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4279.