Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3033

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2612566:R-RK
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b lid 1 FwArt. 3 lid 1 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tot schorsing woningontruiming wegens belangen minderjarige kinderen

Verzoekers, een samengesteld gezin met vijf minderjarige kinderen, verzochten de rechtbank om een voorlopige voorziening die de ontruiming van hun woning zou schorsen. De ontruiming was bevolen wegens een huurachterstand van ruim €8.000. Verzoekers zijn bezig met een schuldhulpverleningstraject en staan onder beschermingsbewind.

De rechtbank weegt het grote belang van de verhuurder om de huur te ontvangen af tegen het belang van verzoekers en hun kinderen om in de woning te blijven tijdens het schuldhulpverleningstraject. De rechtbank acht het belang van de kinderen zwaarwegend, mede gelet op de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad over de rol van de rechter bij ontruimingen die kinderen treffen.

De rechtbank besluit de ontruiming op te schorten voor maximaal zes maanden, onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt de huurovereenkomst verlengd voor de duur van deze voorziening. De schuldhulpverlener moet uiterlijk vier weken voor het einde van de voorziening verslag uitbrengen. De beslissing is mondeling uitgesproken op 20 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank schorst de ontruiming van de woning voor zes maanden vanwege het belang van de minderjarige kinderen en het schuldhulpverleningstraject.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Toezicht
Zittingsplaats Lelystad
Rekestnummer: NL:TZ:2612566:R-RK
Uitspraak van 20 mei 2026
In de zaken van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum 1] 1983 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
en
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum 2] 1981 te [geboorteplaats 2] ,
beiden wonende te [adres] , [postcode] [plaats] ,
verzoekers,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
[verzoeker] en [verzoekster] worden gezamenlijk ook als verzoekers aangeduid,
tegen
de besloten vennootschapGoois Wonen B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Hilversum,
hierna te noemen Goois Wonen,
tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet (Fw).
Samenvatting
[verzoeker] en [verzoekster] hebben verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in verband met een geplande woningontruiming. De rechtbank wijst het verzoek toe en schorst de ontruiming op voor een periode van zes maanden.

1.De procedure

1.1.
De procedure bestaat uit:
- het verzoek voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 van de Fw inclusief bijlagen, waaronder het ontruimingsvonnis van 10 juli 2024 en het exploot van 15 april 2026 waarin de ontruiming is aangezegd tegen 21 mei 2026, ingediend samen met een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling;
- de zitting van woensdag 20 mei 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoeker] , voornoemd;
- [verzoekster] , voornoemd;
- mevrouw [A.] , schuldhulpverlener (Kredietbank Nederland);
- de heer [B.] , namens gemeente Gooise meren;
- mevrouw [C.] , beschermingsbewindvoerder;
- de heer [D.] , namens Goois wonen B.V..

2.Het verzoek en het verweer

2.1.
[verzoeker] en [verzoekster] verzoeken de rechtbank om Goois Wonen te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis van 10 juli 2024. Verzoekers hebben aan het verzoek ten grondslag gelegd dat zij proberen tot een (minnelijke) schuldregeling met hun schuldeisers te komen. Verzoekers vormen een samengesteld gezin. Twee van de vijf minderjarige kinderen wonen volledig bij hen, de andere drie kinderen wonen deels ook bij de ex-partner(s). [verzoeker] werkt in loondienst, [verzoekster] heeft een [bedrijf] waaruit zij inkomsten haalt. Sinds vandaag is er sprake van beschermingsbewind.
2.2.
Volgens Goois Wonen is er sprake van een huurachterstand van € 8.375,4. Er is eerder met verzoekers gesproken toen is een betalingsregeling afgesproken. Omdat verzoekers echter vanaf maart 2026, opnieuw geen huur hebben betaald heeft Goois Wonen besloten alsnog tot ontruiming over te gaan.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank wijst het verzoek toe, omdat er sprake is van een bedreigende situatie en het belang van verzoekers om met hun minderjarige kinderen gedurende een schuldhulpverleningstraject in de woning te mogen blijven wonen zwaarder weegt dan het belang van om de woning vanwege de huidige huurachterstand te mogen ontruimen.
3.2.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Duidelijk is dat het belang van de verhuurder groot is. Er is een huurachterstand ontstaan van ruim € 8.000,00 en de huurprijs van de woning past niet goed bij het budget van verzoekers. Goois Wonen heeft er belang bij dat de huur volledig en tijdig wordt voldaan. Tegelijkertijd weegt de rechtbank mee dat uit de verklaringen ter zitting blijkt dat verzoekers inzien dat zij hulp nodig hebben bij het op orde brengen van hun financiën, die hulp ook willen accepteren. Dat blijkt uit het feit dat zij hun vermogens onder bewind hebben laten stellen. Volgens de verklaring van de beschermingsbewindvoerder werken verzoekers volledig mee aan het bewind. Duidelijk is dat verzoekers hun uitgavenpatroon dienen aan te passen. Ter zitting hebben zij verklaard dat zij zich daarvan bewust zijn. Het huidige, stabiele inkomen van verzoekers is, aldus de beschermingsbewindvoerder voldoende voor het voldoen van de huur.
3.3.
Tot slot weegt de rechtbank het belang van de kinderen mee. Blijkens de beantwoording door de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing van 28 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1799), brengt de in artikel 3 lid 1 IVRK Pro aan de rechter gegeven opdracht mee dat deze zo nodig ambtshalve dient te onderzoeken of de gevorderde ontruiming ook kinderen zal treffen en wat in de gegeven omstandigheden in hun belang is. Het zou dus zo moeten zijn dat de kantonrechter, die over de ontruiming oordeelt, daarin de belangen van de kinderen op de door de Hoge Raad bedoelde wijze meeneemt. In het verstekvonnis van de kantonrechter wordt over deze belangen niets gezegd, zodat de rechtbank in deze zaak de belangen van de kinderen moet meewegen. [1]
3.4.
De rechtbank acht het niet het belang van de kinderen van verzoekers dat zij op korte termijn geen dak meer boven hun hoofd hebben. Hoewel mogelijk voor drie van de vijf kinderen een alternatief onderdak beschikbaar is, geldt dat niet voor twee van de kinderen. Daarnaast is het hele gezin gebaat bij rust en structuur en wanneer verzoekers hun woning verliezen zal dit ook invloed hebben op alle kinderen. Nu er mogelijkheden zijn om tot een regeling voor alle schulden van hun ouders te komen, is het in het belang van de kinderen om die mogelijkheid eerst verder te onderzoeken.
3.5.
Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal nu nog niet worden beslist. De mondeling behandeling van dit verzoek zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum en tijdstip.
3.6.
Als verzoekers tijdens de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met hun schuldeisers tot stand brengen, moeten zij dit uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling intrekken. Indien er geen minnelijke schuldregeling tot stand wordt gebracht en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling vervolgens behandeling behoeft, dient dit ook uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank te worden gemeld.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
schorst de tenuitvoerlegging van het op 10 juli 2024 door de kantonrechter van deze rechtbank gewezen vonnis tot ontruiming van de woning aan het adres [adres] , [postcode] [plaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
4.2.
bepaalt dat deze voorziening slechts geldt onder de voorwaarde dat de periodiek
verschuldigde huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan;
4.3.
bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van maximaal zes maanden met ingang van 20 mei 2026;
4.4.
bepaalt dat de voorziening in elk geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken, dan wel dat een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;
4.5.
bepaalt dat de schuldhulpverlener, die namens [verzoeker] en [verzoekster] de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b lid 6 Fw.
Dit is de beslissing van mr. P.J. Neijt, rechter, in samenwerking met J. Kronenberg LL.M., griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.

Voetnoten

1.Rb. Noord-Holland 23 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:518 en Hof Amsterdam 24 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:426.