ECLI:NL:RBMNE:2026:3105

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
25/6427
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit handhaving wegens ontbreken nieuw besluit na herroeping

Eiseres diende een handhavingsverzoek in tegen diverse overtredingen, waaronder de opslag van bedrijfsafval en goederen buiten containers en omheiningen. Het college wees dit verzoek aanvankelijk af bij het primaire besluit van 14 april 2025. Na bezwaar verklaarde het college het primaire besluit herroepen en kondigde een handhavingstraject aan, maar nam geen nieuw besluit.

Eiseres stelde dat het college niet volledig op haar aanvraag had beslist en dat het bestreden besluit in strijd was met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat het primaire besluit wel een besluit vormde dat het verbeuren van de dwangsom stuitte, maar dat het bestreden besluit niet voldeed aan artikel 7:11 Awb Pro omdat het college ten onrechte volstond met een aankondiging van een handhavingstraject zonder een nieuw besluit te nemen.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het college op binnen vier weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd een dwangsom verbonden aan het niet tijdig nemen van dit besluit en werd het griffierecht aan eiseres vergoed. De rechtbank gaf het college ook de suggestie om een apart besluit te nemen over de overtreding van de Afvalstoffenverordening vanwege de rechtsgang bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het college moet binnen vier weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6427
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder,

(gemachtigde: C. Rietveld).

Zitting

De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) van het college van 1 oktober 2025 op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiseres was samen met haar partner ( [A] ) daarbij aanwezig. Namens het college is haar gemachtigde verschenen. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan, waarbij is gewezen op de mogelijkheid om daartegen in hoger beroep te gaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 1 oktober 2025;
  • draagt verweerder op binnen
  • verbindt aan het nemen van dit nieuwe besluit een dwangsom van € 100,- per dag voor elke dag dat verweerder na deze vier weken zou beslissen met een maximum van € 5.000,-;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.

Inleiding

1. Bij besluit van 14 april 2025 (het primaire besluit) heeft het college het verzoek van eiseres om handhavend op te treden afgewezen. Eiseres heeft tegen de volgende overtredingen een handhavingsverzoek ingediend:
de opslag van (bedrijfs-)afval buiten gesloten containers
de opslag van (bedrijfs-)afval buiten de omheining
de opslag van bedrijfsgoederen (lege statiegeldflessen, bierfusten) op gronden met de bestemming [locatie]
overtreding van de Afvalstoffenverordening (afval zichtbaar vanaf de openbare weg)
2. Bij besluit van 28 april 2025 heeft verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100 toegekend wegens niet tijdig beslissen.
3. Bij besluit van 1 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Het college heeft daarbij het besluit van 14 april 2025 herroepen en aangegeven dat een handhavingstraject is opgestart en een waarschuwing is gestuurd.
4. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Beoordeling door de rechtbank

5. Eiseres voert primair aan dat er geen sprake is van een besluit op haar aanvraag. Subsidiair stelt zij dat er niet volledig op haar aanvraag is beslist, want het college is niet ingegaan op de overtredingen waarvan eiseres om handhaving heeft verzocht. Op de zitting heeft eiseres verder aangevoerd dat als de rechtbank zou oordelen dat met het primaire besluit wel op haar aanvraag is beslist, dit besluit het verbeuren van de dwangsom wegens niet tijdig beslissen niet heeft gestuit. Dit omdat niet volledig op haar aanvraag is beslist. Dit maakt volgens eiseres ook dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en om die reden vernietigt moet worden.
6. Het college stelt zich op het standpunt dat er met het primaire besluit wel op de aanvraag van eiseres is beslist en daarmee wel degelijk het verbeuren van de dwangsom is gestuit. Daarbij heeft het college erkend dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Het college heeft kenbaar gemaakt bereid te zijn om het gebrek herstellen.
7. De rechtbank is van oordeel dat met het primaire besluit van 14 april 2025 wel een besluit is genomen op de aanvraag van eiseres waardoor het verbeuren van de dwangsom is gestuit. Het college heeft de hoogte van de dwangsom terecht vastgesteld op € 777,-.
8. Ten aanzien van het bestreden besluit is de rechtbank van oordeel dat het in strijd is genomen met artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ter zitting heeft het college verklaard dat er geen op schrift vastgelegde handhavingsstrategie is. In ieder geval bestaat er geen duidelijk stappenplan, waarin als vaste gedragslijn is opgenomen dat een handhavingstraject altijd wordt opgestart met een waarschuwingsbrief. Gelet op vaste rechtspraak [1] had vanwege het ontbreken daarvan in dit geval niet eerst een waarschuwingsbrief gestuurd mogen worden. Op grond van artikel 7:11 van Pro de Awb had het college bij het herroepen van het primaire besluit (waarmee het handhavingsverzoek van eiseres werd afgewezen), daar direct een nieuw besluit voor in de plaats moeten nemen. De rechtbank is dus van oordeel dat het college bij het bestreden besluit ten onrechte heeft volstaan met een aankondiging van het opstarten van een handhavingstraject. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Het college zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van het vorenstaande. Bij het nemen van een besluit over het handhavingsverzoek van eiseres zal het college ook een standpunt moeten innemen over de vraag in hoeverre de opslag van statiegeldflessen, bierfusten, frituurvet en stoelen een overtreding zijn en ook daartegen moet worden opgetreden. Voor zover het handhavingsverzoek zich richt op de overtreding van de Afvalstoffenverordening, geeft de rechtbank het college de suggestie mee om hierover in een apart besluit een standpunt in te nemen vanwege de omstandigheid dat tegen handhavingsbesluiten over die verordening rechtstreeks in eerste en enige aanleg beroep openstaat bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9. Het beroep is gegrond. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, in aanwezigheid van mr. C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “
Formulieren en inloggen (https://mijn.rechtspraak.nl/keuze)” op
www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Raad van State, 25 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ5943 en Raad van State, 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1710.