Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3194

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/768
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 25 lid 9 Wet WIAArt. 65 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever

Eiseres, werkgever van een werkneemster die zich in 2022 ziek meldde, kreeg van het UWV een loonsanctie opgelegd omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht. De werkneemster had een uitkering aangevraagd op grond van de Wet WIA, maar het UWV besloot de aanvraag niet te behandelen vanwege het ontbreken van een bevredigend re-integratieresultaat.

De rechtbank oordeelt dat eiseres het arbeidsconflict en de verstoorde arbeidsverhouding onvoldoende heeft aangepakt, ondanks signalen van de werkneemster over een slechte werksfeer en pestgedrag. Eiseres had meer moeten doen, zoals het onderzoeken van herplaatsing in een ander filiaal, om het herstel van de werkneemster te bevorderen.

Verder concludeert de rechtbank dat eiseres re-integratiekansen in het eerste spoor heeft gemist en onvoldoende heeft onderzocht waarom werkneemster niet in een ander filiaal kon re-integreren. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel faalt, omdat er geen concrete toezegging was en het hoor- en wederhoor-principe is toegepast.

De rechtbank bevestigt dat de werkgever verantwoordelijk is voor de re-integratie en dat er geen deugdelijke grond is om de loonsanctie te vernietigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de loonsanctie blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de loonsanctie wordt ongegrond verklaard en de loonsanctie blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/768

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., statutair gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.I. van den Heuvel-Boonstra),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv),verweerder
(gemachtigde: mr. B.E. de Leng).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [plaats] (werkneemster)
(gemachtigde: mr. M. Hille Ris Lambers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht de loondoorbetalingsverplichting van eiseres voor het loon van werkneemster met 52 weken heeft verlengd.
2. Het Uwv heeft met een besluit van 26 juni 2024 (
het primaire besluit) bepaald dat eiseres niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen en dat zij het loon van werkneemster tot 28 juni 2025 moet doorbetalen (de loonsanctie).
3. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.
4. Met het besluit van 8 oktober 2024 (
het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en heeft daarbij een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 23 mei 2025 overgelegd.
6. De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor de behandeling van het beroep op een zitting van 28 januari 2026.
7. Op 22 januari 2026 heeft eiseres gevraagd om een uitspraak zonder dat een zitting hoeft te worden gehouden. Het Uwv heeft hiermee ingestemd. De rechtbank heeft een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Wat aan deze procedure voorafging
8. Werkneemster was vanaf 2016 in dienst bij eiseres en werkte als [functie] voor 27,5 uur per week. Zij heeft zich op 2 juli 2022 voor haar werk ziekgemeld.
Op 12 april 2024 heeft werkneemster bij het Uwv een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met daarbij gevoegd het re-integratieverslag.
9. Na beoordeling van het re-integratieverslag heeft het Uwv aan eiseres de loonsanctie opgelegd en besloten de aanvraag van werkneemster niet te behandelen. Aan dit besluit ligt een rapport van de arbeidsdeskundige van 25 juni 2024 ten grondslag. Deze heeft vastgesteld dat er geen bevredigend re-integratie resultaat is en heeft de re-integratie-inspanningen van eiseres als onvoldoende beoordeeld en daarbij een aantal tekortkomingen geconstateerd. Zo heeft eiseres het verkeerde aan re-integratie gedaan door concrete herplaatsingskansen in spoor 1 voorbij te laten gaan. Daarnaast heeft eiseres het ontstane arbeidsconflict niet afdoende aangepakt. Voor deze tekortkomingen bestaat geen deugdelijke grond. De tekortkomingen kunnen wel worden hersteld.
10. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft deze conclusie in bezwaar bevestigd in haar rapport van 27 september 2024. Zij heeft daarvoor dossieronderzoek verricht en gesprekken gevoerd met zowel eiseres als werkneemster. Op basis van deze conclusie heeft het Uwv het bestreden besluit genomen.
Beoordelingskader
11.1
In de Wet WIA is bepaald dat het Uwv achteraf beoordeelt of een werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. [2] Als een werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht dan legt het Uwv een loonsanctie op. [3] Een loonsanctie is een belastend besluit. Het is daarom eerst aan het Uwv om aannemelijk te maken dat de werkgever niet aan deze verplichting heeft voldaan en dat dit zonder geldige reden (deugdelijke grond) is gebeurd.
11.2
In de Wet WIA is niet bepaald hoe beoordeeld wordt of de re-integratie-inspanningen voldoende zijn geweest. Het Uwv heeft voor deze beoordeling beleidsregels, die zijn neergelegd in de Regeling beleidsregels beoordelingskader poortwachter en de daarbij behorende bijlage (Beleidsregels), vastgesteld. [4] Verder hanteert het Uwv een werkwijzer voor arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen van het Uwv, de Werkwijzer Poortwachter. [5]
11.3
Het re-integratieverslag vormt het uitgangspunt bij de toetsing van de re-integratie-inspanningen van een werkgever. Een werkgever dient in het re-integratieverslag inzichtelijk te maken en met relevante stukken te onderbouwen welke re-integratie-inspanningen hij heeft verricht. Op basis van de inhoud van het re-integratieverslag beoordeelt het Uwv of werkgever en werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. [6]
Het oordeel van de rechtbank
12. Vast staat dat de re-integratie-inspanningen van eiseres niet tot een bevredigend re-integratieresultaat hebben geleid. Immers werkneemster was op 26 juni 2024 niet aan het werk, terwijl zij wel arbeidsmogelijkheden had.
13. De rechtbank moet daarom de vraag beantwoorden of het Uwv terecht heeft besloten dat eiseres het loon moet doorbetalen tot 28 juni 2025 omdat eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie inspanningen heeft verricht en re-integratiekansen heeft gemist.
14. De rechtbank beantwoordt deze vraag met ‘ja’. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onvoldoende re-integratie inspanningen: onvoldoende aanpak verstoorde arbeidsverhouding
15. Eiseres stelt dat de werkneemster zich had ziekgemeld vanwege psychische redenen en niet vanwege de werksfeer. De bedrijfsarts had weliswaar geconstateerd dat er na verloop van de tijd in 2023 arbeidsgerelateerde kwesties speelden, maar deze waren in oktober 2023 opgelost. Eiseres verwijst daarvoor naar wat de bedrijfsarts in de periodieke evaluatie van 12 juli 2024 heeft genoteerd, naar het arbeidsdeskundig re-integratieonderzoek van de arbeidsdeskundige van ArboNed van 7 november 2023 en naar de diverse Whatsapp-berichten uit februari 2024 tussen eiseres en werkneemster. Volgens eiseres heeft het Uwv zich voor zijn standpunt dat het arbeidsconflict niet was opgelost, gebaseerd op latere berichten van de werkneemster, zonder dit bij eiseres na te gaan. Daarbij komt dat de bedrijfsarts de optie van mediation pas na de re-integratieverslag toets heeft voorgehouden en mediation geen vereiste is voor het oplossen van (vermeende) conflicten. Ook wijst eiseres op de eigen verantwoordelijkheid van de werkneemster voor haar re-integratie en dat werkneemster zelf ook had kunnen vragen om een oplossing van de verstoorde arbeidsrelatie.
16.1
De rechtbank maakt uit het dossier op dat aanvankelijk eiseres op de eerste melding van de bedrijfsarts op 31 mei 2023 over de verstoorde arbeidsrelatie goed heeft gereageerd door in juni 2023 een gesprek te hebben met werkneemster. Daarvan is ook een verslag gemaakt. Na een gedeeltelijke hervatting van het werk is werkneemster in december 2023 weer volledig uitgevallen als gevolg van verstoringen in de arbeidsrelatie. Daarop is in januari 2024 een gesprek gevoerd, zijn afspraken gemaakt die ook zijn vastgelegd.
De rechtbank kan de conclusie van het Uwv volgen dat nadien nergens is gemeld dat de verstoringen in de arbeidsrelatie daadwerkelijk zijn opgelost. Uit alles blijkt dat voor werkneemster de spanning in de arbeidsrelatie aanwezig bleef en belemmerend heeft gewerkt op haar herstel. Zo is dat onder meer op te maken uit de rapporten van de bedrijfsarts van 28 maart 2024 en 5 april 2024 en de berichten van werkneemster uit maart 2024 (bijvoorbeeld de email van werkneemster van 6 maart 2024), waaronder ook haar verzoek om mediation. Nergens blijkt uit dat het sinds 2022 bestaande conflict - zoals ook is op te maken uit de informatie van de huisarts van 3 april 2024 - naar tevredenheid van werkneemster zou zijn opgelost. Daarna heeft zij immers nog verschillende meldingen gedaan over pestgedrag en roddelen en de invloed van haar meldingen op de werksfeer.
16.2
De rechtbank kan ook de conclusie van het Uwv volgen dat de vele signalen die werkneemster had gegeven over de door haar ervaren slechte werksfeer bij eiseres ertoe hadden moeten leiden dat zij in het kader van goed werkgeverschap zou zorgen voor een werksituatie die juist moet bijdragen aan herstel. Daarbij was mediation een optie geweest, maar geen verplichting. Juist ook in het geval dat het persoonlijke karakter van werkneemster mee zou spelen met de door haar eenzijdig ervaren conflicten, had van eiseres als werkgever verwacht mogen worden dat zij alle mogelijkheden zou onderzoeken om tot een oplossing te komen van de verstoorde arbeidsverhouding. Het gegeven dat eiseres van mening was dat het arbeidsconflict was opgelost doet daaraan niet af. Immers, als de werknemer een conflict ervaart, dan ís er sprake van een arbeidsconflict. Bovendien is het de taak van de werkgever gedurende de re-integratieperiode om ervoor te zorgen dat een werknemer weer aan het werk komt. Eiseres had bijvoorbeeld de mogelijkheid om werkneemster in een andere setting (bijvoorbeeld in een ander filiaal) in het bedrijf te plaatsen om daarmee de contacten met collega’s met wie werkneemster conflicten ervoer te voorkomen. Op die manier had eiseres alles in het werk kunnen stellen om het re-integratieresultaat te bereiken dat werkneemster weer kan functioneren binnen het bedrijf.
Onvoldoende re-integratie inspanningen: missen van re-integratiekansen
17. Eiseres betwist verder dat zij mogelijkheden in het 1e spoor heeft laten liggen. De psychische problematiek en de ups en downs in de belasting van werkneemster maakten de re-integratietaak bijzonder lastig. Werkneemster was tot begin 2023 volledig arbeidsongeschikt voor zowel eigen alsook aangepaste werkzaamheden. Zij heeft wel re-integratie werkzaamheden verricht tot mei 2023, maar daarna is zij opnieuw volledig uitgevallen en kon de re-integratie pas vanaf oktober 2023 opnieuw starten in enigszins aangepaste taken met een geleidelijke opbouw tot 60% loonwaarde. In maart 2024 is werkneemster opnieuw uitgevallen vanwege nieuw ontstane beperkingen en op het moment van de re-integratieverslag toets in juni 2024 waren er nog geen mogelijkheden. De wens om in een ander filiaal te re-integreren is niet door werkneemster uitgesproken. Zij wilde juist re-integreren in het eigen filiaal in [plaats] .
18.1
Naar het oordeel van de rechtbank is ook de conclusie dat re-integratiekansen door eiseres zijn gemist voldoende inzichtelijk onderbouwd. Het gaat hierbij om re-integratie in spoor 1. Het al dan niet hebben verricht van (on)voldoende inspanningen in het 2e spoortraject ligt niet ten grondslag aan het bestreden besluit, dus daar zal de rechtbank verder niet op ingaan.
18.2
De conclusie van het Uwv dat door eiseres onvoldoende is onderzocht waarom werkneemster in géén enkel ander filiaal had kunnen re-integreren kan de rechtbank goed volgen. Het standpunt van eiseres dat de medische beperkingen van werkneemster het werken in een ander filiaal lastig zouden maken is onderbouwd weerlegd door het Uwv. De beperkingen van werkneemster werden immers nu in stand gehouden en haar re-integratie belemmerd door de herhaaldelijke conflicten, roddelen en belachelijk maken. De uitval van werkneemster herhaalde zich steeds omdat de situatie op die specifieke locatie van het werk dus niet veranderde. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep verwijst in dat verband ook naar de constatering van de bedrijfsarts dat de complexiteit en de duur van de arbeidsgerelateerde problemen juist belemmerend hebben gewerkt voor het herstel van werkneemster. Re-integratie in een ander filiaal had herstelbevorderend kunnen werken. Niet gebleken is dat er binnen de organisatie van eiseres in geen enkel ander van de in totaal 18 winkelfilialen herplaatsingsmogelijkheden bestonden.
Dat werkneemster volgens eiseres niet in een ander filiaal wilde re-integreren doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van eiseres als werkgever om het herstel te bevorderen door mogelijkheden te onderzoeken om werkneemster in een andere setting oftewel in een ander filiaal te plaatsen. Daar waren immers geen contacten met collega’s met wie zij conflicten ervoer.
Geen schending vertrouwensbeginsel
19. Eiseres voert ook aan dat de mailwisseling tussen de HR-manager en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de indruk heeft gewekt dat de loonsanctie zou worden ingetrokken. Zij stelt dat kennelijk vanwege - voor eiseres onbekende - informatie van werkneemster de intrekking van de loonsanctie niet is doorgegaan.
20. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat er een concrete ondubbelzinnige toezegging is gedaan door het bestuursorgaan. Daarvan is in dit geval niet gebleken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zou immers (mogelijk) een advies uitbrengen over het intrekken van de loonsanctie, maar dit betreft nog niet een besluit. Bovendien heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onweersproken gesteld dat zij een voorbehoud heeft gemaakt en daarbij had aangegeven dat het dossier nog intern zou worden besproken en getoetst worden door de staf. Het (mogelijk) uitbrengen van een advies betekent dus niet dat er sprake is van een concrete toezegging van een bestuursorgaan.
Geen schending motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
21. Eiseres vindt dat alleen maar is afgegaan op het eenzijdige verhaal van werkneemster zonder daarvoor bewijs te hebben gevraagd en zonder navraag bij eiseres te doen. Het bestreden besluit is daarom volgens eiseres gebaseerd op een onvolledig, eenzijdig en onvoldoende getoetst feitensubstraat waarbij het principe van hoor- en wederhoor niet althans onvoldoende is toegepast.
22. Uit het dossier blijkt dat eiseres wel beschikt over alle stukken die het Uwv in de beoordeling heeft betrokken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft zich gebaseerd op de in het dossier beschikbare feitelijke informatie, heeft uitgebreid onderzoek gedaan en heeft daarbij de oordelen van de bedrijfsarts betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is goed onderbouwd en inzichtelijk gemaakt wat de tekortkomingen in de re-integratie zijn, waarom een loondoorbetalingsplicht is opgelegd en hoe eiseres de tekortkomingen kan herstellen. De rechtbank is niet gebleken dat de toelichting in het bestreden besluit dat de vanaf 16 september 2024 ingediende stukken van werkneemster niet van doorslaggevende invloed zijn geweest, niet juist zou zijn. Bovendien betrof dit correspondentie richting eiseres, dus was deze informatie al bij eiseres bekend.
Geen deugdelijke grond
23. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de werkgever verantwoordelijk is voor de re-integratie, inclusief de door hem ingeschakelde deskundigen. [7] Dat betekent dat eiseres verantwoordelijk is voor de re-integratie, inclusief de advisering van en begeleiding door de door haar ingeschakelde bedrijfsarts. [8]
Uit het voorgaande blijkt dat eiseres niet voldoende re-integratie inspanningen heeft verricht. Dat rechtvaardigt in beginsel dat een loonsanctie wordt opgelegd. Dit is alleen anders als er sprake is van een deugdelijke grond. Daarvan is de rechtbank niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

24. De rechtbank onderschrijft het standpunt van het Uwv dat eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie activiteiten heeft verricht door de arbeidsgerelateerde problematiek onvoldoende te hebben aangepakt. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aan eiseres opgelegde loonsanctie in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzitter, en mr. M.W.A. Schimmel en mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, leden, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 65 van Pro de Wet WIA.
3.Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.
4.Besluit van 3 december 2002, Stcrt.2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224.
5.Werkwijzer Poortwachter, versie 1 juli 2021, 1 mei 2020 en 1 december 2018.
6.Dit volgt uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels.
7.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2216. Dat deze lijn nog steeds wordt gevolgd blijkt uit de uitspraak van de CRvB van 21 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:95.
8.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 22 oktober 2025, ECLI:CRVB:1583.