ECLI:NL:CRVB:2026:95

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
25/1276 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 Wet WIAArt. 65 Wet WIAArt. 629 Boek 7 BWArt. 76a Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep bevestigt loonsanctie tegen werkgever wegens onvoldoende re-integratie

De zaak betreft een hoger beroep van het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant die een loonsanctie tegen [naam B.V.] vernietigde. De werkgever had onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht voor een werknemer die sinds maart 2021 ziek was gemeld. Het UWV legde daarom een loonsanctie op, die de rechtbank onterecht vond omdat zij een nuancering aanbracht op de 'voor rekening en risico'-benadering bij beoordeling van medisch advies van de bedrijfsarts.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank een onjuiste toets heeft toegepast door af te wijken van de vaste jurisprudentie waarin het risico van onjuist medisch advies bij de werkgever ligt. De Raad bevestigt dat het UWV terecht de loonsanctie oplegde omdat de bedrijfsarts niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de belastbaarheid van de werknemer kon komen, mede gezien de medische informatie en het ontbreken van een plausibele verklaring voor de beperkingen.

De Raad benadrukt het belang van adequate re-integratie voor de werknemer en wijst op de wetsgeschiedenis die de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het medisch advies bij de werkgever legt. Het voorgenomen wetsvoorstel om het medisch advies leidend te maken wordt niet als reden gezien om de huidige jurisprudentie te wijzigen. De loonsanctie blijft daarom in stand en het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: De loonsanctie tegen de werkgever wordt bevestigd omdat de bedrijfsarts niet in redelijkheid tot zijn oordeel kon komen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 mei 2025, 23/2829 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[naam B.V.] te [vestigingsplaats] ([naam B.V.])
Datum uitspraak: 21 januari 2026

SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat over de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv geen loonsanctie mocht opleggen, omdat van [naam B.V.] in redelijkheid niet kon worden gevergd om het advies van haar bedrijfsarts in twijfel te trekken. Het hoger beroep van het Uwv slaagt. De Raad oordeelt dat de rechtbank een onjuiste toets heeft aangelegd door de ‘voor rekening en risico’-benadering niet te volgen en dat het Uwv terecht een loonsanctie heeft opgelegd.

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Namens [naam B.V.] heeft mr. S.J. Heijtlager, advocaat, een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 december 2025. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. R. Spanjer en mr. M.H. Beersma. Voor [naam B.V.] is mr. Heijtlager en [naam directeur], directeur HRM, verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
[naam werknemer] (werknemer) was werkzaam bij [naam B.V.], laatstelijk als [naam functie] voor 38 uur per week. Op 10 maart 2021 heeft werknemer zich ziekgemeld met lichamelijke klachten. Op 12 december 2022 heeft werknemer een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. De verzekeringsarts heeft op 13 februari 2023 een rapport opgemaakt, en heeft na telefonisch contact met de bedrijfsarts op 20 februari 2023 nader gerapporteerd. Een arbeidsdeskundige heeft op 28 februari 2023 het re-integratieverslag beoordeeld. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat de re-integratie-inspanningen van [naam B.V.] onvoldoende zijn geweest en dat er geen deugdelijke grond is voor dit verzuim. Met een besluit van 3 maart 2023 heeft het Uwv aan [naam B.V.] een loonsanctie opgelegd. [naam B.V.] moet het loon aan werknemer doorbetalen tot 6 maart 2024.
1.2.
Bij besluit van 21 september 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door [naam B.V.] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 3 maart 2023 herroepen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de loonsanctie ten onrechte opgelegd.
2.1.
De rechtbank is daarbij eerst ingegaan op de rechtspraak van de Raad in loonsanctiezaken, waarbij bij de boordeling van de re-integratie-inspanningen van de werkgever (de zogeheten ‘RIV-toets’) onjuist medisch handelen van de bedrijfsarts voor rekening en risico van de werkgever komt (de zogeheten ‘voor rekening en risico’benadering). Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 11 februari 2022 [1] en op grond van een drietal met elkaar samenhangende redenen, heeft de rechtbank overwogen dat, ondanks de uitspraak van de Raad van 23 november 2023, [2] waarin de Raad de ‘voor rekening en risico’-benadering heeft bevestigd, zij blijft vasthouden aan de nuancering die in de uitspraak van 11 februari 2022 op deze benadering is aangebracht.
2.2.
De rechtbank wijst er allereerst op dat de regering op 28 januari 2025 aan de Tweede (en Eerste) Kamer een advies van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS) heeft gestuurd, waarin is geadviseerd dat het Uwv bij de toetsing van het re-integratieverslag mag uitgaan van vertrouwen in het werk van de bedrijfsarts. [3] Daardoor vervalt één van de grondslagen voor de loonsanctie. Ten tweede heeft de rechtbank gewezen op de conclusie van raadsheer advocaat-generaal prof. mr. dr. R.H. de Bock van 10 november 2023, [4] waarin zij (onder andere) erop wijst dat er geen steekhoudend argument is voor de rechter om tot in lengte van jaren vast te houden aan wat er eertijds in de wetsgeschiedenis is overwogen en dat nieuwe ontwikkelingen of gewijzigde maatschappelijke inzichten op enig moment een andere interpretatie kunnen rechtvaardigen. De rechtbank ziet hierin voldoende aanleiding om de interpretatie van het begrip ‘in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen’ uit artikel 65 van Pro de wet WIA uit de wetsgeschiedenis van ruim twintig jaar geleden los te laten. Volgens de rechtbank past het niet bij recente ontwikkelingen in het bestuursrecht dat de overheid zich er slechts van hoeft te vergewissen dat een deskundigenadvies dat aan haar besluitvorming ten grondslag ligt, zorgvuldig tot stand is gekomen terwijl de burger (of een bedrijf) in zo’n geval risico-aansprakelijk is voor de inhoud daarvan. Met de nuancering op de ‘voor rekening en risico’-rechtspraak wil de rechtbank bij deze veranderde maatschappelijke ontwikkelingen aansluiten. Ten derde acht de rechtbank de mogelijkheid om de bedrijfsarts civielrechtelijk aansprakelijk te stellen, indien een loonsanctie wordt opgelegd als gevolg van een onjuist advies van de bedrijfsarts, in het licht van de door de rechtbank geschetste ontwikkelingen niet (langer) passend.
2.3.
Dit betekent dat de rechtbank bij de vraag of de loonsanctie terecht aan [naam B.V.] is opgelegd, heeft getoetst of van [naam B.V.] in redelijkheid niet kon worden gevergd om het advies van haar bedrijfsarts in twijfel te trekken. De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat het niet in redelijkheid van [naam B.V.] kon worden gevergd om het advies van haar bedrijfsarts in twijfel te trekken en dat, omdat de door [naam B.V.] verrichte re-integratie-inspanningen in voldoende mate waren afgestemd op dat advies, [naam B.V.] in redelijkheid heeft kunnen komen tot die re-integratie-inspanningen.
Het standpunt van het Uwv
3. Het Uwv is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het Uwv betwist dat de maatschappelijke opvattingen sinds de uitspraak van 23 november 2023 van de Raad zodanig zijn gewijzigd dat bij de beoordeling van de re-integratieactiviteiten niet meer uitgegaan zou mogen worden van het tot nog toe gehanteerde beoordelingskader. Wat betreft het advies van de OCTAS heeft het Uwv erop gewezen dat de rechtbank eraan voorbij lijkt te zijn gegaan dat dit advies onderdeel is van een breder pakket aan maatregelen en voorstellen, gericht op het hele stelsel van loondoorbetaling bij ziekte, re-integratie en het sociaal zekerheidsstelsel, waarbij bij OCTAS in het bijzonder aandacht was voor het tekort aan verzekeringsartsen bij het Uwv en de gevolgen die dat met zich meebrengt. Volgens het Uwv veronderstelt de rechtbank verder ten onrechte dat analoge toepassing van de bestuursrechtelijke vergewisplicht werkgevers zou ‘bevrijden’ van verdere toetsing van de inhoud van het medisch advies en eventuele nadelige consequenties, zoals een loonsanctie. Het Uwv heeft aangevoerd dat niet valt in te zien waarom de civielrechtelijke aansprakelijkheidstelling van een arbodienst niet langer als afdoende drukventiel kan dienen. De aspecten waar de rechtbank in dat verband naar verwijst zijn ook niet wezenlijk anders dan twintig jaar geleden. Tot slot heeft het Uwv opgemerkt dat de rechtbank weliswaar spreekt over burgerperspectief, maar dat de rechtbank in het geheel geen aandacht lijkt te hebben voor de positie van de zieke werknemer en dat ook de doelstelling van de Wet verbetering poortwachter uit het oog lijkt te zijn verloren.
Het standpunt van [naam B.V.]
4. [naam B.V.] heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. [naam B.V.] heeft daarbij gewezen op het voornemen van de demissionaire minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om het medisch advies van de bedrijfsarts bij de RIV-toets per 1 januari 2028 leidend te maken. [5]

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om het [naam B.V.] een loonsanctie op te leggen heeft vernietigd aan de hand van wat het Uwv in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
De Raad ziet aanleiding allereerst te oordelen over de beroepsgrond, dat de rechtbank een onjuiste toets heeft verricht door de ‘voor rekening en risico’-benadering niet te volgen.
5.2.
In zijn uitspraak van 23 november 2023 [6] heeft de Raad uiteengezet waarom er geen aanleiding is de ‘voor rekening en risico’-benadering bij loonsancties, zoals die in de rechtspraak van de Raad is neergelegd, niet langer te volgen. Hierbij is (kort gezegd) overwogen dat uit de wetsgeschiedenis expliciet blijkt dat de plicht tot re-integratie van de zieke werknemer ingevolge artikel 25, negende lid, van de Wet WIA op de werkgever rust en dat die verantwoordelijkheid tevens de verantwoordelijkheid impliceert voor de kwaliteit van de werkzaamheden van de door de werkgever ingeschakelde deskundigen. De wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de wetgever met de bewoordingen ‘in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht’ in artikel 65 van Pro de Wet WIA heeft beoogd de medisch-inhoudelijke aspecten van de re-integratie uit te sluiten van die verantwoordelijkheid. Dit blijkt ook uit het feit dat de wetgever, teneinde het medisch advies van de bedrijfsarts bij de toepassing van artikel 65 van Pro de Wet WIA leidend te maken, een wetsvoorstel tot wijziging van dat artikel nodig acht. De Raad heeft tot slot ook gewezen op het belang van werknemers bij een adequate re-integratie. In gevallen waarin de medische beoordeling door de bedrijfsarts inhoudelijk onjuist is en de re-integratie-inspanningen als gevolg daarvan onvoldoende zijn geweest, strekt een loonsanctie ertoe een adequate re-integratie – in het belang van de werknemer – alsnog te laten plaatsvinden.
5.3.
De Raad ziet in wat de rechtbank daarover in de aangevallen uitspraak heeft overwogen en in wat [naam B.V.] heeft aangevoerd, geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in de uitspraak van 23 november 2023 is neergelegd. De Raad volgt het betoog dat het Uwv in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd. De Raad voegt daar het volgende aan toe.
5.4.
Bij de RIV-toets staat tegenover het belang van de werkgever, dat zijn loonbetalings- en re-integratieverplichting na afloop van het tweede ziektejaar eindigt, het belang van de werknemer dat de re-integratie in het derde ziektejaar wordt voortgezet als de re-integratie-inspanningen van de werkgever in de eerste twee ziektejaren onvoldoende waren. Daarbij heeft een loonsanctie voor de zieke werknemer niet alleen gevolgen voor zijn re-integratie in het derde ziektejaar, maar raakt dit ook zijn rechtspositie waar het betreft zijn ontslag- en inkomensbescherming.
5.5.
In de door de rechtbank voorgestane nuancering van de ‘voor rekening en risico’benadering is bepalend of van de werkgever in redelijkheid kon worden gevergd het advies van de door hem ingeschakelde bedrijfsarts in twijfel te trekken. Deze ‘vergewis’toets dient zich volgens de rechtbank te beperken tot de vraag of het advies van de bedrijfsarts zorgvuldig tot stand is gekomen. In zijn uitspraak van 23 november 2023 heeft de Raad vastgesteld dat hiermee het medisch inhoudelijke advies van de bedrijfsarts in feite leidend wordt bij de RIV-toets: een zorgvuldig tot stand gekomen – maar inhoudelijk onjuist – advies van de bedrijfsarts komt niet langer voor rekening en risico van de werkgever en een loonsanctie zal in dat geval niet meer kunnen worden opgelegd. Daarmee komt een inhoudelijk onjuist advies van de bedrijfsarts voor rekening en risico van de werknemer. Anders dan de rechtbank meent, houdt de ‘vergewis’-toets op dit punt dan ook geen ‘nuancering’ in van de ‘voor rekening en risico’-benadering, maar wordt hiermee het risico van een onjuist medisch advies van een door de werkgever ingeschakelde bedrijfsarts verlegd van werkgever naar werknemer. Onder 5.2 is uiteengezet dat uit de artikelen 25, negende lid, en 65 van de Wet WIA voortvloeit dat dit risico op de werkgever rust en dat dit blijkens de wetsgeschiedenis een bewuste keuze van de wetgever is geweest. Het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om deze risicoverdeling ten nadele van werknemers te wijzigen.
5.6.
Dat de (demissionaire) minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inmiddels voornemens is het medisch advies van de bedrijfsarts bij de RIV-toets leidend te maken, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Tegen dit conceptwetsvoorstel, [7] waarvan de internetconsultatie liep van 20 oktober 2025 tot en met 17 november 2025 en waarvan de inwerkingtreding eerst per 1 januari 2028 wordt beoogd, zijn door de gezamenlijke werknemersorganisaties FNV, CNV en VCP en ook door de Centrale Cliëntenraad van het Uwv ernstige bedenkingen aangevoerd omdat het wetsvoorstel volgens hen fundamenteel raakt aan de rechtspositie van werknemers. Van gewijzigde maatschappelijke inzichten zoals in de uitspraak van de Raad van 18 april 2024, [8] is naar het oordeel van de Raad bij de RIV-toets dan ook vooralsnog geen sprake. Uit de (concept-)memorie van toelichting bij het wetsvoorstel blijkt bovendien dat het leidend maken van het advies van de bedrijfsarts niet op zichzelf staat, maar dat in aanloop tot de beoogde datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel voorzien wordt in het treffen van diverse flankerende maatregelen om de kwaliteit van het poortwachtersproces te verbeteren.
5.7.
Gelet op het voorgaande zal de Raad het bestreden besluit beoordelen aan de hand van het in zijn uitspraak van 23 november 2023 uiteengezette toetsingskader. Voor wat betreft de toets van het sociaal medisch handelen van de bedrijfsarts is in die uitspraak door de Raad benadrukt dat de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van een werkgever geen claimbeoordeling is en de bedrijfsarts bij de RIV-toets een professionele marge dient te worden gegund. De verzekeringsarts dient te toetsen of de bedrijfsarts op basis van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden in redelijkheid tot zijn sociaal medische handelwijze of zijn oordeel over de belastbaarheid van de werknemer heeft kunnen komen. Het enkele feit dat de verzekeringsarts achteraf oordelend in sociaal-medisch opzicht zelf anders zou hebben gehandeld of tot een afwijkende inschatting van de belastbaarheid komt, is in dit verband onvoldoende om te kunnen komen tot de conclusie dat de bedrijfsarts de hem toekomende professionele marge heeft overschreden en daarmee sprake is van een tekortkoming in het sociaal medisch handelen van de bedrijfsarts.
5.8.
In het geval van [naam B.V.] heeft de primaire verzekeringsarts vastgesteld dat de bedrijfsarts in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 februari 2022 en in het Actueel Oordeel van 22 november 2022 is uitgegaan van forse beperkingen voor gebruik van de hand bij de werknemer, terwijl uit de aanwezige medische informatie niet blijkt van relevante afwijkingen. Dit geldt ook voor de door de bedrijfsarts aangenomen beperking voor werken met toetsenbord en muis (ongeveer een uur over de hele werkdag), waardoor het eigen werk voor de werknemer niet passend was (te maken). In een telefoongesprek op 20 februari 2023 heeft de verzekeringsarts van het Uwv aan de bedrijfsarts E. Peperkamp om een toelichting gevraagd naar deze beperkingen. De bedrijfsarts heeft verklaard dat hij het Actueel Oordeel heeft opgesteld, maar hij de werknemer niet zelf heeft begeleid en dit door iemand anders is gedaan. De aanwezige medische informatie verklaart volgens de bedrijfsarts de rugklachten van de werknemer, maar niet de handklachten. Bedrijfsarts Peperkamp heeft zelf geen neurologisch onderzoek van de handen gedaan en geeft aan dat eerder zijn collega wel afwijkingen in de fijne motoriek heeft gevonden, maar daarmee is volgens de bedrijfsarts geen verklaring gevonden voor de handklachten. De bedrijfsarts heeft in het telefoongesprek aangegeven dat hij denkt dat de minder goede relatie met de werkgever eigenlijk de belangrijkste belemmering is geweest. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben daaruit opgemaakt dat de door de bedrijfsarts aangenomen forse beperkingen aan de handen, die leidend zijn geweest bij de re-integratie van de werknemer, medisch niet plausibel zijn.
5.9.
De Raad constateert dat noch in bezwaar, noch in (hoger) beroep enige verklaring van de zijde van de arbodienst en/of bedrijfsarts door [naam B.V.] is ingebracht, die inzicht verschaft in de beweegredenen van de bedrijfsarts om – in weerwil van de aanwezige medische informatie – ten aanzien van het hand- en vingergebruik en het werken met toetsenbord en/of muis uit te gaan van de in de FML van 2 februari 2022 en het Actueel Oordeel van 22 november 2022 opgenomen (forse) beperkingen. Mede gelet op hetgeen de bedrijfsarts Peperkamp daarover op 20 februari 2023 aan de verzekeringsarts heeft verklaard, kan het Uwv gevolgd worden in zijn standpunt dat de bedrijfsarts – ook als daarbij de professionele marge in acht wordt genomen – in redelijkheid niet tot zijn oordeel over de belastbaarheid van de werknemer heeft kunnen komen. Dit komt voor rekening en risico van [naam B.V.].

Conclusie en gevolgen

5.10.
Het hoger beroep van het Uwv slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep van [naam B.V.] wordt alsnog ongegrond verklaard. Dit betekent dat de loonsanctie in stand blijft. Omdat de aangevallen uitspraak niet in stand blijft, wordt van het Uwv voor het ingestelde hoger beroep geen griffierecht geheven.
6. Omdat het hoger beroep van het Uwv slaagt krijgt [naam B.V.] geen vergoeding voor haar proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van B.F.C. Wiedenhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) B.F.C. Wiedenhof

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA
Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en Pro de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt Pro dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. De verlenging bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken. […]
Artikel 65 van Pro de Wet WIA
De aanvraag voor een uitkering op grond van deze wet gaat vergezeld van een reintegratieverslag als bedoeld in artikel 25, derde lid. De eerste zin is niet van toepassing voor zover artikel 26, eerste lid, toepassing vindt. Het UWV beoordeelt of de werkgever en de verzekerde […] in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht.

Voetnoten

1.Rb. Oost-Brabant 11 februari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:415.
2.CRvB 23 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2216.
3.Kamerstukken II, 2024/2025, 26 448, nr. 799, p. 16.
4.CRvB 10 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2086, overwegingen 15.16-15.21.
5.Brief van 11 juni 2025 van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Kamerstukken II 2024/2025, 26 448 nr. 846.
6.CRvB 23 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2216.
7.Conceptwetsvoorstel wijziging toets op de re-integratie-inspanningen en WIA-voorschotregeling
8.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.