ECLI:NL:CRVB:2026:95
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep bevestigt loonsanctie tegen werkgever wegens onvoldoende re-integratie
De zaak betreft een hoger beroep van het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant die een loonsanctie tegen [naam B.V.] vernietigde. De werkgever had onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht voor een werknemer die sinds maart 2021 ziek was gemeld. Het UWV legde daarom een loonsanctie op, die de rechtbank onterecht vond omdat zij een nuancering aanbracht op de 'voor rekening en risico'-benadering bij beoordeling van medisch advies van de bedrijfsarts.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank een onjuiste toets heeft toegepast door af te wijken van de vaste jurisprudentie waarin het risico van onjuist medisch advies bij de werkgever ligt. De Raad bevestigt dat het UWV terecht de loonsanctie oplegde omdat de bedrijfsarts niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de belastbaarheid van de werknemer kon komen, mede gezien de medische informatie en het ontbreken van een plausibele verklaring voor de beperkingen.
De Raad benadrukt het belang van adequate re-integratie voor de werknemer en wijst op de wetsgeschiedenis die de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het medisch advies bij de werkgever legt. Het voorgenomen wetsvoorstel om het medisch advies leidend te maken wordt niet als reden gezien om de huidige jurisprudentie te wijzigen. De loonsanctie blijft daarom in stand en het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De loonsanctie tegen de werkgever wordt bevestigd omdat de bedrijfsarts niet in redelijkheid tot zijn oordeel kon komen.