Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3430

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
16.015979-25 en 10.321647-25 (gevoegd ttz) (P)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46a SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen gewapende overval en veroordeling poging bedreiging met misdrijf tegen het leven

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 18 juni 2026 de zaak tegen een minderjarige verdachte die werd beschuldigd van medeplegen en medeplichtigheid aan een gewapende overval op een juwelier in Almere, alsmede van handelingen ter voorbereiding van moord, doodslag en het ter beschikking stellen van wapens en munitie.

De rechtbank oordeelde dat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op het gronddelict diefstal met geweld, waardoor hij werd vrijgesproken van medeplegen en medeplichtigheid aan de overval. Ook werd hij vrijgesproken van medeplegen van voorbereidingshandelingen voor moord en doodslag, omdat geen sprake was van voorbedachte rade of voorwaardelijk opzet op de dood van een bewoner.

Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte heeft geprobeerd een medeverdachte te bewegen om een woning te beschieten, met het oog op bedreiging met een misdrijf tegen het leven en/of zware mishandeling en/of beschadiging van een gebouw. Hiervoor werd hij veroordeeld tot een gedeeltelijk voorwaardelijke jeugddetentie van 118 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf in de vorm van een leerstraf Tools4U van 35 uur. De rechtbank wees vorderingen van benadeelden grotendeels af of verklaarde deze niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van medeplegen en medeplichtigheid aan overval, veroordeeld voor poging tot bedreiging met misdrijf tegen het leven met gedeeltelijk voorwaardelijke jeugddetentie en leerstraf.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16.015979-25 en 10.321647-25 (gevoegd ttz) (P)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 juni 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2009] in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] , [woonplaats] ,
hierna: [verdachte] .

1.Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 26 mei 2026. Het onderzoek is gesloten op 9 juni 2026.
Op de zitting op 26 mei 2026 waren aanwezig:
  • [verdachte] ;
  • de officier van justitie: mr. S.K. Lanning;
  • de advocaat van [verdachte] : mr. E.M.C. van Nielen (hierna: de advocaat);
  • de moeder van [verdachte] : [A] ;
  • een jeugdreclasseerder van Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: SAVE);
  • een medewerker van Slachtofferhulp Nederland namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] ;
  • de advocaat van de benadeelde partij [slachtoffer 2] : mr. N. Amine.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan, samengevat, dat:
parketnummer 16.015979-25
primair
hij op 14 januari 2025 in Almere samen met (een) ander(en) of alleen een gewapende overval heeft gepleegd op [juwelier] , waarbij (dummy)sieraden zijn gestolen en gebruik is gemaakt van (bedreiging met) geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] door met een bedekt gezicht naar voornoemde personen te lopen, te zeggen ‘handen omhoog’ en ‘overval’, een voorwerp (dat op een vuurwapen leek) te tonen en op voornoemde personen te richten en [slachtoffer 1] bij haar pols te pakken;
subsidiair
[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en/of (een) onbekend gebleven mededader(s) op 14 januari 2025 in Almere de onder primair omschreven gewapende overval hebben gepleegd, en [verdachte] daarbij opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid of middelen heeft verschaft, door bijeen te komen met voornoemde personen (terwijl de [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] instructies kregen), volgens instructies in de nabijheid van de plaats delict te wachten om de buit aan te nemen en daarmee weg te fietsen en/of (een) handschoen(en) aan [medeverdachte 2] te geven;
parketnummer 10.321647-25
feit 1 primair
hij in de periode van 14 tot en met 16 oktober 2025 in Rotterdam, Amsterdam en/of Almere samen met (een) ander(en) ter voorbereiding van de misdrijven moord, doodslag en/of het ter beschikking stellen en/of verhandelen van wapens en munitie, met opzet telefoons en/of een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad;
feit 1 subsidiair
hij in de periode van 14 tot en met 16 oktober 2025 in Rotterdam, Amsterdam en/of Almere samen met (een) ander(en) of alleen, heeft geprobeerd om [medeverdachte 4] te bewegen tot moord, doodslag of bedreiging van [slachtoffer 2] en/of het beschadigen van een gebouw van [slachtoffer 2] , door- een (groot) geldbedrag in het vooruitzicht te stellen;- “op osso bokken/schieten” en/of “moet echt gefilmd” te zeggen;- een (automatisch) vuurwapen met munitie te verstrekken en uit te leggen hoe dit vuurwapen moet worden gebruikt;- afbeeldingen en/of adresgegevens van (de woning van) [slachtoffer 2] te verstrekken;- (contactgegevens van) een taxi te verstrekken;
feit 2
hij op 16 oktober 2025 in Rotterdam, Amsterdam en/of Almere samen met (een) ander(en) of alleen een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, een UZI met kaliber 9x19 mm, en bijbehorende kogelpatronen met hetzelfde kaliber, voorhanden heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldigingen staat in bijlage 1 bij dit vonnis.
De rechtbank nummert de bij de dagvaardingen met de parketnummers 16.015979-25 en 10.321647-25 tenlastegelegde feiten respectievelijk als feit 1 (primair en subsidiair) en de feiten 2 (primair en subsidiair) en 3.
In de tekst van de beschuldiging van feit 2 subsidiair staat
“… het vernielen en/of beschadigen van een gebouw toebehorende aan die [slachtoffer 2] …”in plaats van
“… hetopzettelijk en wederrechtelijkvernielen en/of beschadigen van een gebouw toebehorende aan die [slachtoffer 2] ,althans aan een ander…”.
De rechtbank begrijpt dat de steller van de tenlastelegging heeft gedoeld op artikel 352 van Pro het Wetboek van Strafrecht en zal daarom de tekst van deze beschuldiging gecorrigeerd lezen, zoals hierboven weergegeven. Dit benadeelt [verdachte] niet.

3.Bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat [verdachte] de feiten 1 primair en 2 primair heeft gepleegd. De officier van justitie vindt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van feit 3.
3.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft bepleit [verdachte] vrij te spreken van feit 1 primair en subsidiair wegens het ontbreken van opzet op het gronddelict ‘diefstal met geweld’. Subsidiair heeft de advocaat bepleit om [verdachte] vrij te spreken van feit 1 primair omdat geen sprake is van medeplegen.
De advocaat heeft tevens bepleit [verdachte] vrij te spreken van feit 2 primair en subsidiair. Ten aanzien van feit 2 primair is aangevoerd dat geen sprake is geweest van opzet om iemand van het leven te beroven en dat [verdachte] bovendien niet als medepleger kan worden aangemerkt. Ten aanzien van feit 2 subsidiair is aangevoerd dat wettig en overtuigend bewijs voor een poging tot uitlokking ontbreekt.
Ten slotte is vrijspraak bepleit van feit 3, omdat uit niets blijkt dat [verdachte] wetenschap heeft gehad van het voorhanden hebben van een Uzi door medeverdachte [medeverdachte 4] .
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Feit 1 primair en subsidiair
Op grond van het dossier en hetgeen bij de behandeling op de zitting van 26 mei 2026 naar voren is gebracht, kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden vastgesteld.
Op 14 januari 2025 omstreeks 14.30 uur heeft een gewapende overval plaatsgevonden op [juwelier] aan het [straat] in Almere. In de winkel waren op dat moment twee medewerksters aanwezig. Twee jongens kwamen de winkel binnen en riepen ‘
overval’ en ‘
handen omhoog’. Een van de jongens bedreigde de beide medewerksters met een wapen (dat later een balletjespistool bleek te zijn dat sprekend lijkt op een echt vuurwapen), terwijl de andere jongen met een hamer vitrines kapotsloeg, sieraden wegnam en in een boodschappentas stopte. De jongens zijn daarna weggerend richting Almere Buiten. Daar hebben zij de tas overgedragen aan twee andere jongens die met een fatbike bij een tunneltje stonden te wachten. Die jongens zijn met de tas weggefietst. De politie was snel ter plaatse en heeft, na een achtervolging, de jongens op de fatbike klemgereden en aangehouden. In de tas bleek het grootste deel van de buit van de overval te zitten.
[verdachte] was een van de jongens die bij het tunneltje in Almere Buiten hebben staan wachten. Hij reed voorop de fatbike, met achterop medeverdachte [medeverdachte 5] die de boodschappentas in handen had, op het moment dat de fatbike werd klemgereden door een politieauto.
[verdachte] heeft bij de politie en op zitting verklaard dat hij op 13 januari 2025 op school was toen hem via Snapchat werd gevraagd of hij een tas wilde wegbrengen naar een bushalte. Hij is naar de opgegeven locatie gegaan, maar er gebeurde niets. De volgende dag, 14 januari 2025, werd dezelfde vraag opnieuw aan hem gesteld. [verdachte] heeft [medeverdachte 5] , die een fatbike bij zich had, gevraagd om mee te gaan en samen zijn zij naar de opgegeven locatie gefietst. [verdachte] zou een mooi bedrag krijgen voor het wegbrengen van de tas en tegen hem werd gezegd dat het niets geks was en dat hij er niet zomaar voor kon worden opgepakt. Het geld dat [verdachte] zou krijgen, zou hij met [medeverdachte 5] delen. [verdachte] begreep dat er iets zou gebeuren wat ‘verkeerd’ was, maar hij wist niet waar het om zou gaan en hij heeft er ook niet naar gevraagd. [verdachte] en [medeverdachte 5] hebben staan wachten bij een tunneltje. Bij een pleintje verderop stonden vier jongens; een van deze jongens kwam naar hen toe en zei dat een tas zou worden gebracht die door [verdachte] en [medeverdachte 5] naar de bushalte moest worden gebracht. [verdachte] heeft niet gevraagd om wat voor pakketje het ging. De jongen wilde een handschoen hebben en [verdachte] heeft deze aan hem gegeven. Even later kwamen twee jongens aanrennen met een boodschappentas die zij [medeverdachte 5] in handen hebben gedrukt. [verdachte] en [medeverdachte 5] zijn op de fatbike gesprongen en weggefietst en kort daarna werd de fatbike klemgereden door een politieauto en werden [verdachte] en [medeverdachte 5] aangehouden.
Aan [verdachte] is, kort gezegd, primair tenlastegelegd diefstal met geweld door twee of meer verenigde personen (het medeplegen van de gewapende overval) en subsidiair medeplichtigheid aan deze diefstal met geweld.
Voor een bewezenverklaring van diefstal met geweld door twee of meer verenigde personen geldt dat het opzet van de verdachte zowel op een nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededader(s) moet zijn gericht, als op verwezenlijking van het tenlastegelegde gronddelict, in dit geval de diefstal met geweld (ECLI:NL:HR:2026:43). Ook voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid van diefstal met geweld geldt dat dubbel opzet is vereist: niet alleen moet worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op het verschaffen van gelegenheid en middelen als bedoeld in artikel 48, aanhef en onder 2º van het Wetboek van Strafrecht, maar ook dat het opzet van de verdachte gericht is geweest op het door de dader(s) gepleegde gronddelict, te weten het misdrijf diefstal met geweld (ECLI:NL:HR:2021:1560).
De rechtbank oordeelt dat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] opzet heeft gehad op het gronddelict diefstal met geweld, ook niet in voorwaardelijke zin. [verdachte] heeft weliswaar, zoals ook blijkt uit zijn verklaring, geweten dat er iets zou gebeuren wat ‘verkeerd’ was en dat ook zijn eigen handelen niet juist was en hij heeft met zijn handelen feitelijk bijgedragen aan (een poging tot) het veiligstellen van de buit, maar het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt dat [verdachte] wetenschap heeft gehad van de gewapende overval. Ook blijkt niet dat [verdachte] wist dat de door [medeverdachte 5] en hem aangenomen tas de buit van de overval bevatte. De rechtbank kan dus niet vaststellen op welk strafbaar feit het (voorwaardelijke) opzet van [verdachte] was gericht: het zou ook om iets anders kunnen gaan.
Het voorgaande betekent dat zowel ten aanzien van het primair als ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde niet wordt voldaan aan het vereiste van dubbel opzet. Beide tenlastegelegde feiten kunnen niet bewezen worden verklaard en de rechtbank zal [verdachte] daarom hiervan vrijspreken.
3.3.2
Feit 2
Op grond van het dossier en hetgeen bij de behandeling op de zitting van 26 mei 2026 naar voren is gebracht, kunnen de volgende feiten en omstandigheden worden vastgesteld.
Op 14 oktober 2025 heeft [verdachte] via Snapchat een bericht van ene ‘ [naam] ’ doorgestuurd naar [medeverdachte 4] . Dit bericht betrof een opdracht om ‘s nachts met een taxi naar een locatie te rijden en op een woning te schieten. Het bleek te gaan om de woning aan de [adres] in [woonplaats] . In de nacht van 15 op 16 oktober 2025 is [medeverdachte 4] met een taxi naar [woonplaats] gereisd. [verdachte] had een bericht met de locatie doorgestuurd naar [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] moest met een vuurwapen schieten op een raam of een deur van voornoemde woning. Omstreeks 01.30 uur is [medeverdachte 4] voor het portiek van de woning uit de taxi gestapt. Hij had op dat moment een rugtas bij zich, met daarin een Uzi bestemd om op de woning te schieten. [medeverdachte 4] is richting het portiek gelopen, heeft kort voor het bellenpaneel gestaan en is vervolgens weggelopen.
[verdachte] heeft verklaard dat hij via Snapchat van ene ‘ [naam] ’ een bericht heeft ontvangen met de vraag of hij op een huis wilde schieten. [verdachte] wilde dit niet en heeft het bericht doorgestuurd naar [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] wilde dit doen en [verdachte] heeft vervolgens een groepsapp aangemaakt om [naam] en [medeverdachte 4] met elkaar in contact te brengen, omdat [naam] en [medeverdachte 4] elkaar niet kenden. [verdachte] zou 1.000 euro ontvangen. Hoeveel [medeverdachte 4] zou ontvangen, wist hij niet. [verdachte] heeft in de groepsapp een bericht gezien dat het schieten gefilmd moest worden. In opdracht van [naam] heeft [verdachte] een locatie in [woonplaats] doorgestuurd naar [medeverdachte 4] . Toen [medeverdachte 4] in de nacht van 15 op 16 oktober 2025 niet meer bereikbaar was, heeft [verdachte] in opdracht van [naam] geprobeerd contact op te nemen met [medeverdachte 4] .
3.3.2.1
Vrijspraak feit 2 primair
Aan [verdachte] is tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van (het verrichten van) handelingen ter voorbereiding van (één van) de misdrijven moord, doodslag en/of het ter beschikking stellen en/of verhandelen van wapens en munitie. Dit betekent dat de tenlastegelegde (voorbereidings)handelingen, te weten: het verkrijgen en voorhanden hebben van telefoons, een vuurwapen en munitie, gericht moeten zijn geweest op het plegen van (één van) deze misdrijven.
De rechtbank oordeelt dat de tenlastegelegde (voorbereidings)handelingen niet waren gericht op het plegen van moord. Het dossier bevat namelijk geen enkel bewijs dat bij [verdachte] sprake is geweest van voorbedachte rade om een persoon van het leven te beroven.
Deze handelingen waren evenmin gericht op het ter beschikking stellen en/of verhandelen van (een) wapen(s) van categorie II en munitie; het dossier bevat daarvoor geen enkele aanwijzing.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is geweest van handelingen ter voorbereiding van het misdrijf doodslag.
De rechtbank oordeelt dat geen bewijs aanwezig is dat sprake is geweest van de uitdrukkelijke bedoeling (vol opzet) om een persoon (een bewoner van voornoemde woning) van het leven te beroven. Dit geldt voor zowel [verdachte] als voor medeverdachte [medeverdachte 4] . De omstandigheden duiden daar naar het oordeel van de rechtbank niet op; immers zou het schieten hebben plaatsgevonden omstreeks 01.30 uur ’s nachts, in de richting van een donkere woning, niet wetend of iemand in de woning aanwezig was en waar een mogelijk in de woning aanwezige persoon zich zou kunnen bevinden. Onder die omstandigheden zou het schieten op de woning naar het oordeel van de rechtbank eerder duiden op het afgeven van een bedreigende boodschap.
De vraag is vervolgens of sprake zou zijn geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van een bewoner van de woning aan de [adres] : of willens en wetens de aanmerkelijke kans zou zijn aanvaard dat door het schieten op deze woning, een bewoner van de woning het leven zou laten. Het schieten met een vuurwapen, bij uitstek geschikt om iemand mee te doden, kan onder omstandigheden een aanmerkelijke kans op de dood met zich meebrengen. Het is evenwel vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het bestaan van een aanmerkelijke kans empirisch moet worden benaderd. Het moet gaan om een feitelijk aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, in dit geval de dood van een bewoner van voornoemde woning. Daarbij mogen de aard van het risico en het gevaarzettende karakter van de gedraging geen indicator vormen.
In het licht van deze vaste jurisprudentie komt de rechtbank tot de conclusie dat, als onder voornoemde omstandigheden op de woning zou zijn geschoten, er geen feitelijk aanmerkelijke kans bestond op de dood van een bewoner van deze woning. Uit het dossier blijkt namelijk niet of in de nacht van 15 op 16 oktober 2025 omstreeks 01.30 uur ’s nachts iemand in de woning aanwezig is geweest en is - als iemand in de woning aanwezig was geweest - evenmin gebleken waar deze persoon zich in de woning zou hebben bevonden.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat, als op de woning zou zijn geschoten, een aanmerkelijke kans op de dood van een in die woning aanwezige persoon zou hebben bestaan, waardoor voorwaardelijk opzet op de dood niet kan worden aangenomen.
Het voorgaande leidt ertoe dat vrijspraak moet volgen van feit 2 primair.
3.3.2.2
Bewijsmiddelen feit 2 subsidiair
De rechtbank oordeelt dat feit 2 subsidiair is bewezen. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
3.3.2.3
Bewijsoverwegingen feit 2 subsidiair
Op de zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij met [medeverdachte 4] contact had op het moment dat hij van ‘ [naam] ’ een bericht kreeg met de vraag of hij op een huis wilde schieten. Hij vertelde [medeverdachte 4] daarover en zei dat hij, [verdachte] , het niet ging doen. [medeverdachte 4] zei volgens [verdachte] toen dat hij het wel wilde doen en daarom heeft [verdachte] hem dat bericht doorgestuurd. De verdediging voert aan dat [verdachte] aldus niet heeft geprobeerd [medeverdachte 4] te bewegen om op het huis te schieten, maar dat het op eigen initiatief was dat [medeverdachte 4] dit aanbood. De rechtbank verwerpt dat verweer en vindt bewezen dat [verdachte] heeft geprobeerd medeverdachte [medeverdachte 4] te bewegen om op een woning te schieten en (daarmee) om de bewoner van die woning te bedreigen met een misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling en/of om die woning te beschadigen. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.
[verdachte] heeft op 14 oktober 2025 om 22.43 via Snapchat een bericht van ene ‘ [naam] ’ doorgestuurd naar [medeverdachte 4] . In dit bericht geeft [naam] opdracht om ’s nachts met een taxi naar een bepaalde locatie te gaan en op een adres te schieten. In het bericht wordt ook de betaling van een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld: ‘
volgende dag meet je me, heb je je doekoe’. Dat dit bericht niet op initiatief van [verdachte] , maar op initiatief van [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 4] is doorgestuurd is niet aannemelijk. [verdachte] geeft immers niet alleen het bericht door aan [medeverdachte 4] , maar blijft hem ook daarna aansturen. Hij heeft een groepsapp aangemaakt om [naam] en [medeverdachte 4] (die elkaar niet kenden) met elkaar in contact te brengen en heeft in de nacht van 15 op 16 oktober 2025 een bericht naar [medeverdachte 4] gestuurd met de exacte locatie van de woning waarop geschoten moest worden. Daarbij komt dat [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij door iemand anders is benaderd voor deze opdracht en dat hij deze persoon al kende. Uit het dossier volgt dat het [verdachte] is geweest die het bericht van ‘ [naam] ’ aan [medeverdachte 4] heeft doorgestuurd en dat [verdachte] dus degene is geweest die [medeverdachte 4] heeft benaderd. De rechtbank vindt daarom bewezen dat [verdachte] heeft geprobeerd [medeverdachte 4] te bewegen op het huis in [woonplaats] te schieten. Hij heeft [medeverdachte 4] voorzien van gelegenheid en inlichtingen om dit misdrijf te plegen, met de belofte dat hij, [medeverdachte 4] , daarvoor een geldbedrag zou ontvangen.
[medeverdachte 4] is in de nacht van 15 op 16 oktober 2025 met een taxi naar de opgegeven locatie in Rotterdam gereisd en heeft met een Uzi voor de woning gestaan waarop geschoten moest worden, maar heeft uiteindelijk niet geschoten. Dit betekent dat het niet tot voltooiing van het misdrijf is gekomen en dat de tenlastegelegde poging als bedoeld in artikel 46a van het Wetboek van Strafrecht bewezen is.
De rechtbank oordeelt dat uit het dossier onvoldoende blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking van [verdachte] met een of meer anderen bij zijn poging [medeverdachte 4] zover te krijgen dat hij op het huis zou schieten en zal [verdachte] daarom vrijspreken van het tenlastegelegde medeplegen.
3.3.3
Vrijspraak feit 3
De rechtbank is met de officier van justitie en de advocaat van oordeel dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van feit 3, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat [verdachte] (op welke wijze dan ook) betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
feit 2 subsidiair
in de periode van 14 oktober 2025 tot en met 16 oktober 2025 te Almere heeft gepoogd om een persoon, genaamd [medeverdachte 4] , door in artikel 47, eerste lid, onder 2 van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door beloften en door het verschaffen van gelegenheid en inlichtingen te bewegen tot de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling van [slachtoffer 2] en/of het opzettelijk en wederrechtelijk beschadigen van een gebouw toebehorende aan een ander
- een (groot) geldbedrag in het vooruitzicht heeft gesteld en- “op osso bokken/schieten” en “moet echt gefilmd” heeft gezegd.
De rest van de tekst van de beschuldiging van feit 2 subsidiair kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1
Kwalificatie
Het onder 2 subsidiair bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
feit 2 subsidiair
poging om een ander door beloften en door het verschaffen van gelegenheid en inlichtingen te bewegen om een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling en/of opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, te begaan.
4.2
Strafbaarheid feit en verdachte
Het onder 2 subsidiair bewezen feit en [verdachte] zijn strafbaar.

5.Straf

5.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
- een jeugddetentie van 172 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met oplegging van algemene voorwaarden en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
- een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 160 uur;
- een taakstraf in de vorm van een leerstaf Tools4U (Verlengd met Ouders) van 35 uur.
5.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft bepleit om, in het geval van een veroordeling, aan [verdachte] een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen, in combinatie met een taakstraf in de vorm van een leerstraf Tools4U gericht op online delicten. Aan het voorwaardelijk op te leggen strafdeel kunnen de voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad en door SAVE, met uitzondering van een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte 4] . De advocaat heeft ten slotte gevraagd om de (op dit moment in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis als voorwaarde opgenomen) avondklok niet (meer) op te nemen als een van de bijzondere voorwaarden die verbonden zullen worden aan het voorwaardelijk op te leggen strafdeel.
5.3
Oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van het feit
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan een poging om een medeverdachte op een woning in Rotterdam te laten schieten. [verdachte] heeft naar deze medeverdachte een bericht doorgestuurd afkomstig van een opdrachtgever, met daarin de opdracht om ‘s nachts naar een bepaalde locatie te reizen en op een woning te schieten. Nadat de medeverdachte aan [verdachte] had laten weten de opdracht aan te nemen, heeft [verdachte] de opdrachtgever en de medeverdachte met elkaar in contact gebracht door hen beiden in een groepsapp te plaatsen. Ten slotte heeft [verdachte] , nadat de medeverdachte daadwerkelijk naar Rotterdam was afgereisd, een bericht naar hem doorgestuurd met de exacte gegevens van de woning waarop moest worden geschoten. Op deze manier heeft [verdachte] een essentiële rol gespeeld bij de uitvoering van dit zeer ernstige misdrijf. De medeverdachte heeft uiteindelijk met een Uzi met scherpe patronen voor de betreffende woning in Rotterdam gestaan. Dat uiteindelijk niet op de woning is geschoten, is niet aan [verdachte] te danken.
Dat midden in de nacht een man met een Uzi voor een woning heeft gestaan met het voornemen om op de woning te schieten, heeft sterke gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de bewoner van deze woning en zijn gezin. De woning is zelfs op last van de burgemeester gesloten geweest en het gezin moest op een veilige plaats elders worden ondergebracht. Bovendien versterkt een dergelijk feit ook in het algemeen in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid.
[verdachte] heeft dit gedaan omdat hij hiervoor geld zou ontvangen. De rechtbank vindt het schokkend dat een zo jonge jongen puur uit zijn eigen behoefte aan snel geld meewerkt aan de uitvoering van een zeer ernstig strafbaar feit en daarbij heeft geprobeerd een medeverdachte aan te zetten tot het uitvoeren daarvan. De rechtbank rekent dit [verdachte] aan.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
De rechtbank houdt rekening met de volgende stukken betreffende [verdachte] :
  • een uittreksel Justitiële Documentatie (‘
  • een (niet gedateerde) rapportage van SAVE Jeugdreclassering (hierna: SAVE);
  • een adviesrapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 7 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van [verdachte] , waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Volgens SAVE had [verdachte] voor de huidige verdenkingen zijn leven goed op orde. [verdachte] zit in het examenjaar van zijn opleiding en heeft de mogelijkheid zijn diploma te halen, sport meerdere keren per week en heeft een goede relatie met zijn moeder en broer. Er bestaan zorgen om de beïnvloedbaarheid van [verdachte] . [verdachte] lijkt gemotiveerd te zijn om snel geld te verdienen. Het is belangrijk dat [verdachte] leert om de gevaren hiervan te leren (h)erkennen en nee te zeggen tegen dergelijke verzoeken. Als het niet lukt om door middel van passende voorwaarden [verdachte] tot inzicht, gedrag- en keuzeverandering te laten komen blijft de kans op het plegen van een nieuw strafbaar feit aanwezig.
SAVE adviseert oplegging van een deels voorwaardelijke jeugddetentie, in combinatie met een taakstraf in de vorm van een leerstraf, te weten de gedragsinterventie Tools4U.
Volgens de Raad lijkt [verdachte] in de thuissituatie goed te functioneren. [verdachte] heeft een positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van sporten, gamen en een bijbaan. [verdachte] gaat naar school, bereid zich voor op zijn examens en is gemotiveerd om door te stromen naar het ROC. Daar staat tegenover dat [verdachte] beïnvloedbaar is en bewondering lijkt te hebben voor jongeren met status. Er bestaat geen zicht op zijn contacten 'online'. Zorgelijk is ook dat [verdachte] de ernst van situaties lijkt te onderschatten of niet lijkt in te zien. Inmiddels is Ricardo jeugdhulp ingezet en [verdachte] werkt hier wekelijks goed aan mee. Het is positief dat hij openheid van zaken heeft gegeven bij de jeugdreclassering en de Raad.
Het is niet wenselijk dat [verdachte] opnieuw in detentie zal gaan. De Raad adviseert een voorwaardelijke jeugddetentie om [verdachte] te motiveren zich te blijven inzetten voor een goed verloop van zijn begeleiding en behandeling, een leerstraf in de vorm van Tools4U en voortzetting van het jeugdreclasseringstoezicht en de al aangevangen hulpverlening.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de hiervoor genoemde aard en ernst van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan. De rechtbank houdt ook rekening met de persoon van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden zoals hiervoor omschreven. De rechtbank heeft ook gelet op straffen die in min of meer vergelijkbare strafzaken door rechters zijn opgelegd.
De rechtbank vindt dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere of minder zware straf dan een jeugddetentie. Een lichtere strafrechtelijke afdoening zou de aard en de ernst van het bewezen feit miskennen. Uit voornoemde rapporten blijkt dat het op zich goed gaat met [verdachte] , maar dat er ook zorgen bestaan en dat (voortzetting van de al aangevangen) hulpverlening gewenst is. De rechtbank vindt het belangrijk dat de huidige positieve lijn wordt vastgehouden en ziet daarin aanleiding een straf op te leggen die betekent dat [verdachte] niet alsnog naar de (jeugd)gevangenis zal moeten. Wel zal [verdachte] een leerstraf moeten uitvoeren.
Alles overwegend oordeelt de rechtbank dat het passend en geboden is om aan [verdachte] een jeugddetentie op te leggen voor de duur van 118 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De tijd die [verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op de op te leggen jeugddetentie in mindering worden gebracht.
Het voorwaardelijke strafdeel dient mede als stok achter de deur om [verdachte] ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. Aan dit voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de (bijzondere) voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de Raad en SAVE.
De Raad en SAVE hebben niet geadviseerd tot oplegging van een avondklok als bijzondere voorwaarde. De rechtbank is met de advocaat van oordeel dat oplegging van een avondklok als bijzondere voorwaarde niet (meer) nodig is. De rechtbank zal daarentegen wel als bijzondere voorwaarde een contactverbod opleggen met medeverdachte [medeverdachte 4] .
Naast de jeugddetentie zal aan [verdachte] ook een taakstraf in de vorm van een leerstraf worden opgelegd, inhoudende dat [verdachte] de gedragsinterventie Tools4U (verlengd, met ouders) voor de duur van 35 uur moet volgen.
Aangezien de rechtbank komt tot bewezenverklaring van minder feiten dan door de officier van justitie gevorderd, is de rechtbank van oordeel dat het eveneens opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf zoals geëist niet passend is.

6.Beslag

6.1
Inbeslaggenomen voorwerpen
Onder [verdachte] zijn meerdere voorwerpen in beslag genomen. [verdachte] heeft op zitting verklaard dat hij een aantal kledingstukken nog niet heeft teruggekregen en hij heeft gevraagd om teruggave van deze voorwerpen:
schoenen, voorwerpnummer PL0900-2025014170-3467388 (einddossier pagina’s 341 en 349);
bodywarmer, voorwerpnummer PL0900-2025014170-3467399 (pagina’s 341 en 350);
trui (hoody), voorwerpnummer PL0900-2025014170-3467406 (pagina’s 341 en 351).
6.2
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd te beslissen dat de kledingstukken aan [verdachte] zullen worden teruggegeven.
6.3
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft zich niet uitgelaten over de inbeslaggenomen kledingstukken.
6.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal bepalen dat de inbeslaggenomen kledingstukken worden teruggegeven aan [verdachte] , omdat deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7.Vorderingen benadeelde partijen

7.1
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 12.021,35, bestaande uit € 2.021,35 ter vergoeding van materiële schade en € 10.000,- ter vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De benadeelde partij heeft gesteld dat de gewapende overval is gepleegd door meerdere personen en verzoekt daarom [verdachte] en de medeverdachte(n) hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het toe te wijzen bedrag. Ook is verzocht het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.1.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen. De officier van justitie heeft gevorderd dit bedrag hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
7.1.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft, gelet op de bepleite vrijspraak van de feiten 1 primair en subsidiair, verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de advocaat verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, wegens het ontbreken van (voldoende) causaal verband tussen de gedragingen van [verdachte] en de gestelde (immateriële en materiële) schade van de benadeelde partij.
7.1.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal [verdachte] vrijspreken van de feiten 1 primair en subsidiair. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering, zal de rechtbank de kosten compenseren, in die zin dat de benadeelde partij en [verdachte] ieder hun eigen kosten dragen.
7.2
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 16.527,22, bestaande uit € 527,22 ter vergoeding van materiële schade en € 16.000,- ter vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Ten aanzien van de immateriële schade is subsidiair verzocht het schadebedrag te schatten op grond van artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
De benadeelde partij verzoekt de schadevergoeding toe te kennen bij voorschot en [verdachte] en de medeverdachte(n) hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het toe te wijzen bedrag. Ook is verzocht te het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 12.527,22, bestaande uit € 527,22 ter vergoeding van materiële schade en € 12.000,- ter vergoeding van immateriële schade (smartengeld). De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij wat betreft de meer gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De officier van justitie heeft gevorderd het toe te wijzen bedrag hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft, gelet op de bepleite vrijspraak van de feiten 2 primair en subsidiair, verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de advocaat de vordering betwist, zowel wat betreft het materiële als het immateriële deel van de vordering. Ten aanzien van het materiële deel van de vordering is gesteld dat niet is gebleken dat de benadeelde schade heeft geleden, omdat niet is gebleken dat hij de (hoofd)huurder is van de woning, de huur betaalt en daadwerkelijk op het adres woont. Ten aanzien van het immateriële deel is gesteld dat de gevolgen van de normschending onvoldoende zijn onderbouwd. Niet is onderbouwd dat de benadeelde in de woning aanwezig was ten tijde van het feit en ook kan niet worden vastgesteld of de immateriële schade is ontstaan door het handelen van [verdachte] of (mede)verdachten in het onderzoek Glans of door het handelen van een of meer anderen in het met dit onderzoek samenhangende onderzoek Schaak.
7.2.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij afwijzen wat betreft de gevorderde vergoeding van materiële schade. De rechtbank oordeelt dat aan de zijde van de benadeelde partij voor dit deel van de vordering geen rechtsgrond bestaat. Het sluiten van de woning door de burgemeester van Rotterdam en het verblijf van de benadeelde partij en zijn gezin op een andere locatie heeft weliswaar tot schade geleid, maar niet is aangetoond dat de benadeelde partij huurder is van de woning en de huur voor deze woning betaalt en (daarmee) dat hij degene is die schade heeft geleden.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering voor wat betreft de gevorderde immateriële schade. De rechtbank stelt vast dat deze schadepost op dit moment onvoldoende is onderbouwd en door de verdediging gemotiveerd is betwist. Voorafgaand aan het handelen van [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 4] heeft een ander incident plaatsgevonden bij de woning van de benadeelde partij. Onvoldoende is komen vast te staan in hoeverre de door de benadeelde partij geleden immateriële schade is toe te rekenen aan het handelen van [verdachte] (en medeverdachte [medeverdachte 4] en andere mededaders) dan wel aan het handelen van één of meer anderen die betrokken zijn geweest bij het eerdere incident.
Aanhouding van de strafprocedure, om de benadeelde partij in staat te stellen de vordering op dit punt nader te onderbouwen en [verdachte] en zijn advocaat en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen daarop te reageren, levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting op van het strafproces.
Nu de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade zal worden afgewezen en de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering voor zover dit de immateriële schade betreft, zal de rechtbank de kosten compenseren, in die zin dat de benadeelde partij en [verdachte] ieder hun eigen kosten dragen.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- 46a, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 285 en 352 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart de feiten 1 primair en subsidiair, 2 primair en 3 niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
Bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat [verdachte] feit 2 subsidiair heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging van feit 2 subsidiair staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
Strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
Strafbaarheid verdachte
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde;
Straf
- veroordeelt [verdachte] tot een
jeugddetentie van 118 (honderdachttien) dagen;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van
100 (honderd) dagenniet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een
proeftijd van 2 (twee) jaarvast;
- als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] :
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat gedurende de proeftijd:
*
begeleiding:
[verdachte] meewerkt aan de hulp en begeleiding van Ricardo jeugdhulp of een soortgelijke instelling, indien en zo lang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
*
dagbesteding:
[verdachte] meewerkt aan een positieve dagbesteding in de vorm van onderwijs en naar school gaat volgens rooster;
*
vrijetijdsbesteding:
[verdachte] meewerkt aan (het vinden en behouden van) een zinvolle vrijetijdsbesteding, een en ander in overleg met de jeugdreclassering;
*
contactverbod:
[verdachte] op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met medeverdachte [medeverdachte 4] , geboren op [2009] in [geboorteplaats] , wonende in [woonplaats] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- waarbij de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden Nederland te Flevoland opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een
leerstraf, te weten de gedragsinterventie Tools4U (verlengd, met ouders) van 35 (vijfendertig) uur;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, deze taakstraf wordt vervangen door
17 (zeventien) dagen jeugddetentie;
Voorlopige hechtenis
- heft op de geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis in de zaken met de parketnummers 16.015979-25 en 10.321647-25;
Beslag(feit 1)
- gelast de
teruggave aan [verdachte]van de volgende inbeslaggenomen voorwerpen:
schoenen, voorwerpnummer PL0900-2025014170-3467388;
bodywarmer, voorwerpnummer PL0900-2025014170-3467399;
trui (hoody), voorwerpnummer PL0900-2025014170-3467406;
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1](feit 1)
  • verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering;
  • compenseert de proceskosten van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en [verdachte] , in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2](feit 2 subsidiair)
  • wijst de vordering van [slachtoffer 2] tot vergoeding van materiële schade af;
  • verklaart [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade;
  • compenseert de proceskosten van de benadeelde partij [slachtoffer 2] en [verdachte] , in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter, tevens kinderrechter, mr.
J.F. Haeck en mr. drs. S.M. van Meer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: Tenlasteleggingen
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
parketnummer 16.015979-25
primair
hij op of omstreeks 14 januari 2025 te Almere-Buiten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (dummy)sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [juwelier] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door- met een bedekt gezicht en een hand in/onder een tas op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] af te lopen,- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] meermalen de woorden toe te voegen “handen omhoog” en/of “overval”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] ,- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te richten op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] , en/of- die [slachtoffer 1] bij haar pols vast te pakken;
subsidiair
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of één of meer onbekend gebleven mededaders op of omstreeks 14 januari 2025 te Almere-Buiten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met elkaar en/of een of meer anderen, althans alleen, (dummy)sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [juwelier] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of zijn/hun mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] ,gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij devlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door- met een bedekt gezicht en een hand in/onder een tas op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] af te lopen,- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] meermalen de woorden toe te voegen “handen omhoog” en/of “overval”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] ,- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te richten op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] , en/of- die [slachtoffer 1] bij haar pols vast te pakken,bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 14 januari 2025 te Almere-Buiten, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:- bijeen te komen met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] (terwijl de [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] instructies kregen),- volgens instructies in de nabijheid van de plaats delict af te spreken en/of te wachten om de buit aan te nemen en vervolgens weg te fietsen, en/of- (een) handschoen(en) aan die [medeverdachte 2] te verschaffen;
parketnummer 10.321647-25
feit 1 primair
hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2025 tot en met 16 oktober 2025 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord en/of doodslag (als omschreven in artikel 289 en Pro 287 Wetboek van Strafrecht) en/of het zonder erkenning ter beschikking stellen aan een ander en/of het verhandelen van één of meer wapens van categorie II en munitie van categorie III, als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie, opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten- meerdere, althans een, mobiele telefoon(s) om met anderen te communiceren over dit strafbare feit en/of van/aan anderen instructies en/of informatie te krijgen en/of te verstrekken met betrekking tot dit strafbare feit en/of- een vuurwapen en/of (bijbehorende) munitie en/ofbestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
feit 1 subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2025 tot en met 16 oktober 2025 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft gepoogd om een persoon, genaamd [medeverdachte 4] door (een) in artikel 47, eerste lid, onder 2 van het Wetboek van Strafrecht vermeld(e) middel(en), te weten door giften en/of beloften en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te bewegen tot (al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen) de moord en/of doodslag van [slachtoffer 2] en/of de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van die [slachtoffer 2] en/of het vernielen en/of beschadigen van een gebouw toebehorende aan die [slachtoffer 2] ,(onder meer)- een (groot) geldbedrag in het vooruitzicht heeft gesteld en/of- “op osso bokken/schieten” en/of “moet echt gefilmd”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, heeft gezegd en/of- een of meer goederen, te weten een (automatisch) vuurwapen en/of (bijbehorende munitie) heeft verschaft en/of ter beschikking heeft gesteld en/of (daarbij) heeft uitgelegd hoe je een (automatisch) vuurwapen moet gebruiken en/of- foto’s en/of afbeeldingen en/of adresgegevens van voornoemde [slachtoffer 2] en/of de woning van voornoemde [slachtoffer 2] heeft verschaft en/of ter beschikking heeft gesteld en/of- (contactgegevens van) een taxi heeft verschaft en/of ter beschikking heeft gesteld;
feit 2
hij op of omstreeks 16 oktober 2025 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro II onder 2º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk IMI model Uzi kaliber 9x19mm en/of (bijbehorende) munitie in de zin van art. 1 onder Pro 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van Pro de Wet wapens munitie, van de Categorie III te weten meerdere kogelpatronen van het kaliber 9x19 mm voorhanden heeft gehad.