ECLI:NL:RBMNE:2026:3540

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/2867 en UTR 25/2873
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1 AwbArt. 1:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 5.7 OmgevingswetArt. 1.16 Waterschapsverordening Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning wateractiviteit windpark Rijnenburg en Reijerscop

Vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning wateractiviteit gekregen voor aanpassingen in de waterhuishouding ten behoeve van het windpark Rijnenburg en Reijerscop. Een consortium en meerdere individuele eisers maakten bezwaar tegen deze vergunning en stelden beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat één eiser geen belanghebbende is vanwege de grote afstand tot de wateractiviteiten en verklaart zijn beroep niet-ontvankelijk. De overige eisers en het consortium zijn wel ontvankelijk, maar hun beroepen worden ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat het waterschap de aanvraag terecht niet heeft aangehouden tot onherroepelijkheid van ruimtelijke besluiten of verdere planvorming.

De rechtbank vindt dat het waterschap een voldoende belangenafweging heeft gemaakt, dat de voorschriften in de vergunning duidelijk en handhaafbaar zijn, en dat er geen sprake is van détournement de pouvoir. Ook is het niet gebleken dat de waterberging leidt tot wateroverlast. De tijdelijke wateractiviteiten tijdens de bouw zijn niet vergund, maar vergunninghouder zal hiervoor tijdig een aanvraag indienen. De beroepen worden afgewezen en de vergunning blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van één eiser is niet-ontvankelijk en de beroepen van overige eisers en het consortium worden ongegrond verklaard, waardoor de omgevingsvergunning wateractiviteit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/2867 en UTR 25/2873

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaken tussen

[eiseres 1] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] ,

[eiseres 2] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] ,
[eiseres 3] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] ,
het consortium,
(gemachtigde: mr. C. Pasteuning)
en

[eiser 1] , uit [plaats] ,

[eiser 2], uit [plaats] ,
[eiser 3], uit [plaats] ,
[eiser 4], uit [plaats] ,
[eiser 5], uit [plaats] ,
allen eisers,
(gemachtigde: mr. C.S.G. van Sadelhoff)
en
het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verweerder
(gemachtigde: mr. W.S. Zorg).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[vergunninghouder] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , vergunninghouder.
Partijen worden hierna aangeduid als: het consortium, eisers, het HDSR en vergunninghouder.

Inleiding

1.1.
Vergunninghouder heeft het voornemen om ten zuiden van De Meern en ten zuidwesten van knooppunt Oudenrijn in Utrecht het windpark Rijnenburg en Reijerscop met bijbehorende voorzieningen te realiseren. Voor het realiseren van het windpark moet de waterhuishouding in het gebied worden aangepast. Hiervoor heeft vergunninghouder bij het HDSR een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning wateractiviteit.
1.2.
Het HDSR heeft aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de volgende vijf wateractiviteiten:
het versneld afvoeren en lozen van hemelwater vanaf nieuw verhard oppervlak;
het aanleggen van 4 dammen met duiker in primaire watergangen;
het aanleggen van 1 dam met duiker in een tertiaire watergang;
het aanleggen van een waterberging ter compensatie van het versneld afvoeren en lozen van hemelwater vanaf nieuw verhard oppervlak;
het aanleggen van 4 duikers van het bestaande oppervlaktewatersysteem naar de waterberging.
1.3.
Het consortium en eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning en hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Met de beslissingen op bezwaar van 28 maart 2025 heeft het HDSR het voorschrift over het opbarstrisico in de omgevingsvergunning aangevuld. Ondanks deze aanvulling zijn het consortium en eisers het nog steeds niet eens met de omgevingsvergunning. Zij hebben beroep ingesteld tegen de beslissingen op bezwaar.
1.4.
Het HDSR heeft op de beroepen gereageerd met twee verweerschriften. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
  • namens het consortium: [A] , bestuurder van het consortium, en de gemachtigde van het consortium;
  • eiser [eiser 1] , vergezeld door [B] , en de gemachtigde van eisers;
  • de gemachtigde van het HDSR, vergezeld door [C] , vergunningverlener en [D] , geohydroloog en
  • namens vergunninghouder: [E] van [bedrijf] die aandeelhouder is van vergunninghouder, bijgestaan door de adviseur van vergunninghouder [F] en [F] , deskundige van [bedrijf] .

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid van de beroepen
2. De rechtbank moet voordat zij een beroep in behandeling neemt eerst ambtshalve beoordelen of dat beroep ontvankelijk is.
Het beroep van [eiser 1]
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiser [eiser 1] niet-ontvankelijk is.
4. Alleen een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. [1] Een belanghebbende is degene van wie zijn of haar belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. [2] Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende.
5. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die de omgevingsvergunning toestaat – dat zijn in dit geval vijf wateractiviteiten –, is in beginsel belanghebbende bij de omgevingsvergunning. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Uit vaste rechtspraak [3] volgt dat de rechtbank, om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, moet kijken naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. De rechtbank bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
6. Eiser [eiser 1] voert aan dat, omdat hij binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de beoogde windturbines van het windpark Rijnenburg en Reijerscop woont en hier dus feitelijke gevolgen van zal ondervinden, hij belanghebbende is bij de omgevingsvergunning wateractiviteit. De wateractiviteiten hangen samen met de bouw van de windturbines en dus moeten de wateractiviteiten volgens hem als één geheel worden gezien met de bouw van het windpark.
7. De rechtbank is het daar niet mee eens. Wat de rechtbank in deze zaak moet beoordelen is of eiser [eiser 1] feitelijke gevolgen ondervindt van de vijf wateractiviteiten waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Eiser [eiser 1] heeft tot en met op de zitting niet aannemelijk kunnen maken welke feitelijke gevolgen hij als inwoner van het dorp De Meern – aan de andere zijde van de Rijksweg A12 – hiervan ondervindt. Naar het oordeel van de rechtbank ondervindt eiser [eiser 1] gelet op de grote afstand tussen zijn woning en de watergangen waarin de met de omgevingsvergunning vergunde wateractiviteiten plaatvinden geen gevolgen van enige betekenis hiervan. En dus is hij geen belanghebbende bij de omgevingsvergunning wateractiviteit. Zijn beroep is dus niet-ontvankelijk.
Het beroep van de overige vier eisers
8. De overige vier eisers, [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] en [eiser 6] , wonen in het plangebied in de polder Rijnenburg en op de zitting hebben eisers toegelicht dat drie van hen ook agrarische gronden in de polder bezitten. Zij zullen in, tegenstelling tot eiser [eiser 1] , dus wel feitelijke gevolgen ondervinden van de wateractiviteiten waarvoor de omgevingsvergunning is verleend en zij zijn dus belanghebbenden bij het bestreden besluit.
9. Het HDSR voert aan dat de rechtbank toch ook hun beroepen niet-ontvankelijk zou moeten verklaren, omdat zij niet eerder bezwaar hebben gemaakt tegen de omgevingsvergunning.
10. Voordat een belanghebbende bij een bestuursrechter beroep instelt tegen een besluit, moet hij eerst bezwaar maken bij het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen. [4]
11. De rechtbank stelt vast dat eiser [eiser 1] het bezwaarschrift tegen de omgevingsvergunning mede heeft ingediend namens de “Buren van Rijnenburg en Rijerscop” (de BVRR). Dit is een informele vereniging zonder statuten van een grote groep omwonenden van het te realiseren windpark. In de bezwaarprocedure heeft eiser [eiser 1] – op verzoek van de commissie bezwaarschriften hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (de commissie bezwaarschriften) – van de omwonenden [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] en [eiser 6] machtigingen overgelegd. Op de zitting heeft eiser [eiser 1] toegelicht dat hun belangen het meest bij de omgevingsvergunning zijn betrokken en daarom alleen zij hem voor het voeren van deze beroepsprocedure hebben gemachtigd. De commissie bezwaarschriften heeft deze vier eisers als belanghebbenden aangemerkt en het bezwaar van hen ontvankelijk geacht. Gelet op deze context, het al jarenlange bestaan van de BVRR en omdat – zoals vermeld onder 8 – deze vier eisers belanghebbenden zijn bij de omgevingsvergunning, is het voldoende duidelijk dat deze vier eisers bezwaar hebben gemaakt en merkt de rechtbank het door eisers bestreden besluit aan als mede te zijn gericht aan deze vier eisers. Dit betekent dat zij hiertegen beroep kunnen instellen. Eiser [eiser 1] heeft in de beroepsprocedure van deze vier eisers opnieuw een machtiging overgelegd om namens hen beroep in te stellen tegen het bestreden besluit. Daarom acht de rechtbank het beroep van deze vier eisers ontvankelijk.
Het beroep van het consortium
12. Op de zitting heeft de rechtbank met partijen vastgesteld dat het consortium een grote hoeveelheid gronden in de polder Rijnenburg in eigendom heeft. Tussen partijen is niet in geding dat het consortium gevolgen van enige betekenis zal ondervinden van de wateractiviteiten waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Het consortium is dus belanghebbende bij de omgevingsvergunning. De rechtbank acht het beroep van het consortium ontvankelijk.
Conclusie
13. De rechtbank zal het beroep van eiser [eiser 1] niet-ontvankelijk verklaren. Dit betekent dat de rechtbank zijn beroep niet inhoudelijk beoordeelt.
14. Omdat de rechtbank de beroepen van de eisers [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] en [eiser 6] en het beroep van het consortium ontvankelijk acht, zal zij hun beroepen hierna wel inhoudelijk beoordelen. Voor zover de rechtbank hierna over eisers spreekt, bedoelt zij daarmee de eisers [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] en [eiser 6] .
Inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden
15. De rechtbank heeft op de zitting met partijen vastgesteld dat de beroepsgronden van zowel het consortium als eisers zien op de volgende vier thema’s:
het ontbreken van integraliteit;
het onvoldoende rekening houden met de waterbelangen;
het niet vergunnen van de tijdelijke wateractiviteiten tijdens de bouw van het windpark; en
het opbarstrisico.
Daarnaast voeren eisers nog aan dat met het verlenen van de omgevingsvergunning door het HDSR sprake zou zijn van détournement de pouvoir/ultra vires. Hierover wensen eisers een oordeel van de rechtbank.
16. De rechtbank zal deze vijf thema’s met bijbehorende beroepsgronden hierna beoordelen.
Integraliteit
17. Het consortium en eisers voeren beiden aan dat het HDSR bij het verlenen van de omgevingsvergunning onvoldoende rekening heeft gehouden met de integrale planvorming voor de gebiedsontwikkeling polder Rijnenburg. Deze planvorming ziet onder andere op het realiseren van woningbouw door het consortium – in ieder geval in de zone ten zuiden van de Ringkade en mogelijk voor een deel ook nog noordelijker – en op roeiwater dat ten noorden van de Ringkade gerealiseerd zal worden. Door nu voorrang te geven aan het vergunnen van de wateractiviteiten voor de aanleg van het windpark, kunnen andere plannen binnen de totale gebiedsontwikkeling mogelijk worden belemmerd. Op dit moment is nog onvoldoende zicht op hoe de waterhuishouding in het gebied als geheel moet worden ingericht als alle beoogde ontwikkelingen worden gerealiseerd. Dit achten het consortium en eisers in strijd met de doelstellingen van de Omgevingswet, die volgens hen zien op een meer integrale benadering van het omgevingsrecht. Verder wijzen zij er in hun beroepsgronden op dat het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit voor het realiseren van de windturbines nog niet onherroepelijk zijn. Tegen deze ruimtelijke besluiten van bestuursorganen van de gemeente Utrecht is door hen beroep ingesteld bij de Afdeling. Dus ook de ontwikkeling van het windpark staat nog niet definitief vast.
18. Het is de rechtbank duidelijk dat het op bestuurlijk niveau nog geen uitgemaakte zaak is hoe de totale gebiedsontwikkeling van de polder Rijnenburg vorm zal moeten krijgen. Dat is ook op de zitting aan de orde gekomen. Ook begrijpt zij dat een integrale besluitvorming voor het gehele plangebied – inclusief het windpark – in het belang van het consortium en eisers is. Maar in deze procedure kan de rechtbank daar verder geen oordeel over geven. Aan de rechtbank ligt in deze procedure alleen de omgevingsvergunning wateractiviteit ter beoordeling voor.
19. Bij deze beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de wetgever met de invoering van de Omgevingswet de initiatiefnemer van een ontwikkeling de vrijheid heeft gegeven om de volgorde voor het indienen van aanvragen te bepalen. [5] Ook heeft de wetgever in de Omgevingswet niet langer bepaald dat bepaalde activiteiten onlosmakelijk met elkaar verbonden zouden zijn. Dit betekent dat een initiatiefnemer op grond van de wet voor elke activiteit een gesplitste aanvraag mag indienen, waarbij meerdere bestuursorganen ieder zelfstandig aan de hand voor het voor die activiteit geldende beoordelingskader moeten besluiten op de voorliggende aanvragen. Het HDSR kan als functioneel bestuursorgaan geen bevoegdheden uitoefenen die buiten zijn takenpakket vallen en kan dus niet besluiten op meervoudige aanvragen waarbij andere activiteiten dan wateractiviteiten zijn betrokken. Er geldt op grond van de Omgevingswet ook geen verplichte coördinatie tussen de omgevingsvergunning wateractiviteit en ruimtelijke besluiten over het bouwen van het windpark. Er is dus geen rechtsregel op grond waarvan het HDSR de aanvraag die vergunninghouder heeft ingediend had moeten aanhouden tot de ruimtelijke besluiten onherroepelijk zijn of tot de planvorming van de totale gebiedsontwikkeling en de daarbij behorende opgaven voor de waterhuishouding in de gehele polder Rijnenburg meer vorm heeft gekregen. De beroepsgronden van het consortium en eisers slagen om die reden niet.
Waterbelangen
20. Partijen zijn het erover eens, en de rechtbank stelt ook vast, dat het HDSR als functioneel bestuursorgaan bij haar besluitvorming alleen de belangen die zien op de waterkwaliteit en -kwantiteit mag betrekken.
21. Het consortium en eisers voeren aan dat het HDSR de waterhuishoudkundige belangen die hij moet behartigen met het verlenen van de omgevingsvergunning ten onrechte ondergeschikt heeft gemaakt aan de economische belangen van vergunninghouder.
22. Op de zitting heeft het consortium hierover toegelicht dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteiten verenigbaar zijn met de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. [6] Het consortium voert aan dat de belangenafweging die het HDSR bij het verlenen van de omgevingsvergunning in dit kader heeft gemaakt onvoldoende is, omdat nog niet bekend is hoe het watersysteem voor de gehele gebiedsontwikkeling in de polder Rijnenburg er uit moet gaan zien. Het HDSR had volgens het consortium moeten onderzoeken wat de gevolgen zouden zijn voor het watersysteem voor de woonwijk. Volgens het consortium is dat een maatschappelijke functie door watersystemen. Hij voert aan dat het HDSR aan dit belang meer waarde had moeten toekennen dan aan het belang van vergunninghouder bij het verlenen van de omgevingsvergunning.
23. De rechtbank is met het HDSR van oordeel dat het begrip ‘maatschappelijke functies door watersystemen’ beperkter moeten worden uitgelegd dan het consortium en eisers doen in hun beroepsgronden. Zoals het HDSR op de zitting heeft toegelicht, gaat het daarbij bijvoorbeeld om het behouden van vrije doorgang van scheepvaart. Waterberging bij een gebiedsontwikkeling valt niet onder de maatschappelijke functies door watersystemen. De rechtbank ziet ook verder in wat het consortium aanvoert geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning zijn verleend niet verenigbaar zouden zijn met de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen en dat de belangenafweging die het HDSR heeft gemaakt op dit punt onvoldoende zou zijn.
24. Eisers hebben op de zitting toegelicht dat vooral eiser [eiser 3] , die eigenaar is van het perceel naast de voorgenomen aanleg van de zogenoemde plas-drasberging, vreest dat door de aanleg van die waterberging de grondwaterstand zal stijgen en op zijn perceel kwelwater zal ontstaan. Dit zou betekenen dat hij last krijgt van wateroverlast [7] waardoor zijn perceel niet meer c.q. minder goed bruikbaar zal zijn voor het agrarische gebruik dat hij daarvan maakt.
25. Het HDSR heeft op de zitting toegelicht dat de plas-drasberging geen invloed heeft op de grondwaterstand en dat hierdoor geen kwelwater zal ontstaan. De plas-drasberging zal het grootste gedeelte van het jaar leeg staan. De berging is bedoeld als overloopgebied ten tijde van hevige regenval. Bij veel regenval in korte tijd wordt de waterstand in de watergangen in het gebied zo hoog dat deze over de drempel van de berging heen komt. De waterberging fungeert tijdens hevige regenval dus als extra opvang voor het overtollige water, waardoor de watergangen niet overstromen. Het belang van de waterberging is er juist in gelegen om wateroverlast in het gebied en dus ook op het perceel van [eiser 3] te voorkomen.
26. De rechtbank ziet in wat eisers aanvoeren geen aanleiding om te twijfelen aan de door het HDSR op de zitting gegeven toelichting dat de waterberging geen invloed heeft op de grondwaterstand en niet zal leiden tot kwelwater. Eisers hebben hun vrees dat door de aanleg van de waterberging de grondwaterstand zal stijgen daarentegen niet onderbouwd. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de plas-drasberging een beperkte omvang heeft en als deze ten tijde van hevige regenval volloopt de waterdiepte zeer beperkt is. Met het verlenen van de omgevingsvergunning heeft het HDSR juist het belang van eisers bij het voorkomen van wateroverlast in het gebied op het oog gehad. Van een onvoldoende belangenafweging is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake.
Tijdelijke wateractiviteiten
27. Partijen zijn het erover eens, en de rechtbank stelt ook vast, dat de omgevingsvergunning is verleend voor permanente wateractiviteiten. De omgevingsvergunning ziet niet op tijdelijke wateractiviteiten tijdens de bouw van het windpark.
28. Het consortium voert aan dat het HDSR daarmee de door vergunninghouder ingediende aanvraag heeft verlaten. Het HDSR had volgens haar op de aanvraag moeten beslissen.
29. De rechtbank stelt vast dat het consortium tot en met op de zitting niet concreet heeft gemaakt welke tijdelijke wateractiviteiten vergunninghouder zou hebben aangevraagd waarop het HDSR geen besluit zou hebben genomen. De rechtbank is van oordeel dat uit het aanvraagformulier duidelijk blijkt dat de aanvraag is ingediend voor permanente wateractiviteiten en het HDSR heeft hierop een besluit genomen. Dit is tussen het HDSR en vergunninghouder ook niet in geschil.
30. Op de zitting is met partijen gesproken over de tijdelijke wateractiviteiten die tijdens de bouwwerkzaamheden van het windpark waarschijnlijk nodig zullen zijn, zoals het tijdelijk dempen van watergangen en/of het aanleggen van een tijdelijk bredere toegangsweg. Vergunninghouder heeft toegelicht dat hij als voor (een deel van) deze tijdelijke wateractiviteiten een omgevingsvergunning noodzakelijk is, hiervoor tijdig een aanvraag zal indienen.
31. Eisers hebben op de zitting toegelicht dat met de tijdelijke wateractiviteiten die nu nog niet zijn vergund de permanente wateractiviteiten, zoals het grondwaterpeil, niet zijn gegarandeerd.
32. Naar het oordeel van de rechtbank is wat eisers hier aanvoeren geen grond om de omgevingsvergunning te weigeren. Bij de eventueel benodigde tijdelijke wateractiviteiten gaat het om activiteiten die gedurende korte tijd nodig zijn tijdens de uitvoerwerkzaamheden ten behoeve van de bouw en aanleg van de wateractiviteiten. Op de zitting is toegelicht dat het dan zou gaan om bijvoorbeeld het aanbrengen van tijdelijke verharding of tijdelijke bruggen voor bouwverkeer. Zoals vermeld onder 30 zal vergunninghouder hiervoor zo nodig tijdig een omgevingsvergunning aanvragen. Verder heeft vergunninghouder op de zitting toegelicht dat hij geen enkel belang heeft bij het aanleggen van de plas-drasberging ter compensatie van het versneld afvoeren en lozen van hemelwater vanaf verhard oppervlak, als het windpark niet gerealiseerd kan worden. Hij zal de plas-drasberging dus niet realiseren voordat duidelijk is dat het windpark in de uitvoeringsfase gebouwd kan worden.
Opbarstrisico
33. Het consortium en eisers voeren aan dat uit het watercompensatieplan ‘Windmolenpark Rijnenburg en Reijerscop’ van [bedrijf] van 12 september 2024 blijkt dat op een aantal projectlocaties er risico bestaat op opbarsten en dat daarom aanvullend onderzoek nodig is en mogelijk mitigerende maatregelen moeten worden getroffen. Om die reden is volgens hen het verlenen van de omgevingsvergunning in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Voorschrift 6 uit de omgevingsvergunning, dat met de bestreden besluiten nog verder is aangevuld, vinden zij ontoereikend. Het consortium en eisers vinden primair dat de omgevingsvergunning gelet op het nader onderzoek dat nog nodig is niet verleend had mogen worden. Subsidiair voeren zij aan dat het HDSR voorschrift 6 op de wijze zoals geadviseerd door de bezwaarschriftencommissie had moeten aanvullen.
34. De rechtbank is van oordeel dat voorschrift 6 uit de omgevingsvergunning, inclusief de aanvulling daarop in de bestreden besluiten, voldoende duidelijk en handhaafbaar is om opbarsting ter plaatse van het te verbreden oppervlaktewater en de aan te leggen waterberging te voorkomen. Of als toch opbarsting plaatsvindt dit door vergunninghouder te laten herstellen en hem maatregelen te laten treffen om opbarsting in de toekomst te voorkomen. Zoals ook staat vermeld in het bij het bestreden besluit behorende advies van de commissie bezwaarschriften, kan het risico op opbarsting in de tijd variëren. Op de zitting heeft het HDSR toegelicht dat bijvoorbeeld in een droge periode het opbarstrisico anders is dan in een natte periode en dat ook andere factoren hierbij een rol spelen. Daarom is het geboden – ook in het belang van het consortium en eisers – dat zo kort mogelijk voorafgaand aan de werkzaamheden het dan actuele opbarstrisico wordt vastgesteld en zo nodig de daarvoor passende mitigerende maatregelen worden genomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niemand, ook vergunninghouder niet, wil dat als gevolg van werkzaamheden opbarsting van slootbodems plaatsvindt. Dit betekent dat als toch opbarsting plaatsvindt zowel vergunninghouder als het HDSR hierop direct actie zullen ondernemen. Van rechtsonzekerheid is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Détournement de pouvoir
35. Het HDSR mag zijn bevoegdheid tot het verlenen van de omgevingsvergunning niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. [8]
36. Eisers voeren aan dat het HDSR dit wel heeft gedaan, omdat de plas-drasberging in strijd zou zijn met het omgevingsplan. Door de omgevingsvergunning voor de wateractiviteit het aanleggen van een waterberging toch te verlenen, zou het HDSR volgens eisers een ruimtelijk besluit hebben genomen waartoe alleen de bestuursorganen van de gemeente Utrecht – en dus niet het HDSR – bevoegd zouden zijn.
37. Het is de rechtbank niet gebleken dat het aanleggen van de plas-drasberging in strijd is met het omgevingsplan. Als dit wel het geval is, dan zal vergunninghouder voor de aanleg daarvan een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit moeten aanvragen bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. Of als dit wel het geval is en vergunninghouder de plas-drasberging zonder de benodigde omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit aanlegt, dan is dit volgens vaste rechtspraak een kwestie van handhaving door het college van burgemeester en wethouders van de Utrecht.
38. Dus ook als de plas-drasberging wel in strijd is met het omgevingsplan, raakt dit niet aan de omgevingsvergunning wateractiviteit die in deze procedure ter beoordeling aan de rechtbank voorligt. Van détournement de pouvoir of strijd met een andere rechtsregel door het HDSR is geen sprake. Het HDSR is juist het bevoegd gezag voor het op grond van de waterschapsverordening verlenen van een omgevingsvergunning wateractiviteit. [9]

Conclusie en gevolgen

39. Het beroep van eiser [eiser 1] is niet-ontvankelijk. Het consortium en de overige eisers krijgen geen gelijk, hun beroepen zijn dus ongegrond. Dit betekent dat de rechtbank de bestreden besluiten en daarmee de omgevingsvergunning wateractiviteit in stand laat.
40. Omdat de beroepen niet-ontvankelijk dan wel ongegrond zijn, krijgen zowel het consortium als eisers het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart:
  • het beroep van eiser [eiser 1] niet-ontvankelijk;
  • de beroepen van het consortium en de overige eisers ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzitter, en mr. R.C. Moed en mr. W. Altenaar, leden, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
3.De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:561 en 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3193.
4.Artikel 7:1, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:1 van Pro de Awb.
5.Artikel 5.7 van de Omgevingswet.
6.Artikel 1.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden 2024 (de waterschapsverordening).
7.Als bedoeld in artikel 1.16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Waterschapsverordening.
8.Artikel 3:3 van Pro de Awb.
9.Artikel 4.2 van het Omgevingsbesluit.