ECLI:NL:RBMNE:2026:3586

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
11976730 MC EXPL 25-6362 RD/960
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 6:96 BWArt. 706 RvArt. 94 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing loonvorderingen en terugbetaling lening werknemer aan werkgever

De werknemer heeft aan de werkgever een lening van €20.000 verstrekt, die niet is terugbetaald. Daarnaast heeft de werkgever het salaris en de vakantiebijslag over meerdere maanden niet volledig voldaan, ondanks een vaststellingsovereenkomst.

De werknemer vordert betaling van het achterstallige loon, vakantiebijslag, wettelijke rente, wettelijke verhogingen, incassokosten, beslagkosten en de terugbetaling van de lening met rente en boete. De werkgever erkent de betalingsverplichtingen maar verzoekt om een betalingsregeling en stelt dat de lening apart behandeld moet worden.

De kantonrechter oordeelt dat de gecombineerde vorderingen samenhang vertonen en dat de kantonrechter bevoegd is om over de lening mee te beslissen. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van het volledige gevorderde bedrag inclusief rente, boetes en kosten. Een betalingsregeling wordt niet opgelegd omdat de werknemer daartoe niet bereid is.

De proceskosten worden aan de werkgever opgelegd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. De uitspraak bevestigt dat liquiditeitsproblemen de betalingsverplichting niet opheffen en dat de werkgever de lening en achterstallige salarissen volledig moet voldoen.

Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, vakantiebijslag, rente, boetes, incassokosten en terugbetaling lening aan werknemer.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
zaaknummer: 11976730 MC EXPL 25-6362 RD/960
Vonnis van 1 juli 2026
inzake
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [eiseres] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. R.J.H. van den Dungen,
tegen:
de besloten vennootschap
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
verschenen bij [gemachtigde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 7, van 12 november 2025;
- de conclusie van antwoord met producties, van 23 december 2025;
- productie 8 van [eiseres] .
1.2.
De kantonrechter heeft een mondelinge behandeling bepaald. Op de zitting van 22 mei 2026 is [eiseres] verschenen met haar gemachtigde. Namens [gedaagde] is [gemachtigde] verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] heeft [gedaagde] op 3 oktober 2024 een lening verstrekt van € 20.000,00.
2.2.
De terugbetaling van de lening zou plaatsvinden met € 2.500,00 per week. De lening zou dan afgelost zijn op 29 november 2024. Bij te late aflossing is [gedaagde] rente en een boete aan [eiseres] verschuldigd. [gedaagde] heeft geen aflossingen op de lening gedaan.
2.3.
[eiseres] is op 4 november 2024 in dienst getreden van [gedaagde] . Het maandsalaris bedroeg laatstelijk € 4.333,00 bruto.
2.4.
[gedaagde] heeft niet het volledige salaris en vakantiebijslag aan [eiseres] betaald.
2.5.
Het dienstverband is per 1 oktober 2025 met wederzijds goedvinden geëindigd. Partijen hebben daartoe op 12 september 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Onderdeel van deze overeenkomst is betaling van het salaris over de maanden juni 2025, juli 2025, augustus 2025, september 2025 en de vakantiebijslag.
2.6.
[eiseres] heeft een dagvaarding in kort geding uitgebracht ter nakoming van de vaststellingsovereenkomst. In het kader van een regeling heeft [gedaagde] toegezegd de onder 2.5 genoemde salarissen en de vakantiebijslag op 25 september 2025 te betalen. De kort geding procedure is daarop door [eiseres] ingetrokken. [gedaagde] heeft niet betaald.
2.7.
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft [eiseres] op 30 oktober 2025 toestemming gegeven om ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag te leggen onder de ABN AMRO Bank.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan haar te voldoen:
I. € 4.333,00 bruto, te verminderen met een bedrag van € 1.000,00 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente over het saldo van beide bedragen, te berekenen vanaf 25 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro van € 2.166,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.166,50 bruto te berekenen vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;
II. € 4.333,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te berekenen vanaf 25 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro van € 2.166,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.166,50 bruto, te berekenen vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;
III. € 4.333,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te berekenen vanaf 25 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro van € 2.166,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.166,50 bruto te berekenen vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;
IV. € 4.333,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te berekenen vanaf 25 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro van € 2.166,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.166,50 bruto te berekenen vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;
V. € 1.386,56 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te berekenen vanaf 25 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro van € 693,28 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 693,28 bruto, te berekenen vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;
VI. € 20.000,00, te vermeerderen met een rente van 3% per jaar over dit bedrag, te berekenen vanaf 29 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, te vermeerderen met de boete van € 557,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over
€ 557,50, te berekenen vanaf 23 juni 2025 tot aan de van de algehele voldoening;
VII. € 1.175,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te berekenen vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, het salaris van de gemachtigde, de kosten van het derdenbeslag van € 1.979,17 en de nakosten daaronder begrepen.
3.2.
[eiseres] stelt dat [gedaagde] de vaststellingsovereenkomst na moet komen. [gedaagde] heeft aan salaris over juni 2025 echter slechts € 1.000,00 netto betaald. De salarissen over de maanden juli 2025, augustus 2025 en september 2025 en de vakantiebijslag heeft [gedaagde] in het geheel niet betaald. Daarnaast moet de lening aan [eiseres] terugbetaald worden. [gedaagde] is daarover rente een boete verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] erkent dat zij de vaststellingsovereenkomst na moet komen. De uitvoering wordt echter belemmerd door het gelegde beslag, dat de liquiditeit van de onderneming ernstig onder druk heeft gezet. [gedaagde] erkent ook dat zij de geldlening aan [eiseres] terug moet betalen. Zij is daartoe ook altijd bereid geweest. Nu de geldlening door partijen echter altijd als een separate kwestie is aangemerkt, verzoekt [gedaagde] de geldlening niet bij deze procedure te betrekken. [gedaagde] voert aan dat [eiseres] in de uitvoering van haar werkzaamheden schade heeft toegebracht aan de onderneming. Zij behoudt zich het recht voor deze schade in een separate procedure aan de rechter voor te leggen. Als [gedaagde] moet betalen aan [eiseres] , dan verzoekt zij om een betalingsregeling te bepalen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Het salaris en vakantiebijslag
4.1.
[gedaagde] erkent dat hij het salaris en de vakantiebijslag van [eiseres] nog moet betalen. Gelet hierop zal de kantonrechter het salaris over de maanden juni 2025, minus de betaling van € 1.000,00 netto, juli 2025, augustus 2025 en september 2025 zoals geëist toewijzen. Hetzelfde geldt voor de geëiste vakantiebijslag.
4.2.
De gevorderde rente over de onder 4.1 toegewezen bedragen zal als onweersproken worden toegewezen.
4.3.
Omdat [gedaagde] het salaris en het vakantiegeld te laat voldoet wordt de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente daarover eveneens toegewezen.
4.4.
Eventuele liquiditeitsproblemen ontheffen [gedaagde] niet van haar betalingsverplichting. Dit temeer nu deze liquiditeitsproblemen volgens [gedaagde] (mede) veroorzaakt worden door het door [eiseres] gelegde beslag om haar loonaanspraken veilig te stellen.
De lening
4.5.
[gedaagde] vindt dat de geldlening in een aparte procedure behandeld moet worden.
4.6.
De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in dit standpunt. [eiseres] heeft haar vorderingen gecombineerd aan de kantonrechter voorgelegd. Duidelijk is dat [eiseres] een vordering heeft uit hoofde van haar arbeidsovereenkomst (salaris, vakantiebijslag en nevenvorderingen), zodat de kantonrechter op grond van artikel 94 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd is om (ook) te oordelen over de geldlening. [eiseres] heeft immers onweersproken gesteld dat zij de lening nooit aan [gedaagde] zou hebben verstrekt, indien zij toen al niet wist dat zij kort daarna in dienst zou treden bij [gedaagde] . Dit maakt dat de samenhang tussen deze vorderingen zich tegen een afzonderlijke behandeling verzet en de kantonrechter ook op de vordering ten aanzien van de lening zal beslissen. Dat partijen de vorderingen voorheen gescheiden hebben gehouden, maakt het huidige verzoek van [eiseres] en de bevoegdheid van de kantonrechter immers niet anders.
4.7.
[gedaagde] erkent dat hij de geldlening aan [eiseres] terug moet betalen. De kantonrechter zal het gevorderde bedrag van € 20.000,00 dan ook toewijzen.
4.8.
[gedaagde] stelt weliswaar een vordering op [eiseres] te hebben, maar nu deze vordering geen onderdeel is van deze procedure kan de kantonrechter hier niet over oordelen. Dit laat overigens nog onverlet dat [gedaagde] in het geheel geen onderbouwing heeft gegeven van zijn (blote) stellingen op dit punt.
4.9.
[gedaagde] heeft de verschuldigdheid en de hoogte van de gevorderde rente en boetes ook niet weersproken. Ook deze bedragen zal de kantonrechter daarom toewijzen.
4.10.
[gedaagde] verzoekt om een betalingsregeling. Tijdens de mondelinge behandeling van deze zaak heeft de kantonrechter al besproken dat zij een dergelijke regeling niet aan partijen (dwingend) kan opleggen. Hiervoor is de wil van beide partijen nodig en ter zitting is gebleken dat [eiseres] die wil niet (meer) heeft. [eiseres] is niet verplicht om met een betaling in termijnen genoegen te nemen. De kantonrechter zal beslissen op de eisen zoals door [eiseres] in haar dagvaarding heeft geformuleerd.
De kosten
4.11.
[eiseres] vordert een vergoeding van € 1.175,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten is eveneens toewijsbaar.
4.12.
[eiseres] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv Pro toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 407,17 voor verschotten en € 866,00 voor salaris advocaat (1 rekest x
€ 866,00). Het griffierecht voor het beslagrekest zal worden meegenomen bij de proceskostenveroordeling.
4.13.
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.
De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 732,00
- nakosten € 144,00
- salaris gemachtigde €
2.165,00( 2,5 punt x tarief € 866,00)
totaal € 3.185,47

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te voldoen € 4.333,00 bruto, te verminderen met een bedrag van € 1.000,00 netto, aan loon voor de maand juni 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over het saldo van beide bedragen, te berekenen vanaf 25 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro van € 2.166,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.166,50 bruto te berekenen vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te voldoen € 4.333,00 bruto aan loon voor de maand juli 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te berekenen vanaf 25 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro van € 2.166,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.166,50 bruto, te berekenen vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te voldoen € 4.333,00 bruto aan loon voor de maand augustus 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te berekenen vanaf 25 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro van € 2.166,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.166,50 bruto te berekenen vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te voldoen € 4.333,00 bruto aan loon voor de maand september 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te berekenen vanaf 25 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro van € 2.166,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.166,50 bruto te berekenen vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te voldoen € 1.386,56 bruto aan vakantiebijslag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te berekenen vanaf 25 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, te vermeerderen met de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro van € 693,28 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 693,28 bruto, te berekenen vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.6. € 20.000,00
voor de geldlening, te vermeerderen met een rente van 3% per jaar over dit bedrag, te berekenen vanaf 29 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, te vermeerderen met de boete van € 557,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over
€ 557,50, te berekenen vanaf 23 juni 2025 tot aan de van de algehele voldoening;
5.7. € 1.175,00
aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te berekenen vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.8.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de beslagkosten aan de zijde van [eiseres] , tot op heden begroot op € 1.273,17;
5.9.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 3.185,47, waarin begrepen € 2.165,00,00 aan salaris gemachtigde. De proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
5.10.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.