ECLI:NL:RBMNE:2026:3721

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
27 juni 2026
Zaaknummer
C/16/597749 / HA ZA 25-399
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 SvArt. 225 SrAlgemene verordening gegevensbeschermingUitvoeringswet AVGProtocol Incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen 2021
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering onrechtmatige registratie van fraude in hypotheekaanvraag

Eiser werd door ASN Bank geregistreerd in interne en externe incidentenregisters wegens het verstrekken van onjuiste en vervalste gegevens over zijn dienstverband bij een hypotheekaanvraag. ASN baseerde dit op onderzoek waaruit bleek dat de werkgeversverklaring geantedateerd was en het opgegeven jaarinkomen niet overeenkwam met de werkelijkheid.

Eiser voerde aan dat hij werkzaamheden verrichtte en dat de verklaring onjuist was vanwege administratieve redenen, maar kon dit niet overtuigend onderbouwen. ASN stelde dat de registratie proportioneel was vanwege het belang van de bank en de financiële sector bij het voorkomen van fraude.

De rechtbank oordeelde dat ASN terecht had geregistreerd omdat eiser onjuiste gegevens had verstrekt en dat de belangen van ASN zwaarder wogen dan die van eiser. De gevorderde verklaring voor recht, verwijdering van de registratie en verkorting van de looptijd werden afgewezen. Ook de vordering tot schadestaat werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en bevestigt de rechtmatigheid van de registratie van eiser als fraudeur door ASN Bank.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/597749 / HA ZA 25-399
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. F. Arts,
tegen
ASN BANK N.V. H.O.D.N. DE VOLKBANK EN BLG WONEN,
te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ASN,
advocaat: mr. G.T. Flapper.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 juli 2025, met producties 1 tot en met 29,
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 16,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte tot het in het geding brengen van producties van [eiser] , met producties 30 tot en met 36,
- de akte tot het in het geding brengen van producties van ASN, met producties 17 tot en met 19,
- de mondelinge behandeling van 27 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1
ASN heeft de persoonsgegevens van [eiser] voor een periode van acht jaar opgenomen in haar interne- en externe incidentenregisters, omdat [eiser] bij de aanvraag van een hypothecaire lening voor een woning onjuiste en vervalste gegevens ten aanzien van een dienstverband heeft verstrekt. [eiser] stelt dat de registraties ongegrond zijn en dat ASN onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld. Hij vordert daarvan een verklaring voor recht. Voor de door hem geleden schade vordert hij een verwijzing naar de schadestaatprocedure. Ook vordert hij ongedaanmaking van de registraties, dan wel verkorting van de looptijd daarvan. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af.

3.De beoordeling

Het toetsingskader
3.1
ASN heeft de persoonsgegevens [eiser] opgenomen in haar interne- en externe registers. Financiële instellingen hebben een incidentenregister opgezet om gedragingen te kunnen vastleggen die tot benadeling van (andere) financiële instellingen kunnen leiden. In het extern verwijzingsregister (EVR) staan verwijzingsgegevens naar het incidentenregister. Het EVR kan door andere financiële instellingen worden geraadpleegd. In de gebeurtenissenadministratie van banken worden ook gebeurtenissen vastgelegd die van belang kunnen zijn voor de veiligheid en integriteit van de bank. De afdeling Veiligheidszaken van die bank beslist vervolgens of voorvallen ook leiden tot een vermelding in het intern verwijzingsregister (IVR). Het IVR kan alleen binnen de eigen organisatie worden geraadpleegd. Op deze gegevensverwerking is de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de bijbehorende Uitvoeringswet (UAVG) van toepassing. De regelgeving is nader uitgewerkt in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem financiële instellingen 2021 (PIFI).
3.2
Op grond van het PIFI kan registratie in het EVR – kort gezegd – plaatsvinden als: (1) sprake is van een gedraging van een persoon welke een bedreiging vormt, vormde of kan vormen voor de (financiële) belangen van de bank of haar klanten en/of medewerkers of voor de continuïteit en integriteit van de financiële sector;
(2) in voldoende mate vast komt te staan dat de persoon betrokken is bij de hiervoor genoemde gedraging; en
(3) bij de registratie het proportionaliteitsbeginsel in acht is genomen. [1]
Voor registratie van een gedraging is niet vereist dat sprake is van veroordeling door de strafrechter. Het moet gaan om zodanige concrete feiten en omstandigheden dat voldoende bewijs beschikbaar is van een onrechtmatige of strafbare gedraging in de zin van artikel 350 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Er moet dus duidelijk meer zijn dan enkel een redelijk vermoeden van schuld. [2] Verder is het uitgangspunt dat het aan de bank, hier ASN, is om te concretiseren en te onderbouwen waarom de registratie in een concreet geval gerechtvaardigd is. Daarbij moet een belangenafweging worden gemaakt.
3.3
De toets voor registratie in het IVR is, omdat dat een intern register is, lichter dan die voor registratie in het EVR. Het is voor die registratie voldoende dat sprake is van een gebeurtenis die de aandacht van de bank behoeft vanwege de veiligheid en integriteit. [3]
[eiser] is betrokken bij een gedraging als hiervoor bedoeld onder (1) en (2)
3.4
Afdeling Veiligheidszaken van ASN heeft onderzoek gedaan naar de juistheid van de bij de hypotheekaanvraag van 12 mei 2023 namens [eiser] aangeleverde gegevens. Deze afdeling heeft aan [eiser] en zijn hypotheekadviseur meermaals vragen gesteld over zijn aanvraag en hem met voor ASN opvallende feiten en omstandigheden over zijn dienstverband geconfronteerd. Ook heeft de afdeling verschillende stukken opgevraagd die verband houden met het dienstverband van [eiser] . Op basis van dit onderzoek heeft ASN haar conclusies getrokken. ASN heeft voldoende onderbouwd dat [eiser] onjuiste en vervalste gegevens heeft verstrekt bij de aanvraag van de door hem gewenste hypotheek. Hierbij is het volgende van belang.
De werkgeversverklaring bevat onjuiste gegevens
3.5
[eiser] heeft bij de hypotheekaanvraag van 12 mei 2023 een werkgeversverklaring van 1 mei 2022 van [onderneming 1] B.V. ( [onderneming 1] ) en een (eerste) loonstrook van 31 mei 2023 overgelegd. In de hypotheekaanvraag is het salaris opgenomen zoals in de werkgeversverklaring is vermeld. Op de werkgeversverklaring staat dat [eiser] sinds de oprichting van [onderneming 1] op 20 mei 2022 als CEO bij [onderneming 1] in dienst is. Volgens ASN klopt dit niet, omdat geen sprake was van een dienstverband en deze gefingeerd is. Ook het jaarinkomen dat op de werkgeversverklaring is vermeld, klopt volgens ASN niet met het werkelijke inkomen van [eiser] in 2022. Op die werkgeversverklaring staat namelijk dat [eiser] bij [onderneming 1] een jaarinkomen heeft van in totaal € 108.480,- Maar, uit het onderzoek van ASN volgt dat dit jaarinkomen niet is te herleiden tot de door [eiser] overgelegde facturen en bankafschriften uit 2022.
3.6
[eiser] heeft in reactie hierop uitgelegd dat [onderneming 1] een startup was in de betaaldienstverlening en bezig was met een aanvraag van een betaalvergunning bij De Nederlandsche Bank (DNB). [onderneming 1] had tot 30 april 2023 nog geen bankrekening en kon daarom geen loon aan [eiser] overmaken, aldus [eiser] . [eiser] zou wel werkzaamheden hebben verricht voor [onderneming 1] en daarvoor via andere routes vergoedingen hebben ontvangen. Volgens [eiser] heeft hij daartoe via zijn eigen onderneming [onderneming 2] facturen gestuurd naar [onderneming 3] LLC, een onderneming van een persoon die kennelijk ook bij [onderneming 1] betrokken was en wel over een bankrekening beschikte. Uit de in dit kader door [eiser] overgelegde facturen volgt echter dat hij een bedrag van € 40.229,42 voor zijn werkzaamheden heeft gefactureerd. Dit is nog niet de helft van het jaarinkomen bij [onderneming 1] als vermeld op de werkgeversverklaring. Bovendien volgt uit die facturen geen vast maandsalaris, maar gaat het telkens om uiteenlopende bedragen. Uit de overgelegde bankafschriften volgt dat [eiser] in 2022 een totaalbedrag van € 51.711,39 heeft ontvangen. Dit is weer een ander bedrag en komt ook niet in de buurt van het jaarinkomen op de werkgeversverklaring. Dat [eiser] in 2022 inderdaad niet het jaarsalaris heeft ontvangen zoals vermeld op de werkgeversverklaring, heeft hij tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. [eiser] heeft daarbij nog aangevoerd dat hij in de toekomst, zodra [onderneming 1] een bankrekening zou hebben, wel het loon zou gaan ontvangen zoals op de werkgeversverklaring staat. Maar dit maakt het bovenstaande niet anders. Ook volgt uit het door [eiser] overgelegde document dat hij als arbeidsovereenkomst aanwijst (productie 2 bij dagvaarding) niet dat het loon op een later moment wordt betaald. Daarin staat alleen dat er – zolang een bankrekening ontbreekt – samen met [onderneming 1] naar een oplossing wordt gezocht voor betaling van het jaarinkomen aan [eiser] . Nu vast staat dat [eiser] dit jaarinkomen niet heeft ontvangen, terwijl dit wel zo in de werkgeversverklaring is opgenomen, heeft ASN alleen al om deze reden terecht geconcludeerd dat de werkgeversverklaring onjuiste informatie bevat.
De werkgeversverklaring is geantedateerd
3.7
Daarnaast is gebleken dat de door [eiser] verstrekte werkgeversverklaring is geantedateerd en dus valselijk is opgemaakt. Op de werkgeversverklaring is namelijk vermeld dat gebruik is gemaakt van het model uit 2023 (‘
NHG werkgeversverklaring 2023-1, geldig vanaf 01-01-2023’) terwijl de werkgeversverklaring al daarvoor, op 1 mei 2022, is ondertekend. [eiser] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat het model een standaard Word-document betreft dat in elk software pakket is te vinden en dat daarin eenvoudig een jaartal kan worden aangepast. Volgens [eiser] heeft [onderneming 1] de werkgeversverklaring op deze manier opgesteld, omdat dit in het belang van de betaalvergunning bij DNB was. Hij heeft ook verklaringen overgelegd van de betrokken bestuurders van [onderneming 1] die zijn uitleg beamen. Maar, in reactie daarop heeft ASN toegelicht dat het voor de werkgeversverklaring gebruikte model (model 2023) pas vanaf 1 november 2022 is gepubliceerd en voor die tijd dus niet opgesteld kan zijn. Het model 2023 bevat namelijk niet alleen een ander onderschrift, maar ook een andere inhoud dan het oude model (zoals bepaalde aankruishokjes). Zij heeft dit onderbouwd met een verklaring van het Service Center NHG. Gelet op deze verklaring en de gegeven uitleg daarbij door ASN is het zeer onaannemelijk dat het model 2023 al in mei 2022 is gebruikt. Het was toen immers nog niet openlijk gepubliceerd. Dit betekent dat de werkgeversverklaring op een later moment dan op 1 mei 2022 (na 1 november 2022) moet zijn ondertekend en dus geantedateerd is. Antedateren is valsheid in geschrifte, dat wil zeggen het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift met het oogmerk om dat als echt en onvervalst te gebruiken. [4] Dit maakt dat [eiser] met het overleggen van de werkgeversverklaring vervalste gegevens heeft aangeleverd. Ook als [eiser] de werkgeversverklaring niet zelf heeft opgesteld, zoals hij tijdens de mondelinge behandeling heeft benadrukt, blijft hij verantwoordelijk voor de door hem verstrekte onjuiste gegevens aan ASN. [eiser] heeft verklaard dat hij als CEO van het begin tot het eind bij de oprichting van [onderneming 1] betrokken was en dat hij zich ook bezighield met een stuk management. Van [eiser] mocht daarom nog meer worden verwacht dat hij alert was op de juistheid van de inhoud van zijn werkgeversverklaring. Het had hem bovendien moeten opvallen dat het vermelde jaarinkomen niet klopt. [eiser] kan zich dan ook niet verschuilen achter het feit dat niet hij, maar een collega-bestuurder een geantedateerd stuk zou hebben gebruikt.
Andere aanwijzingen voor het verstrekken van onjuiste gegevens
3.8
ASN heeft in haar onderzoek naar de hypotheekaanvraag van [eiser] (onder meer) vragen gesteld aan [eiser] en nadere informatie opgevraagd bij de Belastingdienst en het UWV. Daaruit is gebleken dat ook het door [eiser] opgegeven inkomen in zijn aangifte IB 2022 niet overeenkomt met het jaarinkomen van de werkgeversverklaring. [eiser] heeft bij die aangifte bovendien niet vermeld dat hij in 2022 voor [onderneming 1] werkzaam is geweest. Alleen de winst uit zijn ondernemersinkomen van zijn eigen onderneming [onderneming 2] heeft hij hierin vermeld en dat is juist niet te herleiden tot een vast salaris van [onderneming 1] . Ook blijkt dat [eiser] pas op 1 mei 2023, de datum van zijn eerste loonstrook en dus een jaar nadat volgens de werkgeversverklaring het dienstverband zou zijn ingetreden, bij het UWV is aangemeld. Het had op de weg van [onderneming 1] gelegen om [eiser] al bij het aangaan van het dienstverband bij het UWV aan te melden en anders dit vanaf mei 2023 met terugwerkende kracht te doen, wat ook niet is gebeurd. Verder volgt uit het door [eiser] ingevulde aanvraagformulier van de aanvangstoetsing bij DNB dat de beoogde startdatum van de werkzaamheden van [eiser] in dienst van [onderneming 1] pas 1 september 2022 is. Daaruit volgt weer een andere startdatum voor zijn werkzaamheden. Deze bevindingen komen niet overeen met de informatie op de werkgeversverklaring over het dienstverband van [eiser] .
[eiser] had belang bij het aanleveren van onjuiste gegevens
3.9
Anders dan [eiser] heeft betoogd, had hij wel degelijk belang bij het overleggen van een onjuiste werkgeversverklaring. ASN heeft op zitting toegelicht dat zij andere vragen aan [eiser] zou hebben gesteld als zij deze werkgeversverklaring niet zou hebben ontvangen. Zo vond ASN met name de timing van de hypotheekaanvraag opvallend. [onderneming 1] had immers maar twee dagen na aankoop van de woning van 30 april 2023 een bankrekening geopend, [eiser] ongeveer een week daarna op 8 mei 2023 al een bruto maandsalaris betaald en op 31 mei 2023 de eerste loonstrook verstrekt. Deze gebeurtenissen zitten opvallend kort op elkaar. Vragen hierover heeft ASN nu niet gesteld, omdat [eiser] een werkgeversverklaring had overgelegd. Daarbij komt dat [eiser] de gevraagde hypotheek op basis van zijn werkelijke ondernemersinkomen bij [onderneming 2] niet had kunnen verkrijgen. ASN heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de loan-to-income ratio van het ondernemersinkomen van [eiser] zou uitkomen op een onacceptabele leennorm voor deze woning, terwijl dit met het inkomen van de werkgeversverklaring niet zo was.
Tussenconclusie: incident als bedoeld in het PIFI
3.1
[eiser] heeft op grond van het voorgaande onjuiste en vervalste gegevens aan ASN aangeleverd. Het aanleveren van zulke gegevens is aan te merken als een onrechtmatige gedraging. Hierdoor is sprake van een incident zoals bedoeld in het PIFI. Deze gebeurtenis heeft als gevolg of zou als gevolg kunnen hebben dat de belangen, integriteit of veiligheid van ASN of de financiële sector in het geding komen. Dit kan alleen [eiser] worden aangerekend. [eiser] draagt zelf de volledige verantwoordelijkheid voor (de inhoud van) die aangeleverde gegevens. Dit ligt niet, zoals hij stelt, bij [onderneming 1] ofwel de door hem betrokken hypotheekadviseur. [eiser] moet er namelijk voor zorgen dat hij – via zijn hypotheekadviseur – kloppende stukken aan ASN aanlevert. Dat hij geen invloed zou hebben op de inhoud van de door [onderneming 1] opgestelde werkgeversverklaring, zoals [eiser] betoogt, maakt dit niet anders. Hij is immers eindverantwoordelijk voor de hypotheekaanvraag en daarin heeft hij de gegevens van de werkgeversverklaring overgenomen. Als [eiser] ten tijde van de hypotheekaanvraag over een juiste werkgeversverklaring of andere relevante gegevens beschikte, zoals hij op zitting nog heeft verklaard, had het op zijn weg gelegen deze (via zijn hypotheekadviseur) alsnog bij ASN aan te leveren. Dat heeft hij niet gedaan.
Het is proportioneel dat ASN [eiser] heeft geregistreerd als bedoeld onder (3)
3.11
Het is in dit geval proportioneel dat ASN [eiser] in het incidentenregister en EVR heeft geregistreerd, omdat haar belangen op dat moment zwaarder wogen dan de belangen van [eiser] . Naar eigen zeggen heeft [eiser] door de registratie zijn werkzaamheden voor [onderneming 1] moeten beëindigen en heeft de registratie een enorme financiële en psychische impact op hem gehad. [eiser] heeft niet, althans onvoldoende, toegelicht welke concrete financiële en psychische gevolgen de registraties op hem hebben gehad en dit ook niet (met stukken) onderbouwd. Bovendien wegen de gevolgen van het verwijtbaar handelen van [eiser] niet op tegen het (algemeen) belang van ASN om de continuïteit en integriteit van de financiële sector te beschermen. ASN is verantwoordelijk voor het voorkomen van overkreditering en het signaleren van eventuele fraude en moet daarom op de juistheid en getrouwheid van de verstrekte gegevens kunnen vertrouwen. Aan ASN zijn nu onjuiste gegevens verstrekt, zodat dat vertrouwen is geschaad. ASN moet de mogelijkheid hebben om andere financiële instellingen hiervoor te waarschuwen, zodat dit elders niet (ook) gebeurt. Op het moment van registratie werd dan ook aan het proportionaliteitsvereiste voldaan.
3.12
Het voorgaande brengt met zich mee dat de persoonsgegevens ook in de gebeurtenissenadministratie en het IVR mochten worden opgenomen, omdat sprake is van een gebeurtenis die de aandacht van de bank behoeft vanwege de veiligheid en integriteit.
De verklaring voor recht wordt afgewezen
3.13
De gevorderde verklaring voor recht dat de registraties ongegrond zijn en ASN daarmee onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld, wordt dan ook afgewezen.
De registraties worden niet ongedaan gemaakt en de looptijd wordt niet verkort
3.14
[eiser] heeft gevorderd dat de registraties worden verwijderd en anders de looptijd daarvan wordt verkort. De belangen van [eiser] en ASN moeten daarvoor tegen het licht van de huidige omstandigheden worden beoordeeld.
3.15
De belangen van ASN wegen op dit moment nog steeds zwaarder dan de belangen van [eiser] . Voor ASN geldt immers nog steeds het hiervoor genoemde algemeen belang. ASN heeft op zitting toegelicht dat voor haar van belang is dat [eiser] , zeker vanuit zijn functie als fiscalist, onjuiste gegevens heeft aangedragen en dat hij dit vanuit deze positie niet had mogen doen. Vast is komen te staan dat [eiser] onjuiste gegevens heeft verstrekt en daarmee een risico voor de continuïteit en integriteit van de financiële sector vormt. Ook tegen deze achtergrond heeft ASN ervoor gekozen het alleen bij deze registraties te houden en niet ook de bankrelatie met [eiser] op te zeggen. Dit betekent dat zijn oorspronkelijke hypotheek bij ASN behouden bleef en de gevolgen voor het persoonlijke leven van [eiser] relatief beperkt zijn gebleven. [eiser] heeft daarentegen niet laten zien waardoor hij op dit moment nog door de registraties wordt gehinderd. Zo heeft hij onvoldoende weersproken dat een registratie geen belemmering vormt om een bankrekening te openen, bijvoorbeeld bij de Europese bank Revolut, of om zich te laten verzekeren. Volgens [eiser] kan hij nu geen grote opdrachten uitvoeren en zich niet aansluiten bij een maatschap, waardoor groeien op zakelijk vlak voor hem lastig is. Maar, [eiser] heeft op zitting toegelicht dat hij inmiddels zijn eigen werkzaamheden voor [onderneming 2] weer heeft opgebouwd en dat dit goed gaat. Hij is bovendien verhuisd naar België, waar de registraties niet gelden. Een wens om terug naar Nederland te komen, heeft [eiser] niet uitgesproken. De registraties zijn, gelet op al het voorgaande, proportioneel. De rechtbank ziet dus geen aanleiding ASN op te dragen de registratie te verwijderen of de looptijd daarvan te verkorten. Ook deze vordering wordt afgewezen.
Geen verwijzing schadestaat
3.16
Nu niet is komen vast te staan dat ASN onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld en daardoor schade heeft geleden, wordt de vordering tot verwijzing naar de schadestaat ook afgewezen.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser]
3.17
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ASN worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.209,00

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis voor zover het de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van 't Hof en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 5.2.1 van het PIFI.
2.Zie Hoge Raad 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720.
3.Zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 april 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3120.
4.Artikel 225 van Pro het Wetboek van Strafrecht.