ECLI:NL:RBMNE:2026:3758

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
12090463 \ UE VERZ 26-58
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 3 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst wegens honden op werkvloer

De werknemer werkt sinds 2014 bij de werkgever en heeft angst voor honden. Recent nam een collega dagelijks een hulphond mee naar kantoor, wat leidde tot klachten van de werknemer over haar angst en de overlast van de hond op de werkvloer. De werknemer heeft dit meerdere malen kenbaar gemaakt, onder meer via de ondernemingsraad en e-mails aan het managementteam.

De werkgever heeft het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend wegens vermeend verwijtbaar gedrag van de werknemer en een verstoorde arbeidsrelatie. De kantonrechter concludeert echter dat de problemen voortkomen uit de wijze waarop de werkgever is omgegaan met de angst van de werknemer en de aanwezigheid van honden op kantoor. De werknemer heeft niet verwijtbaar gehandeld.

Er is geen sprake van een duurzaam verstoorde arbeidsrelatie, mede omdat de werkgever onvoldoende heeft gereageerd op de klachten en geen adequaat hondenbeleid heeft ingevoerd. De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek af en veroordeelt de werkgever tot betaling van de proceskosten. Tevens moet de werkgever de toegang van de werknemer tot haar accounts herstellen.

Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen omdat de werknemer niet verwijtbaar heeft gehandeld en de arbeidsverhouding niet duurzaam is verstoord.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12090463 \ UE VERZ 26-58
Beschikking van 30 april 2026
in de zaak van
de vereniging
[verzoekende partij],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
gemachtigde: mr. S.M.M. Hamers,
tegen
[verwerende partij],
wonend in [woonplaats ] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: [verwerende partij] ,
gemachtigde: mr. G.G.A.J.M. van Poppel.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
- het verzoekschrift, met producties
- het verweerschrift, met producties
1.2.
Op 2 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [verzoekende partij] was mevrouw [A] (voorzitter van [verzoekende partij] , hierna: [A] ) en de heer [B] (woordvoerder van [verzoekende partij] ) aanwezig. De gemachtigde van [verzoekende partij] heeft spreekaantekeningen voorgedragen. [verwerende partij] was aanwezig met haar gemachtigde. Op de mondelinge behandeling is op verzoek van de kantonrechter een e-mail van 18 november 2025 overgelegd. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten toegelicht. Partijen hebben ook op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter meegedeeld dat er vandaag een uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1.
[verwerende partij] is werkzaam bij [verzoekende partij] . [verzoekende partij] verzoekt in deze procedure ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij] , omdat zij zich verwijtbaar heeft gedragen en/of de arbeidsverhouding tussen partijen duurzaam is verstoord. [verwerende partij] is het hier niet mee eens en wil graag voor [verzoekende partij] blijven werken. De kantonrechter komt tot de conclusie dat de problemen tussen partijen zijn terug te voeren op de manier waarop [verzoekende partij] is omgegaan met de angst van [verwerende partij] voor honden enerzijds en de behoefte van andere werknemers om een (hulp)hond mee te nemen naar het werk anderzijds. Dat betekent dat [verwerende partij] niet verwijtbaar heeft gehandeld. Er zijn geen aanknopingspunten dat de verhouding tussen partijen door de mede op misverstanden gebaseerde problemen die zijn ontstaan duurzaam verstoord is geraakt. Het verzoek tot ontbinding wordt dus afgewezen.

3.De beoordeling

De voorgeschiedenis
3.1.
[verzoekende partij] heeft allereerst gesteld dat [verwerende partij] zich verwijtbaar heeft gedragen. Om het gestelde verwijtbare gedrag goed te kunnen beoordelen is van belang dat duidelijk wordt wat er precies tussen partijen is voorgevallen in de aanloop naar het besluit van [verzoekende partij] om de arbeidsovereenkomst te beëindigen en in welke setting dat is gebeurd. Uit wat partijen over en weer hebben verteld heeft de kantonrechter het volgende begrepen.
3.2.
[verzoekende partij] is een beroepsorganisatie en vakbond voor zorgprofessionals. [verwerende partij] , geboren 28 juli 1982, werkt sinds 8 juli 2014 bij [verzoekende partij] als medewerker ledenadministratie. [verwerende partij] werkt 26 uur per week en haar loon bedraagt € 2.463,42 bruto per maand. [verwerende partij] werkt dinsdag, donderdag en vrijdag op kantoor. Het kantoor is ingericht als kantoortuin voor 16 werkplekken, waaronder drie eenpersoonskamers. De werkplekken zijn deels van elkaar gescheiden door glazen wanden en er is een vergaderruimte en een lunchtafel. Alle ruimtes staan in open verbinding met elkaar. Je kunt elkaar dus zien en horen.
3.3.
Recent is [A] bij [verzoekende partij] als voorzitter aan de slag gegaan. Zij heeft een jonge hond (teckel) die zij in het begin (het was toen een puppy) regelmatig mee nam naar het werk. Inmiddels is dat nog maar één keer per maand.
3.4.
[verzoekende partij] heeft voor de financiële administratie een medewerker aangenomen die voor zijn welbevinden afhankelijk is van een hulphond. [verzoekende partij] heeft er niet over nagedacht of de aanwezigheid van een hulphond op de werkvloer tot problemen of bezwaren zou kunnen leiden bij de overige werknemers. Zij heeft de werknemers ook niet geïnformeerd dat er een nieuwe collega met hulphond zou komen. In september 2025 werd [verwerende partij] dus onverwacht geconfronteerd met haar nieuwe collega [C] . [C] neemt elke werkdag zijn, groot formaat, hond [naam] (hierna: hond [naam] ) mee naar kantoor.
3.5.
[verwerende partij] is bang voor honden en heeft in oktober 2025 bij de ondernemingsraad (hierna: de OR) aangekaart dat zij last had van de hond [naam] op kantoor. De OR heeft op 27 oktober 2025 met het Management Team (hierna: MT) besproken dat er een klacht was over honden op kantoor. [verwerende partij] heeft vanuit de OR terug gekregen dat zij de indruk hadden dat de klacht niet echt serieus genomen werd en haar geadviseerd daar zelf aandacht voor te vragen.
3.6.
Op 6 november 2025 heeft [verwerende partij] aan [A] en [B] gemaild dat zij vanwege het geblaf van hond [naam] naar huis is gegaan om geconcentreerd te kunnen werken. In zijn mail van 13 november 2025 heeft [B] hier namens het MT op geantwoord dat er een hondenbeleid komt en [verwerende partij] ook in een afgesloten kamer zou kunnen werken als deze vrij is. In haar mail van 18 november 2025 heeft [verwerende partij] op deze e-mail gereageerd en laten weten dat zij bang is voor honden. Zij schrijft aan het MT onder meer het volgende:
“(…)Ik ben bang voor honden. Dat is helemaal aangewakkerd sinds de hond van [D] specifiek naar mij blafte, omdat ik een muts op had.
Honden zijn naar mijn ervaringen onberekenbaar. Intussen is er meerdere malen geplast en gepoept op kantoor. Ik struikelde over [naam] waarbij ik mezelf net had kunnen corrigeren in mijn stappen en ik heb de snuit van [naam] zijn hond tegen mijn kruis aan gehad toen ik ongesteld was. Daarnaast is het geblaf (op dat moment was [C] in overleg in de vergaderzaal en [naam] zag een paar keer mensen bij onze glazen deur lopen/staan) niet bevorderlijk voor de concentratie.
Kortom: ik voel mij niet veilig op kantoor.
Collega’s die hun hond meenemen naar kantoor zijn in mijn optiek verantwoordelijk voor hun dier. Waarom zou ik mijn collega’s erop aan moeten spreken?
Daarnaast vind ik het niet oké om in een kamer met de deur dicht te zitten, terwijl de honden wel vrij mogen lopen en vervolgens plassen en poepen.
Het lijkt mij beter gepast dat de meegenomen hond aangelijnd bij het baasje blijft, als er toch zo nodig een hond mee moet worden genomen naar kantoor.
Intussen ga ik met angst naar kantoor, heb ik gebroken nachten door het piekeren en heb ik lichamelijke klachten door de stress.
Ik vraag jullie om mijn klachten serieus te nemen en sneller met het hondenbeleid te komen.(…)”
Diezelfde dag (18 november 2025) hebben [A] en [verwerende partij] met elkaar gesproken over de angst van [verwerende partij] voor honden.
3.7.
Op 11 december 2025 heeft een van de collega’s van [verwerende partij] aan [C] verteld dat [verwerende partij] bang is voor honden en verzocht om hond [naam] aangelijnd te houden op kantoor. [C] schrok daarvan, omdat hij niet wist dat [verwerende partij] bang was voor honden en heeft zijn hond aangelijnd. Maar het was die dag erg druk vanwege een landelijke meeting. Daardoor raakte hond [naam] volgens [C] onrustig, juist omdat hij aangelijnd was. Toen een collega hond [naam] wilde begroeten heeft [verwerende partij] gezien dat hond [naam] naar die collega uitviel. Volgens haar had [A] dat ook gezien, maar die heeft daar een andere herinnering aan.
3.8.
Op 12 december 2025 heeft [verwerende partij] aan een beperkte groep collega’s een e-mail gestuurd met een verzoek om steun en draagkracht om het onderwerp honden op kantoor bespreekbaar te maken. Zij schrijft in deze mail het volgende:
“(…)Ik stuur jullie deze mail, omdat ik jullie steun nodig heb. En omdat ik, hopelijk correct, inschat dat jullie het ook niet normaal vinden dat er huisdieren worden meegenomen naar kantoor. Aan het MT heb ik aangegeven dat ik bang ben voor honden en dat de angst alleen maar erger wordt naarmate er steeds een hond mee naar kantoor komt.(…)
Sinds bovengenoemde voorvallen, en dat is nu enkele maanden, slaap ik slecht. Ik wordt wakker met druk op de borst, nadenken gaat lastiger, ik ben doodmoe en ik heb een kort lontje. Deze tekenen herken ik van een eerdere burn out (ook opgelopen bij en door [verzoekende partij] ).(…)
In de tussentijd doet het MT niks aan mijn klachten en moet ik maar het hondenbeleid, dat deze maand nog niet is ontwikkeld, af zitten wachten. (...) Ik geloof niet dat het MT beseft hoe angst werkt. (…)
Ergens is het van de zotte: [verzoekende partij] is er voor elke zorgprofessional, maar niet voor het eigen personeel. Waarom is het meebrengen van huisdieren belangrijker dan het welzijn van mij als werknemer?
Lieve collega’s, ik vraag jullie om steun en hulp. Om daadkracht. Om samen met mij het MT duidelijk te maken dat het niet oké is om huisdieren mee te nemen naar kantoor. Kan ik op jullie rekenen?(…)”
Later diezelfde dag (12 december 2025) heeft [verwerende partij] ook een mail aan het MT gestuurd. Zij schrijft hierin dat het niet goed met haar gaat en dat haar gezondheid steeds verder achteruitgaat door de situatie met de hond op kantoor. Zij sluit haar mail af met de vraag
“Waarom is het meenemen van huisdieren belangijker voor jullie dan mijn welzijn?”
3.9.
Op 16 december 2025 is [verwerende partij] verzocht om naar de kamer van [A] te komen en is haar meegedeeld dat [verzoekende partij] voornemens is om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. [verzoekende partij] heeft de mail van 12 december 2025 aan de collega’s opgevat als “de druppel die de emmer deed overlopen” en besloten niet meer met [verwerende partij] verder te kunnen. Later diezelfde dag heeft [verzoekende partij] aan alle medewerkers meegedeeld dat zij niet langer verder wil met [verwerende partij] , dat de hondenkwestie hier niet de reden van is en verzocht de privacy te respecteren. Op 17 december 2025 heeft [verwerende partij] zich ziekgemeld. Op 20 december 2025 heeft [verzoekende partij] een vaststellingsovereenkomst aan [verwerende partij] toegestuurd. [verwerende partij] heeft deze niet willen tekenen.
Het ontbindingsverzoek
Het opzegverbod
3.10.
[verwerende partij] heeft allereerst een beroep gedaan op het opzegverbod. De kantonrechter mag de arbeidsovereenkomst niet ontbinden als er een opzegverbod geldt, tenzij het ontbindingsverzoek geen verband houdt met het opzegverbod of als het eindigen van de arbeidsovereenkomst ook in het belang van de werknemer is. [verwerende partij] is sinds 17 december 2025 arbeidsongeschikt. [verzoekende partij] stelt dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de ziekte van [verwerende partij] .
3.11.
In het midden kan blijven of het verzoek verband houdt met de ziekte van [verwerende partij] . [verzoekende partij] heeft namelijk geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst en om die reden zal het verzoek tot ontbinding worden afgewezen. De beslissing wordt hierna toegelicht.
Er is geen sprake van verwijtbaar handelen (e-grond)
3.12.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Die is hier niet aanwezig om de volgende redenen.
3.12.1.
[verzoekende partij] stelt dat [verzoekende partij] met de mail van 12 december 2025 [verzoekende partij] zwart heeft gemaakt, onwaarheden heeft verspreid (dat zij eerder door [verzoekende partij] in een burn out is beland), het gezag van [verzoekende partij] heeft ondermijnd en geprobeerd heeft collega’s tegen [verzoekende partij] op te laten komen. Maar dit alles kan de kantonrechter niet uit de mail halen als die mail wordt gehouden tegen het licht van de geschetste voorgeschiedenis. Daaruit komt namelijk het beeld naar voren van een werkneemster die ten einde raad is omdat zij geen gehoor vindt voor de door haar uitgesproken angst voor honden en het gegeven dat zij dagelijks in de kantoortuin met een hond wordt geconfronteerd. De kantonrechter ziet de mail daarom als een begrijpelijke roep om hulp. Begrijpelijk omdat zij tot dan toe geen enkel signaal had gekregen dat haar werkgever haar serieus nam en op een verantwoorde wijze met huisdieren op de werkplek omgaat, want:
  • [verzoekende partij] heeft [verwerende partij] , noch een van de andere collega’s geïnformeerd over de komst van een nieuwe werknemer die dagelijks zijn hulphond mee zou nemen
  • [verzoekende partij] heeft besloten honden (structureel) de op de werkvloer toe te laten zonder te inventariseren wat dat zou betekenen voor de rest van het personeel
  • Toen duidelijk werd dat [verwerende partij] bang is van honden en tegen allerlei bezwaren op de werkplek aanliep
  • [verzoekende partij] heeft niet onderkend dat het voorval op 12 december 2025 voor [verwerende partij] extra beangstigend was omdat hond [naam] hapte naar een collega die niet bang is voor honden.
  • [verzoekende partij] vindt dat [verwerende partij] eerder een open gesprek met haar leidinggevende en [A] had moeten voeren over de haar (oplopende) angst voor honden. Zij ziet daarbij over het hoofd dat het voor [verwerende partij] niet vanzelfsprekend is [A] (de baas) in vertrouwen te nemen. [verwerende partij] heeft uitgelegd dat meerdere leden van het MT zelf hun hond regelmatig mee naar kantoor nemen en haar angst niet begrijpen. Als de leidinggevenden hun hond meenemen en die het voor het zeggen hebben, wat moet je dan als ondergeschikte doen? Bovendien heeft [verzoekende partij] zelf toegelicht dat er een roerige tijd achter de rug was, vanwege een dominante voorgaande bestuursvoorzitter die mensen afrekende op gedrag dat haar niet aanstond. Dat heeft destijds de sfeer op kantoor getekend en maakt nog meer begrijpelijk dat [verwerende partij] niet de confrontatie met [A] heeft aangedurfd.
3.12.2.
De e-mail van 12 december 2025 van [verwerende partij] is voor [verzoekende partij] blijkbaar de druppel die de emmer doet overlopen. [verzoekende partij] heeft echter niet onderbouwd dat er een emmer was, laat staan wat daar dan in zit. De stelling dat [verzoekende partij] een kleine organisatie is en veel communicatie over de werkhouding van [verwerende partij] mondeling zijn gegaan is ook niet verder met feiten en omstandigheden onderbouwd. Bovendien had het op de weg van [verzoekende partij] gelegen een plan van aanpak op te stellen als er iets aan een werkhouding te verbeteren zou zijn.
Er is geen grond voor ontbinding vanwege een verstoorde arbeidsrelatie (g-grond)
3.13.
Om de redenen vermeld in punt 3.12 had het op de weg van [verzoekende partij] gelegen bij [verwerende partij] na te vragen hoe het met haar ging en wat haar er toe heeft gebracht de mail te sturen. In de mail van 12 december 2025 aan het MT schrijft [verwerende partij] bovendien dat het niet goed met haar gaat. Dat ze slecht slaapt dat ze druk op de borst heeft. Dat had aanleiding moeten zijn een open en vriendelijk vanuit oprechte interesse met [verwerende partij] te voeren en daarbij rekening te houden met haar kwetsbaarheid op dat moment. In plaats daarvan heeft [verzoekende partij] [verwerende partij] gesommeerd te komen naar een gesprek op 16 december 2025, waarin ze zonder meer naar huis werd gestuurd, zonder laptop of toegangspas. [verzoekende partij] heeft vervolgens ook nog, zonder dat daar een juridische basis voor was een e-mail aan de hele organisatie gestuurd dat [verzoekende partij] afscheid neemt van [verwerende partij] . Die handelwijze is onzorgvuldig en onbegrijpelijk zeker omdat [verzoekende partij] een belangenorganisatie van zorgprofessionals is. Dat [verzoekende partij] daarmee de verhoudingen onnodig op scherp heeft gezet, komt voor haar rekening en risico. Voor zover de arbeidsrelatie verstoord is, ligt het op de weg van [verzoekende partij] om die relatie te herstellen. Een dergelijke door [verzoekende partij] zelf gecreëerde verstoorde verhouding kan geen reden zijn de arbeidsovereenkomst te ontbinden met een werknemer die van haar werk houdt en dat graag wil behouden.
Er is geen sprake van de combinatiegrond
3.14.
Omdat geen sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding en ook niet van verwijtbaar handelen van [verwerende partij] , is ook geen sprake van een combinatie van omstandigheden als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub i BW Pro.
Het verzoek tot ontbinding wordt afgewezen
3.15.
De conclusie is dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen in stand blijft en [verzoekende partij] zich zal moeten inspannen om de arbeidsverhoudingen weer te herstellen. Aangezien [verwerende partij] ziek is zal dit moeten gebeuren in overleg met de bedrijfsarts.
[verzoekende partij] moet de accounts deblokkeren
3.16.
[verwerende partij] heeft verzocht om deblokkering van haar accounts. [verzoekende partij] heeft niet onderbouwd waarom zij [verwerende partij] de toegang tot haar accounts heeft geweigerd. Volgens [verzoekende partij] zou [verwerende partij] er zelf voor hebben gekozen om haar laptop en telefoon achter te laten. Ook als dit zo zou zijn, hetgeen [verwerende partij] betwist, had het op de weg van [verzoekende partij] gelegen om [verwerende partij] toegang te verschaffen tot de accounts toen zij daar herhaaldelijk om vroeg. Dat [verwerende partij] ziek is maakt nog niet dat zij geen toegang zou mogen hebben tot haar accounts. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat [verzoekende partij] [verwerende partij] alsnog toegang zal verschaffen tot haar accounts.
De (voorwaardelijke) tegenverzoeken
3.17.
Omdat de verzochte ontbinding wordt afgewezen, hoeven de (voorwaardelijke) tegenverzoeken van [verwerende partij] niet meer besproken te worden.
De proceskosten
3.18.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoekende partij] , omdat [verzoekende partij] ongelijk krijgt. De proceskosten worden toegewezen volgens het gebruikelijke forfaitaire tarief. Voor een toekenning van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten, zoals door [verwerende partij] verzocht, ziet de kantonrechter geen aanleiding, omdat de drempel daarvoor hoog is en er geen sprake is van misbruik van procesrecht of het onrechtmatig instellen van een procedure. De forfaitaire proceskosten van [verwerende partij] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
3.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.20.
De kantonrechter zal de beslissing wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door [verwerende partij] . Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
4.2.
veroordeelt [verzoekende partij] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [verzoekende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.
wh 1031

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Zie de mail van 18 november 2025 en de daaraan voorafgaand klacht ingediend bij de OR