ECLI:NL:RBMNE:2026:3776

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/3999
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 lid 1 sub a onder 3° WaboBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering omgevingsvergunning zelfstandige bedrijfsmatige caravanstalling

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 25 juni 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de weigering van een omgevingsvergunning voor een zelfstandige bedrijfsmatige caravanstalling op een perceel met bestemming 'Tuin'. Eiser had een vergunning aangevraagd voor het gebruik van het gehele perceel, terwijl het college alleen impliciete vrijstelling verleende voor het gebruik van de schuur.

In een eerdere tussenuitspraak was vastgesteld dat het college een motiveringsgebrek had omdat het niet toereikend had gemotiveerd waarom het gebruik van de omliggende gronden niet toegestaan was. Het college heeft een herstelpoging gedaan, maar volgens de rechtbank is deze onvoldoende. Het college heeft niet duidelijk gemaakt waarom het gebruik in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en heeft nagelaten aanvullende informatie te vragen.

De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft onderbouwd waarom het verstedelijkingsverbod en milieuzonering een weigering rechtvaardigen. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom de afstand tot de woonbestemming problematisch is. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit en draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens moet het college het griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning wordt vernietigd met opdracht tot nieuw besluit binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3999

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Visser),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, het college
(gemachtigde: mr. S. Ralović).

Procesverloop

1. Op 27 november 2025 heeft de rechtbank een tussenuitspraak in deze zaak gedaan. [1] Voor het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar de overwegingen in de tussenuitspraak. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
2. Het college heeft van deze gelegenheid gebruikgemaakt door een schriftelijke motivering te geven. Eiser heeft hierop een zienswijze gegeven. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.
4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat met de op 30 mei 1989 verleende bouwvergunning voor het vernieuwen van de schuur op het perceel [adres 1] in [plaats] een impliciete vrijstelling is verleend voor – met het destijds geldende bestemmingsplan strijdig – zelfstandig bedrijfsmatig gebruik van de schuur als caravanstalling. De aanvraag van eiser is echter breder dan dat. Eiser heeft niet alleen vergunning aangevraagd voor het gebruik van de schuur, maar voor het gebruik van het gehele perceel, en dus ook voor de omliggende gronden met de bestemming ‘Tuin’. Een zelfstandige bedrijfsmatige functie ten behoeve van een caravanstalling op deze gronden valt niet onder de impliciete vrijstelling en is in strijd met het bestemmingsplan. Dat brengt mee dat het college uitsluitend voor het gebruik van die gronden een ruimtelijke afweging had moeten maken. Omdat het college een verkeerd uitgangspunt heeft gehanteerd, heeft de rechtbank een motiveringsgebrek vastgesteld.
5. Om het gebrek te herstellen, moest het college nader motiveren waarom geen omgevingsvergunning strijdig gebruik voor een zelfstandige bedrijfsmatige caravanstalling op het gedeelte van het perceel met de bestemming ‘Tuin’ wordt verleend, ondanks dat het zelfstandig bedrijfsmatig gebruik van de schuur is toegestaan. Het college kon het gebrek ook herstellen door de gevraagde omgevingsvergunning alsnog aan eiser te verlenen.
De herstelpoging van het college
6. Het college stelt zich in zijn reactie op de tussenuitspraak op het standpunt dat hij in redelijkheid een omgevingsvergunning strijdig gebruik voor een zelfstandige bedrijfsmatige caravanstalling op het gedeelte van het perceel met de bestemming ‘Tuin’ heeft kunnen weigeren. Daarbij merkt het college op dat de aanvraag bovendien ziet op een aanzienlijk ruimer gebruik dan alleen een caravanstalling, omdat het blijkens de ruimtelijke onderbouwing ziet op bedrijfsmatig gebruik gelijk aan bedrijven met maximaal milieucategorie 1 en 2.
7. In de ruimtelijke onderbouwing wordt met betrekking tot het gebruik van het omliggende terrein voor een zelfstandige en bedrijfsmatige caravanstalling volgens het college niet gemotiveerd waarom dat gebruik in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, waardoor niet is aangetoond dat een zelfstandige bedrijfsmatige caravanstalling op het gehele perceel in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens het college is in het bijzonder onvoldoende aangetoond waarom het gebruik geen nadelige invloed heeft op waarden die beschermd worden door Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland, het grondwaterbeschermingsbied, het waterwingebied, de Bethunepolder, het ganzenrustgebied, het stiltegebied en de UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies.
8. Het college stelt verder dat het gebruik van het omliggende terrein voor een zelfstandige en bedrijfsmatige caravanstalling in strijd is met het provinciale verstedelijkingsverbod. In dat verband wijst het college er op dat als medewerking zou worden verleend aan een zelfstandige bedrijfsmatige caravanstalling op het gehele perceel een nieuw zelfstandig bouwperceel ontstaat met een zelfstandig hoofdgebouw en vergunningsvrije uitbreidingsmogelijkheden. Een gewijzigde ruimtelijke uitstraling en dynamiek zijn daaraan inherent. De ruimtelijke onderbouwing maakt volgens het college niet inzichtelijk welke gevolgen dit met zich meebrengt en schiet ook op dat punt tekort.
9. Verder stelt het college dat de ruimtelijke onderbouwing tekort schiet op het aspect milieuzonering. Op grond van de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering geldt namelijk een richtafstand van 30 meter, en uit het advies van de Omgevingsdienst Regio Utrecht van 9 januari 2025 blijkt dat daar niet aan wordt voldaan nu de kadastrale perceelsgrens van het perceel [adres 1] op minder dan 26 meter van de woning en minder dan 14 meter van de woonbestemming op het perceel [adres 2] is gelegen. Daarnaast blijkt uit dat advies dat de ruimtelijke onderbouwing ook op de aspecten
archeologie en ecologie tekortschiet, zo stelt het college.
De zienswijze van eiser
10. Eiser voert aan dat een gebruik van een gebouw ook het gebruik van de gronden daaromheen bevat, omdat anders niet van en naar het gebouw kan worden gekomen. De bouwvergunning uit 1989 voor het vernieuwen van de stallingsruimte geeft volgens eiser dan ook een impliciete vrijstelling voor een zelfstandige en bedrijfsmatige caravanstalling op het gehele perceel gedurende het hele jaar.
11. Omdat sprake is van bestaand overgangsrechtelijk gebruik, zijn er volgens eiser geen nadelige effecten van de aanvraag op de omgeving te verwachten. Aangezien het college daar anders over denkt, had het op de weg van het college gelegen om te vragen om een aanvulling of verduidelijking van de ruimtelijke onderbouwing. De gestelde nadelige effecten op de aanwezige waarden van het gebied heeft het college tot op heden in elk stuk nagelaten om te onderbouwen, zodat een weigering volgens eiser daarop niet gebaseerd kan zijn.
12. Al zou het gebruik van de omliggende gronden voor een zelfstandige en bedrijfsmatige caravanstalling niet zijn toegestaan, dan geldt volgens eiser dat een soortgelijk gebruik op grond van de bestemming ‘Tuin’ is toestaan. De bestemming ‘Tuin’ staat volgens eiser bij recht toe dat de gronden worden gebruikt voor tuinen en ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van tuin – schuur’ een schuur met de daarbij behorende groenvoorzieningen en water, toegangspaden tot gebouwen en in- en uitritten, parkeervoorzieningen en overige functioneel met de bestemming ‘Tuin’ verbonden voorzieningen.
13. Verder voert eiser aan dat het college heeft nagelaten om het eerder door eiser ingenomen standpunt bij zijn beoordeling te betrekken dat sprake is van gemengd gebied, waardoor de richtafstand slechts 10 meter bedraagt. Ook motiveert het college niet wat de effecten van een zelfstandige bedrijfsmatige caravanstalling voor het woon- en leefklimaat op het perceel [adres 2] kunnen zijn. Eiser voert aan dat het gaat om een zeer lichte bedrijfsmatige functie met minimale uitstraling. Het erf wordt enkel gebruikt om van en naar de stallingsruimte te rijden en om te parkeren.
Beoordeling door de rechtbank
14. Het omliggende terrein op het perceel van eiser heeft, in tegenstelling tot wat eiser aanvoert, niet de aanduiding ‘specifieke vorm van tuin – schuur’. Dat betekent dat het gebruik van het gedeelte van het perceel met de bestemming ‘Tuin’ voor een zelfstandige bedrijfsmatige caravanstalling in strijd is met het bestemmingsplan, zoals de rechtbank ook in de tussenuitspraak heeft vastgesteld. Bij een dergelijke aanvraag voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. [2]
15. Bij de beoordeling of de omgevingsvergunning op goede grond is geweigerd stelt de rechtbank voorop dat zij het college niet volgt in het betoog dat de aanvraag strekt tot een aanzienlijk ruimer gebruik dan alleen een caravanstalling. In de omschrijving van de aanvraag op het aanvraagformulier staat immers met zoveel woorden dat de aanvraag ziet op “afwijking bestemmingsplan voor bestaand overgangsrechtelijk gebruik voor bedrijfsmatige functie (stalling auto/caravan) op het perceel [adres 1] ”. Ook los daarvan ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het standpunt dat door eiser een ruimer bedrijfsmatig gebruik is beoogd.
16. De rechtbank overweegt verder dat het college bij de weigering van een omgevingsvergunning moet motiveren waarom de aanvraag volgens het college in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, dan wel waarom het college geen aanleiding ziet om gebruik te maken van de beleidsruimte die hij op dat vlak heeft. Het college heeft aan de weigering onder andere ten grondslag gelegd dat in de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende is aangetoond waarom het aangevraagde gebruik geen nadelige invloed heeft op waarden die beschermd worden door Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, Grondwaterbeschermingsbied, Waterwingebied, Bethunepolder, Ganzenrustgebied, Stiltegebied en UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. Ook stelt het college dat de ruimtelijke onderbouwing tekortschiet met betrekking tot de aspecten archeologie en ecologie. Het college heeft echter geen eigen standpunt ingenomen over de effecten van de aanvraag op de genoemde waarden en aspecten. Het college heeft daarmee in het midden gelaten of medewerking aan de aanvraag kan worden verleend, terwijl het aan het college is om te motiveren of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Zo lag het op de weg van het college om inzichtelijk te maken waarom het gebruik van het omliggende terrein voor een zelfstandige en bedrijfsmatige caravanstalling een nadelige invloed heeft op de door het college genoemde waarden. Als het college daarvoor aanvullende stukken of gegevens van eiser nodig had, had het college eiser kunnen verzoeken om de aanvraag aan te vullen. Dat heeft het college echter nagelaten.
17. De rechtbank kan het college ook niet volgen in zijn standpunt dat het aangevraagde gebruik in strijd is met het op grond van het provinciale beleid geldende verstedelijkingsverbod en dat de omgevingsvergunning om die reden moet worden geweigerd. Het college legt daaraan ten grondslag dat de aanvraag voorziet in een uitbreiding van stedelijke functies omdat het bedrijfsmatig gebruik dan wordt losgekoppeld van de woning op het perceel [adres 2] , waardoor een nieuw zelfstandig bouwperceel en een niet zelfstandig hoofdgebouw (met vergunningvrije uitbreidingsmogelijkheden) ontstaan. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak echter al geoordeeld dat het zelfstandig bedrijfsmatig gebruik van de schuur als caravanstalling vanwege de impliciete vrijstelling uit 1989 reeds is toegestaan. Tegen die achtergrond heeft het college niet toereikend gemotiveerd waarom met het aangevraagde gebruik sprake is van verdere verstedelijking die aan verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat.
18. De rechtbank is verder van oordeel dat het college ook niet toereikend heeft onderbouwd dat de afstand tussen het perceel van [adres 1] en de woonbestemming op [adres 2] maakt dat de omgevingsvergunning niet kan worden verleend. Het college is daarbij uitgegaan van een richtafstand van 30 meter uit de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering voor een ‘rustige woonwijk’. De rechtbank kan eiser echter volgen dat de locatie van [adres 2] eerder kwalificeert als ‘gemengd gebied’ als bedoeld in die publicatie, waar naast de woonfunctie nog andere functies zijn. Daarvoor geldt een richtafstand van 10 meter en tussen partijen staat niet ter discussie dat daar wel aan wordt voldaan. Bovendien was het ook los van de in de VNG publicatie genoemde richtafstanden aan het college om te motiveren welke gevolgen de afstand tussen de perceelgrens en de woonbestemming zou kunnen hebben voor enerzijds het bedrijf en anderzijds voor de woning, zeker nu eiser ook heeft gesteld dat het gaat om een zeer lichte bedrijfsmatige functie met minimale uitstraling. Dat heeft het college niet gedaan. Ook op dit punt is sprake van een motiveringsgebrek.
19. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit nog steeds gebrekkig is, omdat het college niet (toereikend) heeft gemotiveerd waarom het college geen medewerking aan een zelfstandige bedrijfsmatige caravanstalling op het perceel verleent.

Conclusie en gevolgen

20. De rechtbank stelt vast dat het college het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, vanwege de beleidsruimte van het college. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen. Het college moet daarom een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
21. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
22. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus) met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt daarom € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.