ECLI:NL:RBMNE:2026:3864

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/5632
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.A.J. Woutersen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 LwArt. 6 LwArt. 8 LwArt. 1:3 AwbArt. 12 Wet register onderwijsdeelnemers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen brief over vrijstelling leerplicht wegens richtingbezwaren

Eiser heeft een beroep gedaan op vrijstelling van de leerplicht voor zijn zoon vanwege bezwaren tegen de onderwijsrichting van alle scholen binnen redelijke afstand van zijn woning. Het college stuurde een brief waarin werd meegedeeld dat de vrijstelling niet uit de wet voortvloeit, waarop eiser bezwaar maakte. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in bestuursrechtelijke zin is.

De rechtbank oordeelt dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De brief is van informatieve aard en bevat geen inhoudelijke beslissing over de vrijstelling, die rechtstreeks uit de Leerplichtwet voortvloeit. De inhoudelijke beoordeling van het beroep op vrijstelling is voorbehouden aan de strafrechter.

Daarnaast bespreekt de rechtbank ten overvloede de vraag of een buitenlandse school onder de uitzondering van artikel 8, tweede lid, van de Leerplichtwet valt. De rechtbank concludeert dat de definitie van 'school' in die bepaling niet ziet op buitenlandse scholen, waardoor de uitzondering niet van toepassing is. De effectieve rechtsbescherming blijft mogelijk via het strafrechtelijk traject.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat de brief van het college geen besluit is en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5632

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: drs. P.J. van Zuidam),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigden: mr. O. Boubkari en mr. M. van Wolven).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over eisers beroep bij het college op vrijstelling van de leerplicht voor zijn zoon omdat eiser bezwaren heeft tegen de richting van het onderwijs van alle scholen binnen een redelijke afstand van zijn woning. Het college heeft vervolgens een brief aan eiser gestuurd met de mededeling dat de vrijstelling van de leerplicht in zijn geval niet uit de wet voortvloeit. Eiser is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt tegen de brief. Het college heeft dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit zou zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat het college daarom het bezwaar van eiser niet inhoudelijk heeft behandeld. Eiser is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt of het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eisers bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een beroep gedaan op vrijstelling van de leerplicht voor zijn zoon omdat eiser bezwaren heeft tegen de richting van het onderwijs van alle scholen binnen redelijke afstand van zijn woning. [1]
2.1.
Het college heeft eiser vervolgens een e-mail en een brief gestuurd met de mededeling dat de vrijstelling van de leerplicht voor eisers zoon in dit geval niet uit de wet voortvloeit omdat eisers zoon in het schooljaar voorafgaand aan het moment dat beroep wordt gedaan op de vrijstelling (vorig jaar dus), stond ingeschreven aan een school in het buitenland. [2]
2.2.
Eiser is het daar niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt tegen de brief. Met het besluit van 22 september 2025 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard (het bestreden besluit). Dat betekent dat het college het bezwaar van eiser niet inhoudelijk heeft behandeld.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
3. De rechtbank benadrukt allereerst dat zij zich bewust is van de maatschappelijke discussie over dit onderwerp omdat er twee fundamentele belangen botsen. Namelijk het belang van het kind op onderwijs op een school en het belang van de vrijheid van de ouders om hun kind zo op te voeden zoals zij dat wensen en dus de mogelijkheid te hebben voor het geven van thuisonderwijs vanwege bezwaren tegen de richting van het onderwijs van alle scholen binnen een redelijke afstand van hun woning. Als ouders van die vrijheid gebruik maken en een beroep doen op die vrijstelling van de leerplicht voor hun kind, is het Openbaar Ministerie (OM) bevoegd om het beroep op de vrijstelling, vanwege richtingbezwaren tegen het onderwijs van alle scholen binnen redelijke afstand van de woning, te onderzoeken. Als het OM concludeert dat er onterecht een beroep wordt gedaan op die vrijstelling, wordt een kind dus ook onterecht thuisgehouden en is er sprake van schoolverzuim. Het OM kan dan overgaan tot vervolging. De inhoudelijke beoordeling of iemand terecht een beroep doet op de vrijstelling om een kind niet in te hoeven schrijven op een school, ligt vervolgens bij de strafrechter (en dus niet bij de bestuursrechter). [3]
3.1.
Eiser vindt in deze zaak echter dat de bestuursrechter wel bevoegd is om de inhoudelijke vraag te beantwoorden of de vrijstelling op de leerplicht voor eisers zoon uit de wet voortvloeit. In deze zaak heeft de leerplichtambtenaar van de gemeente Utrecht namelijk een brief gestuurd aan eiser waarin staat dat de vrijstelling niet uit de wet voortvloeit. Eiser stelt dat die brief een besluit is in bestuursrechtelijke zin en dat hij daarom bezwaar kon maken tegen dat besluit. Eiser vindt dat de brief op rechtsgevolg is gericht, mede omdat eisers zoon in het Register onderwijsdeelnemers (Rod) wordt ingeschreven als ‘absoluut schoolverzuim’ vanwege de conclusie dat de vrijstelling niet uit de wet voortvloeit. Dat heeft grote gevolgen omdat hierdoor eisers zoon als risicojongere kan worden bestempeld en eiser daardoor kan worden onderworpen aan zorgmeldingen en beschermingsonderzoeken vanuit jeugdzorg. Eiser vindt verder dat het college zijn beroep op de vrijstelling met de brief onterecht heeft afgewezen, terwijl het college die bevoegdheid niet heeft. Eiser stelt dat de uitzondering van artikel 8, tweede lid, van de Leerplichtwet 1969 (Lw), waar het college naar verwijst, alleen ziet op scholen in Nederland en niet op scholen in het buitenland. Eisers zoon ging vorig jaar naar een school in Marokko en daar ziet de definitie van ‘school’ in de Lw niet op. Omdat het college dus onterecht deze conclusie trekt, wordt eisers zoon ook onterecht in het Rod ingeschreven als absoluut schoolverzuimend. Ten slotte benadrukt eiser dat het Openbaar Ministerie (OM) in dit soort zaken heeft aangegeven niet meer strafrechtelijk te gaan vervolgen. Dat betekent volgens eiser dat hij de onterechte conclusie dus niet aan de strafrechter kan voorleggen en, nu zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, ook niet aan de bestuursrechter. Dat is in strijd met de effectieve rechtsbescherming.
3.2.
Het college vindt kort gezegd dat hij het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de brief slechts van informatieve aard is, namelijk dat de vrijstelling in het geval van eiser niet uit de wet voortvloeit. Daarmee is de brief dus geen besluit waartegen bezwaar open staat in de zin van de Awb.
3.3.
De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden is niet inhoudelijk of eiser terecht een beroep heeft gedaan op de vrijstelling, maar of het college terecht heeft gesteld dat de brief geen besluit in bestuursrechtelijke zin is en dus of het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.4.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaar van eiser door het college terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De brief waartegen eiser bezwaar heeft gemaakt, is namelijk geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Daarvoor is het volgende van belang.
3.5.
Het is vaste rechtspraak dat de vrijstelling van de verplichting om te zorgen dat een leerplichtige als leerling van een school is ingeschreven, rechtstreeks voortvloeit uit de Lw. In dit geval doet eiser een beroep op de vrijstelling uit artikel 5, aanhef en onder b, van de Lw (vrijstelling vanwege richtingbezwaren). Er is sprake van een vrijstelling indien de kennisgeving van de ouders dat zij zich beroepen op die vrijstelling voor hun kind voldoet aan de in artikel 6 van Pro de Lw opgenomen vormvoorschriften en een verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Lw. Een bestuursorgaan (in dit geval het college) is niet bevoegd een inhoudelijke beslissing te nemen over die kennisgeving. Dat heeft het college hier ook niet gedaan. Een eventuele schriftelijke reactie op zo’n kennisgeving van een bestuursorgaan met de mededeling dat in dit geval de vrijstelling niet uit de wet voortvloeit, wordt daarom ook niet aangemerkt als een weigering of een goedkeuring om vrijstelling te verlenen. Die bevoegdheid heeft het college namelijk niet omdat de vrijstelling, mits aan de vereisten uit de Lw is voldaan, dus rechtstreeks uit de Lw voortvloeit. Om diezelfde reden is de brief van het college als reactie op een kennisgeving geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, maar een brief van informatieve aard. [4] Het feit dat eisers zoon hiermee op een bepaalde manier in het Rod wordt ingeschreven, maakt niet dat de informatieve brief van het college toch een op rechtsgevolg gericht besluit is. Het college levert namelijk de vrijstellings- of verzuimgegevens aan bij de minister, die deze vervolgens verwerkt in de Rod. [5] De vrijstellings- of verzuimgegevens omvatten onder meer ook persoonsgegevens. [6] De minister is dus verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van deze persoonsgegevens en op de verwerking van deze persoonsgegevens is de (Uitvoeringswet) Algemene verordening gegevensbescherming van toepassing. Als eiser het niet eens is met deze gegevensverwerking, kan eiser in een bestuursrechtelijke AVG procedure verzoeken om verwijdering of vernietiging van de verwerking van deze persoonsgegevens. Daarnaast heeft het college tijdens de zitting toegelicht dat het niet zo is dat het OM nooit meer strafrechtelijk vervolgt in dit soort zaken. De rechtbank merkt verder op dat het OM recent heeft uitgesproken toch weer te willen vervolgen in dit soort zaken (naar aanleiding van de landelijke aandacht die de vrijstelling op de leerplicht op basis van richtingbezwaren heeft gekregen). Overigens heeft het college tijdens de zitting ook toegelicht dat het strafrechtelijk traject in deze zaak wel is gestart omdat eisers zoon absoluut schoolverzuimend is. Kortom, de effectieve rechtsbescherming blijft mogelijk via de strafrechter.
3.6.
Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.7.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Valt een buitenlandse school onder de uitzondering van artikel 8, tweede lid, van de Lw?
4. De rechtbank is zich ervan bewust dat zij niet bevoegd is inhoudelijk in deze zaak te oordelen omdat de brief geen besluit is in de zin van de Awb. Toch vindt de rechtbank het belangrijk om zich ten overvloede uit te laten over de lezing van de uitzondering uit artikel 8, tweede lid, van de Lw. Deze vraag is op de zitting met partijen besproken en het college heeft tijdens de zitting aangegeven een eventuele uitspraak ten overvloede toe te voegen aan het strafrechtelijk dossier van eiser.
4.1.
Artikel 8, tweede lid, van de Lw bepaalt dat het beroep op vrijstelling van de leerplicht vanwege bezwaren tegen de richting van het onderwijs van alle scholen binnen redelijke afstand van de woning van eiser niet opgaat indien eisers zoon in het jaar voorafgaande aan de dag van het beroep op de vrijstelling geplaatst is geweest op een school van de richting waartegen nu bedenkingen worden geuit. Met andere woorden, iemand kan geen beroep doen op deze vrijstelling als zijn of haar kind het jaar daarvoor op een school heeft gezeten waar het onderwijs werd gegeven waar nu bezwaren tegen bestaan.
4.2.
In deze zaak lijkt niet in geschil dat eisers zoon het jaar voordat het verzoek werd gedaan, in Marokko naar school is geweest. Artikel 1, eerste lid, van de Lw bepaalt wat onder school moet worden verstaan in de zin van de Lw. Daarin wordt bijvoorbeeld een ‘openbare basisschool’ als school genoemd. Wat een openbare basisschool is, is gedefinieerd in Artikel 1 Wet Pro op het primair onderwijs. Deze bepalingen definiëren ‘school’ allemaal in de context van het Nederlandse (onderwijs)systeem. De Nederlandse Lw lijkt geen eisen of criteria te formuleren voor scholen die in een derde land zijn gevestigd. De rechtbank leidt dit onder meer af uit het feit dat in artikel 5, onder c, en Artikel 9 van Pro de Lw wordt gesproken over een ‘inrichting van onderwijs’ in het buitenland en niet over een ‘school of instelling’, zoals artikel 8, tweede lid, van de Lw wel doet. De termen ‘school’ en ‘instelling’ zijn namelijk wel in Nederlandse wetten gedefinieerde begrippen en een ‘inrichting van onderwijs’ is dat niet.
4.3.
Kortom, de definitie van ‘school’, zoals genoemd in de uitzondering van artikel 8, tweede lid, van de Lw, lijkt volgens de rechtbank niet te zien op scholen in het buitenland. Dat zou betekenen dat, als eisers zoon eerder in Marokko op school heeft gezeten, daarmee de uitzondering van artikel 8, tweede lid, van de Lw niet opgaat. Dat zou ook betekenen dat als die uitzondering wegvalt, het beroep op de vrijstelling wel rechtstreeks uit de wet zou voortvloeien omdat aan de vereisten uit artikel 6 en Pro artikel 8, eerste lid, van de Lw is voldaan. Of daarvan daadwerkelijk sprake is, zal echter zoals gezegd in een eventueel strafrechtelijk traject ter beoordeling aan de strafrechter kunnen worden voorgelegd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers bezwaar terecht door het college niet inhoudelijk is behandeld. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.J. Woutersen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op basis van artikel 5, onder b, van de Leerplichtwet 1969 (Lw).
2.Op basis van artikel 8, tweede lid, van de Lw.
3.Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad (HR) van 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:658.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH6321, r.o. 2.3.1.
5.Artikel 12, tweede en derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers.
6.Artikel 9 van Pro de Wet register onderwijsdeelnemers.