ECLI:NL:RBMNE:2026:3867

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/1340
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen invordering dwangsom wegens niet verwijderen airco-units

Eiser is eigenaar van een woning waar het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest een last onder dwangsom heeft opgelegd om vijf airco-units op de uitbouw en één op de dakkapel te verwijderen. Deze last was onherroepelijk en de dwangsom bedroeg € 5.000,- bij niet-naleving binnen de gestelde termijn.

Na controle op 20 maart 2025 constateerde het college dat de units nog aanwezig waren. Het college besloot daarop tot invordering van de dwangsom, wat eiser betwistte met een beroep bij de rechtbank. Eiser voerde onder meer aan dat het dwangsombesluit niet correct was bekendgemaakt en dat de units ontkoppeld en buiten bedrijf waren gesteld.

De rechtbank oordeelde dat het dwangsombesluit rechtsgeldig was bekendgemaakt en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat aan de last was voldaan. Het controlerapport en ondersteunende foto's bevestigden dat de units nog aanwezig waren. Ontkoppeling van de units voldeed niet aan de verwijderingsplicht. Er waren geen bijzondere omstandigheden die invordering van de dwangsom in de weg stonden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de invordering van de dwangsom en wees het verzoek van eiser om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep tegen de invordering van de dwangsom wegens het niet verwijderen van airco-units wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1340

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest

(gemachtigde: P. Dijkstra).

Inleiding

1. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats] (het perceel). Op 9 juli 2024 heeft het college aan eiser een viertal lasten onder dwangsom opgelegd (het dwangsombesluit). In deze zaak gaat het alleen om de derde last (de last). Deze last houdt in dat eiser, binnen één maand na verzending van het dwangsombesluit, de 5 airco-units (of warmtepompen/condensors) op de uitbouw en 1 airco-unit (of warmtepomp/condensor) op de dakkapel aan de achterzijde (de units), moet (laten) verwijderen. Als hij voor de begunstigingstermijn van 8 september 2024, niet of niet blijvend geheel heeft voldaan aan deze lastgeving, verbeurt eiser een eenmalige dwangsom van € 5.000,-. Het dwangsombesluit is onherroepelijk. [1]
1.1.
Op 20 maart 2025 heeft het college een controle uitgevoerd om te controleren of aan de opgelegde last is voldaan. Het college heeft daarbij geconstateerd dat de units op 20 maart 2025 nog op de uitbouw en de dakkapel aanwezig waren.
1.2.
Met het besluit van 5 september 2025 (primaire besluit) heeft het college besloten tot invordering van de verbeurde dwangsom, wegens het niet naleven van de opgelegde last. Eiser heeft bezwaar gemaakt.
1.3.
Met het bestreden besluit van 28 januari 2026 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de invorderingsbeschikking in stand gelaten. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of het college terecht is overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsom. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf
3. Op de zitting heeft eiser aangevoerd dat het dwangsombesluit van 8 juli 2024 niet op de juiste manier zou zijn bekendgemaakt. Hij heeft het dwangsombesluit nooit ontvangen, zodat er ook geen sprake kan zijn van het van rechtswege verbeuren van een dwangsom.
3.1.
De rechtbank is het niet eens met eiser. Uit het dossier volgt dat eiser op 21 augustus 2024 een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het dwangsombesluit. Met het besluit op bezwaar van 14 februari 2025 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het dwangsombesluit in stand gelaten. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld. Bovendien heeft het college op de zitting toegelicht dat hij het dwangsombesluit per e-mail, gewone post en aangetekende post aan eiser heeft verzonden. Dat eiser de aangetekende post niet heeft aangenomen komt voor risico van eiser zelf. Het dwangsombesluit is onherroepelijk.
Toetsingskader
4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd of eiser geen overtreder is. Bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. [2] Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
4.1.
Hieruit volgt dat wat eiser tegen de opgelegde last aanvoert over strijd met het verbod op willekeur en het ontbreken van een beleidskader over handhaving niet in deze procedure kan worden aangevoerd. Deze gronden had hij naar voren moeten brengen tegen de last onder dwangsom. Niet is gebleken dat er evident geen overtreding is gepleegd of dat eiser geen overtreder is. De rechtbank zal deze gronden daarom verder niet bespreken. In deze procedure ligt hierna alleen de vraag voor of aan de last is voldaan of niet en of sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het college van invordering had moeten afzien.
Is aan de last voldaan?
5. Eiser heeft niet betwist dat de units nog op de uitbouw en de dakkapel stonden. Hij heeft aangevoerd dat de controle op 20 maart 2025 niet correct is gegaan. De toezichthouder is niet geweest op het afgesproken tijdstip. Ook heeft het college niet gereageerd op zijn e-mail van 20 maart 2025, 09:06 uur. In deze e-mail heeft eiser aangegeven dat er geen toezichthouder is verschenen, er dus geen controle heeft plaatsgevonden en heeft hij gevraagd wanneer de controle alsnog zal worden uitgevoerd.
Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat de units waren ontkoppeld en buiten bedrijf waren gesteld. Daarmee is volgens eiser aan de last voldaan. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat op 5 november 2024 een toezichthouder van de gemeente heeft bevestigd dat hij aan de last had voldaan.
Het controlerapport
6. Volgens vaste rechtspraak dient aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. [3] Een bestuursorgaan mag in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport. Dit sluit betwisting in rechte niet uit. Gekeken moet worden of het geleverde tegenbewijs van dien aard en strekking is dat het twijfel wekt aan de juistheid van het rapport. [4]
6.1.
In het controlerapport van 2 april 2024 staat dat de toezichthouder op 20 maart 2025 op locatie is geweest. Eiser was volgens de toezichthouder niet aanwezig, wel een bewoner, die helaas geen Nederlands of Engels sprak. De toezichthouder heeft ter plaatse foto’s gemaakt. Op één van de foto’s bij het controlerapport zijn de units op de uitbouw en op de dakkapel goed waarneembaar. Daarnaast staat in e-mailcorrespondentie tussen het college en de toezichthouder dat de toezichthouder op 20 maart 2025 om 09:00 uur op locatie is geweest en foto’s heeft gemaakt. De foto’s zijn voorzien van een datumstempel van 20 maart 2025 en het controlerapport is ondertekend.
6.2.
De rechtbank ziet op grond hiervan geen reden om aan te nemen dat het college zich niet mocht baseren op het controlerapport. De e-mail van eiser wekt daarvoor onvoldoende twijfel. Bovendien heeft het college ter ondersteuning van het controlerapport, een obliquefoto van 8 maart 2025 en een luchtfoto van 17 februari 2025 overgelegd. Ook op die foto’s staan de units nog op de uitbouw en de dakkapel. Naar het oordeel van de rechtbank mag het controlerapport ten grondslag worden gelegd aan vaststelling van het feit dat de units op 20 maart 2025 nog op de uitbouw en dakkapel stonden.
De units zijn ontkoppeld en dus buiten bedrijf gesteld
7. De rechtbank stelt voorop dat om aan de last te kunnen voldoen de units hadden moeten zijn verwijderd. Het kan zo zijn dat de units doordat ze waren ontkoppeld buiten bedrijf gesteld waren, maar daarmee heeft eiser niet aan de last voldaan. Dat een toezichthouder op 5 november 2024 zou hebben aangegeven dat aan de last zou zijn voldaan, is door eiser bovendien niet met stukken onderbouwd.
7.1.
Het college heeft op de zitting toegelicht dat hij niet bekend is met een controlerapport van 5 november 2024. Ook heeft hij niet van de desbetreffende toezichthouder begrepen dat hij akkoord zou hebben gegeven aan eiser ten aanzien van de units.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat op
5 november 2024 aan hem zou zijn bevestigd dat aan de last is voldaan. De stelling van eiser dat de units zijn ontkoppeld en buiten bedrijf zijn gesteld, kan niet tot het oordeel leiden dat aan de last is voldaan.
7.3.
Vast staat dat alle door eiser aangevoerde omstandigheden dateren van na het verstrijken van de begunstigingstermijn. Na het verstrijken van de begunstigingstermijn verbeuren dwangsommen van rechtswege. De aangevoerde omstandigheden maken niet dat de invordering van de dwangsom onrechtmatig is, nu het omstandigheden zijn van na het verstrijken van de begunstigingstermijn en daarmee van na het verbeuren van de dwangsom. [5]
Is de last overtreden?
8. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de last op 20 maart 2025 is overtreden. Omdat de last onder dwangsom in rechte vaststaat en de last is overtreden, is de opgelegde dwangsom van € 5.000,- verbeurd. Het college was bevoegd om tot invordering van de verbeurde dwangsom over te gaan.
Is sprake van bijzondere omstandigheden?
9. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat het college van invordering had moeten afzien. Het is de rechtbank ook niet gebleken van dergelijke omstandigheden.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser heeft bezwaar gemaakt, het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de last onder dwangsom in stand gelaten. Tegen het besluit op bezwaar van 14 februari 2025 heeft eiser geen beroep ingesteld.
2.Uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4615.
4.De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 2 februari 2022, ELCI:NL:RVS:2022:334 en 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5480.
5.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1844.