ECLI:NL:RVS:2022:334
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dwangsom wegens onzelfstandige bewoning zonder vergunning in Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellant een dwangsom van €50.000 op wegens overtreding van artikel 21 van Pro de Huisvestingswet 2014, omdat diens woning was omgezet van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte zonder vergunning. Na melding van woonfraude en huisbezoeken door toezichthouders bleek de woning door meerdere huishoudens bewoond te worden.
Appellant betwistte de overtreding en de hoogte van de dwangsom, onder meer door te stellen dat het rapport van bevindingen onvoldoende betrouwbaar was en dat de woning niet door meer dan één huishouden werd bewoond. De rechtbank oordeelde echter dat het rapport zorgvuldig was opgesteld en dat de overtreding vaststond. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt deze uitspraak.
De Afdeling overweegt dat het rapport voldoet aan de eisen van deugdelijke en controleerbare vaststelling van feiten, dat de verklaringen van bewoners en de waarnemingen van toezichthouders voldoende bewijs vormen, en dat de hoogte van de dwangsom niet ter discussie kan worden gesteld in deze procedure. Ook is geen bijzondere omstandigheid gebleken die invordering van de dwangsom zou moeten verhinderen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.