ECLI:NL:RBMNE:2026:4038

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/2148
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia)
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging UWV-besluit over arbeidsongeschiktheid wegens onvoldoende motivering therapieën en recuperatietijd

Eiseres is het niet eens met het UWV-besluit dat zij per 29 mei 2024 recht heeft op een loongerelateerde WIA-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 76,14%. De rechtbank heeft eerder een tussenuitspraak gedaan waarin werd vastgesteld dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd hoe rekening is gehouden met de therapieën en de daarbij horende verwerkings- of recuperatietijd.

Het UWV heeft een aanvullende rapportage ingediend, maar deze herstelpoging voldeed niet aan de eisen van de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende toegelicht waarom de informatie over de therapieën en de ernstige depressieve stoornis niet tot meer beperkingen leidt. Ook is niet duidelijk gemaakt hoe de recuperatietijd is meegewogen.

De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk omdat het UWV inmiddels een besluit heeft genomen. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het UWV opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen. Daarnaast wordt het betaalde griffierecht aan eiseres vergoed en een beperkte vergoeding voor reiskosten toegekend. Verzoek tot vergoeding van proceskosten en verletkosten wordt afgewezen.

Uitkomst: Het UWV-besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het UWV krijgt zes weken om een nieuwe beslissing te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2148

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: M.H. Samama),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn).

Inleiding

Deze einduitspraak gaat over de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia). Eiseres is het niet eens met de beslissing van het Uwv dat zij per 29 mei 2024 ongewijzigd recht heeft op een loongerelateerde WHA uitkering die gebaseerd is op een mate van arbeidsongeschiktheid van 76,14%.

Procesverloop

Op 15 december 2025 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak (de tussenuitspraak) gedaan. Voor het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak. Daarin heeft de rechtbank het Uwv in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Het Uwv heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend. Eiseres en de gemachtigde van eiseres hebben hierop schriftelijk gereageerd met een zienswijze.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft vervolgens het onderzoek gesloten op 28 mei 2026.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen
4. Eiseres heeft een beroep niet tijdig beslissen ingediend vanwege het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar. Na indiening van het beroep, op 15 april 2025, heeft het Uwv alsnog een beslissing genomen op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit). Omdat er inmiddels is beslist op het bezwaar van eiseres en het Uwv met het bestreden besluit ook de verbeurde bestuurlijke dwangsom heeft vastgesteld, heeft eiseres geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard. Eiseres heeft op de zitting en in haar zienswijze verklaard dat zij wil dat de rechtbank alsnog de rechterlijke dwangsom aan haar toekent, maar dat kan alleen als het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond is. Dat wil zeggen: als de rechtbank vaststelt dat er nog steeds geen besluit is genomen door het Uwv. [1] Dat is hier dus niet het geval.
5. Omdat eiseres het niet eens is met het bestreden besluit heeft het beroep niet tijdig beslissen mede betrekking op dit besluit. [2] De rechtbank beoordeelt hierna het beroep tegen het bestreden besluit.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres voor zover gericht tegen het bestreden besluit gegrond en beslist dat het Uwv een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres moet nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De tussenuitspraak
7. Deze uitspraak bouwt voor op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. [3]
8. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het Uwv onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe er bij de vaststelling van de belastbaarheid van eiseres rekening is gehouden met de door haar opgegeven therapieën en de daarbij horende recuperatietijd. Die inzichtelijkheid is volgens de rechtbank wel nodig, omdat in het dagverhaal van eiseres en in wat zij naar voren heeft gebracht op de zitting, naar voren komt dat er sprake is van een lange(re) verwerkings- of recuperatietijd. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet toegelicht of, en zo ja op welke manier, de door hem opgevraagde informatie van [bedrijf] is betrokken bij de conclusies over de medische situatie van eiseres. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat deze informatie niet leidt tot extra beperkingen, maar hierover staat niets in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Door de verzekeringsarts dient daarom te worden toegelicht waarom deze informatie niet tot meer beperkingen leidt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep dient daarbij te betrekken dat uit die informatie blijkt dat sprake is van een ‘ernstig depressieve stoornis’ en een ‘andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis’. Omdat deze nadere motivering ontbreekt, is het bestreden besluit, naar het oordeel van de rechtbank, gebrekkig tot stand gekomen.
De herstelpoging
9. Het Uwv is in de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen. Dat heeft het Uwv geprobeerd met een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 maart 2026 (de herstelpoging). In deze aanvullende rapportage concludeert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de ingebrachte informatie van [bedrijf] geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt ten aanzien van de belastbaarheid te wijzigen, omdat uit de informatie van [bedrijf] blijkt dat er per datum in geding geen sprake is van behandeling bij [bedrijf] . Ten aanzien van de recuperatietijd van de door eiseres opgegeven therapieën stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er, gelet op de gegevens in het dossier, het primair medisch onderzoek, de indruk van eiseres tijdens de hoorzitting en medische informatie van de behandelaars van de GGZ geen objectiveerbare medische grond is om de vastgestelde belastbaarheid per datum in geding te wijzigen. Dat onvoldoende rekening is gehouden met recuperatietijd komt volgens de verzekeringsarts niet terug in het dagverhaal omdat niet blijkt dat sprake is van een dagelijkse invulling van huiswerkopdrachten.
De zienswijzen van eiseres
10. Eiseres heeft in reactie op de herstelpoging twee zienswijzen ingediend. Eén zienswijze heeft haar gemachtigde namens haar ingediend en zij heeft zelf ook een zienswijze overgelegd. De rechtbank zal zowel de zienswijze van de gemachtigde van eiseres als die van eiseres zelf, voor zover relevant voor de beoordeling van dit beroep, bij haar beoordeling betrekken.
11. De gemachtigde van eiseres voert in de zienswijze van 28 april 2026 primair aan dat de herstelpoging van het Uwv buiten beschouwing moet worden gelaten omdat deze te laat is ingediend, nu deze door de rechtbank niet op de uiterlijke datum van 10 maart 2026 is ontvangen maar op 12 maart 2026. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat in de aanvullende rapportage van 6 maart 2026 onvoldoende wordt ingegaan op de door de in de tussenuitspraak voorgelegde vragen. Ook wijst de gemachtigde van eiseres in haar zienswijze op een aantal fouten die in de aanvullende rapportage staan, zoals onjuiste data en de volgens haar onjuiste stelling dat er per datum in geding geen sprake is van behandeling bij [bedrijf] . De gemachtigde van eiseres stelt dat het bestreden besluit gebrekkig tot stand is gekomen en daarom niet in stand kan blijven.
11. Eiseres voert in haar zienswijze, kort gezegd, aan dat het Uwv geen zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en onvoldoende rekening heeft gehouden met haar klachten. Zij wijst daarbij onder meer op de recuperatietijd die zij nodig heeft na de therapieën en de informatie van [bedrijf] .
De beoordeling van de herstelpoging
13. Allereerst volgt de rechtbank de gemachtigde van eiseres niet in haar standpunt dat de herstelpoging van het Uwv buiten beschouwing moet worden gelaten omdat deze te laat is ingediend. Het klopt dat de nadere rapportage pas op 12 maart 2026 door de rechtbank is ontvangen. De rechtbank acht de overschrijding van twee dagen niet in strijd met de goede procesorde en neemt daarbij in aanmerking dat eiseres zelf ook heeft verzocht om uitstel voor het aanleveren van haar eigen zienswijze en deze vervolgens ook enkele dagen buiten de gestelde termijn heeft aangeleverd.
14. Ten aanzien van de herstelpoging is de rechtbank van oordeel dat het Uwv het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek met de aanvullende motivering niet heeft hersteld. Zij overweegt daartoe als volgt. In de tussenuitspraak is uiteengezet wat het Uwv moest doen om het gebrek te herstellen. Zoals de rechtbank heeft overwogen in 22. van de tussenuitspraak is de nadere toelichting door de verzekeringsarts nodig omdat in het dagverhaal van eiseres en in naar wat zij naar voren heeft gebracht op de zitting naar voren komt dat er sprake is van een lange(re) verwerkings- of recuperatietijd. Anders dan de stelling dat voor wat betreft de urenbeperking ten aanzien van de behandelingen bij de ergotherapeut en de fysiotherapeut ruimschoots tegemoet wordt gekomen motiveert de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet hoe er bij de vaststelling van de belastbaarheid van eiseres rekening is gehouden met de door haar opgegeven therapieën.
15. Met betrekking tot de gevraagde nadere motivering over de informatie die van [bedrijf] was ontvangen overweegt de rechtbank dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte wordt geconcludeerd dat eiseres per datum in geding niet meer in behandeling was bij [bedrijf] en dat er om die reden geen grond bestaat om rekening te houden met recuperatietijd. Uit de informatie van [bedrijf] volgt inderdaad dat verschillende behandelingen zich over verschillende periodes hebben verspreid. Toch blijkt ook uit de informatie dat op de datum in geding van 29 mei 2024 sprake was van gesprekstherapie met lichaamsgerichte interventies. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na haar conclusie niet meer toegelicht waarom de informatie niet tot meer beperkingen leidt en dus ook nagelaten bij haar toelichting te betrekken dat uit de informatie blijkt dat sprake is van een ‘ernstig depressieve stoornis’ en een ‘andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis’. Zij heeft enkel vastgesteld dat er van schematherapie geen sprake was op de datum in geding omdat deze therapie onvoldoende aansloot bij de hulpvraag van eiseres.
16. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv nog steeds onvoldoende heeft gemotiveerd hoe er bij de vaststelling van de belastbaarheid van eiseres rekening is gehouden met de door haar opgegeven therapieën en de daarbij horende verwerkings- of recuperatietijd. Ook heeft het Uwv nog steeds niet kenbaar betrokken dat uit de informatie van [bedrijf] blijkt dat sprake is van een ernstig depressieve stoornis en heeft het nagelaten duidelijk en inzichtelijk te maken waarom die informatie niet tot meer beperkingen leidt. De rechtbank zal het besluit daarom vernietigen en het Uwv opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
17. Het verzoek van eiseres om vaststelling van een bestuursrechtelijke dwangsom wordt afgewezen. Zoals ook op de zitting is besproken kan er alleen een rechtelijke dwangsom worden toegekend wanneer een beslissing van het bestuursorgaan uitblijft.

Conclusie en opdracht aan het Uwv

18. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat in de herstelpoging door de verzekeringsarts bezwaar en beroep het voorstel wordt gedaan dat wanneer de rechtbank twijfels heeft over de conclusie dat er geen objectiveerbare medische grond is om de vastgestelde belastbaarheid per datum in geding te wijzigen, het Uwv in de gelegenheid te stellen een psychiatrische expertise te laten verrichten. De rechtbank maakt hieruit op dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het nodig vindt om een psychiatrische expertise te laten verrichten voordat een nieuw besluit kan worden genomen op het bezwaar van eiseres. Gelet op de tijd die dat naar verwachting zal kosten en de tijd die deze procedure al in beslag neemt vindt de rechtbank een einduitspraak in dit geval passend.
19. Het Uwv moet dus een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiseres, rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
Proceskosten en griffierecht
20. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het Uwv aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
21. Eiseres heeft ook verzocht om een vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. Met het door haar op de zitting overgelegde formulier proceskosten verzoekt eiseres om vergoeding van kosten door derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vergoeding van de door haar en haar gemachtigde gemaakte reiskosten voor de zitting à € 76,- en vergoeding verletkosten van 3 uur.
22. De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van de door eiseres en haar gemachtigde gemaakte reiskosten gedeeltelijk toe. Op grond van artikel 1, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) stelt de rechtbank de vergoeding voor de reiskosten vast op € 10,60 (retour woonplaats eiseres ( [plaats 1] ) – [plaats 2] à € 10,60).
23. De gevraagde vergoeding van kosten door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (waaronder de reiskosten van de gemachtigde) en vergoeding van verletkosten wordt niet toegewezen. Op de zitting is door de gemachtigde van eiseres bevestigd dat zij met pensioen is en niet meer werkzaam is als advocaat of als professioneel rechtsbijstandsverlener. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een door een derde verleende rechtsbijstand, zodat de kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb en het Bpb. Ten aanzien van de verletkosten overweegt de rechtbank het volgende. In de specificatie van de proceskosten staat dat eiseres deze kosten vraagt ter vergoeding van gemiste therapie, gemiste gezinstijd, ontspanning en toename van gezondheidsklachten, gemiste medische afspraken en gemiste mogelijkheden tot aangaan van werk en het niet ontvangen van informatie/hulp bij re-integratie of aangaan van duurzaam werk. Dit is niet waar een vergoeding van verletkosten voor is bedoeld. Een verletkostenvergoeding is bedoeld voor inkomsten die zijn gemist in verband met de procedure, maar eiseres heeft niet gesteld en ook niet onderbouwd dat daarvan sprake is.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het Uwv op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
  • draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv in de reiskosten van eiseres tot een bedrag van € 10,60.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.
De rechter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:55c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid van de Awb.
3.De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).