ECLI:NL:RBMNE:2026:4088

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/7496
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen afwijzing WIA-uitkering wegens juiste medische en arbeidskundige beoordeling

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De primaire verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden een arbeidsongeschiktheid van 14,84% vast, wat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep werd bevestigd na herbeoordeling.

Eiseres stelde dat zij niet gehoord was tijdens de bezwaarprocedure en dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat het UWV niet onzorgvuldig had gehandeld, omdat eiseres of haar gemachtigde niet binnen de gestelde termijn had gereageerd op de uitnodiging voor een hoorzitting.

De medische beoordeling was zorgvuldig en gebaseerd op een actueel dossier, inclusief een recent medisch onderzoek. Er was geen aanleiding om de Functionele Mogelijkheden Lijst te herzien. De arbeidskundige beoordeling was eveneens deugdelijk en de geduide functies waren passend bij de belastbaarheid van eiseres.

De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht de WIA-uitkering had geweigerd en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7496

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: W.A. Postma).

Inleiding

1. Eiseres heeft voor het laatst gewerkt als [functie] bij [bedrijf] . Zij heeft zich op 15 oktober 2022 ziekgemeld in verband met gezondheidsklachten.
1.1.
Eiseres heeft per einde wachttijd een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.
1.2.
De primaire verzekeringsarts heeft op 16 april 2025 een rapportage opgemaakt en een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld, waarin beperkingen worden aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden (maximaal 4 uur per dag en maximaal 20 uur per week). De primaire arbeidsdeskundige heeft eiseres op grond hiervan 14,84% arbeidsongeschikt geacht.
1.3.
Met het besluit van 30 juni 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan eiseres meegedeeld dat zij met ingang van 12 oktober 2024 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd. De herbeoordeling is uitgevoerd op basis van de beschikbare informatie, omdat het dossier geen medische vragen oproept. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres in een andere bezwaarprocedure op 29 augustus 2024, kort vóór de huidige datum in geding, fysiek uitgebreid gezien en medisch onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er per datum in geding geen aanleiding is om de FML te herzien. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres ongewijzigd blijft.
1.5.
Met het besluit van 19 november 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres (via de telefoon) en de gemachtigde van het Uwv.

Standpunten van eiseres

2. Eiseres heeft bij de rechtbank twee redenen genoemd waarom het bestreden besluit volgens haar niet klopt. Ten eerste vindt zij dat het Uwv haar had moeten horen tijdens de bezwaarprocedure. Daarnaast is eiseres het niet eens met de vaststelling van haar mate van arbeidsongeschiktheid door het Uwv. Eiseres vindt dat zij verdergaand beperkt is.
2.1.
De rechtbank moet beoordelen of het Uwv heeft kunnen afzien van een hoorzitting en of de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres correct is vastgesteld op 14,84%. Daarbij gaat het om de medische toestand van eiseres op 14 oktober 2024 (de datum in geding).

Geheimhouding

3. Eiseres heeft geen toestemming gegeven om gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan de ex-werkgever te verstrekken. De rechtbank zal daarom de motivering van haar oordeel voor zover nodig en mogelijk beperken om te voorkomen dat deze gegevens via deze uitspraak alsnog openbaar worden.

Beoordeling door de rechtbank

Horen tijdens de bezwaarprocedure
4. Eiseres heeft aangevoerd dat het Uwv ten onrechte heeft afgezien van een hoorzitting. De zaak had niet schriftelijk door de verzekeringsarts bezwaar en beroep mogen worden afgedaan. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat zij het onzorgvuldig van het Uwv vindt dat er geen telefonisch contact is geweest. In de gronden van bezwaar is immers duidelijk aangegeven dat eiseres gehoord wilde worden.
4.1.
Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, moet aan belanghebbenden de mogelijkheid geboden worden om te worden gehoord. [1] Van het horen kan worden afgezien als de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. [2] Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt verder dat er geen regel is die voorschrijft dat een verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig moet zijn tijdens de hoorzitting of zelf lichamelijk onderzoek moet verrichten. [3]
4.2.
Uit de correspondentie in het dossier blijkt de volgende gang van zaken rond de hoorzitting. Eiseres heeft in de gronden van bezwaar aangegeven gebruik te willen maken van de mogelijkheid om tijdens een mondelinge hoorzitting de redenen/gronden van het bezwaar aan te vullen en/of te lichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had aangegeven niet aanwezig te zullen zijn bij een eventuele hoorzitting, omdat zij geen noodzaak zag tot een aanvullend onderzoek. Het Uwv heeft dit per e-mail aangegeven aan de gemachtigde van eiseres. Daarbij heeft het Uwv gevraagd om binnen twee weken door te geven, als eiseres wel gebruik wil maken van een hoorzitting. Het Uwv heeft geen reactie ontvangen op deze e-mail. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat zij de e-mail wel heeft ontvangen, maar daar per abuis niet op heeft gereageerd en de e-mail heeft weggeklikt. De heroverweging is daarom op basis van de aanwezige stukken en de door eiseres aangeleverde bezwaargronden, zonder hoorzitting, uitgevoerd.
4.3.
Uit de onder punt 4.2 beschreven gang van zaken volgt dat het Uwv niet heeft afgezien van een hoorzitting. De omstandigheid dat eiseres in bezwaar niet is gehoord is het gevolg van de keuze van eiseres of haar gemachtigde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Uwv niet onzorgvuldig heeft gehandeld en de op hem rustende verplichting om eiseres te horen niet heeft geschonden.
De medische beoordeling
5. De rechtbank stelt voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. Dit brengt mee dat de manier waarop eiseres zelf haar gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is.
5.1.
Volgens eiseres heeft zij verdergaande beperkingen dan zijn aangenomen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. Zo is eiseres al langere tijd bekend met dezelfde klachten, waar zij ook nog steeds behandeling voor krijgt. Eiseres heeft aangevoerd dat haar klachten en beperkingen richting de datum in geding zijn toegenomen. Dit is in de bezwaarprocedure niet inhoudelijk onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Er is bij eiseres geen navraag gedaan naar de toename, frequentie en functionele consequenties van de klachten. Ook is geen aanvullende medische informatie opgevraagd bij behandelaars. Het Uwv heeft de FML uit het ziektewet-traject gebruikt voor de WIA-beoordeling. Het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep uit het ziektewet-traject van 29 augustus 2024 ziet op een andere datum in geding en kan daarom niet dienen als grondslag voor de huidige datum in geding. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat de ziekte fluctueert, ook hormoon gerelateerd. Er is niet gekeken naar de actuele situatie van eiseres en haar klachten, die veranderen door de tijd.
5.2.
Uit de rapportages van 23 oktober 2025 en 24 februari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat de informatie van de behandelend sector bij de beoordeling is betrokken. Er is geen lichamelijk/psychisch onderzoek verricht en geen medische informatie opgevraagd omdat het medisch toestandsbeeld voldoende duidelijk uit het dossier blijkt. Ook geeft het dossier en het bezwaarschrift geen aanwijzingen voor een noodzaak voor een dergelijk onderzoek of het opvragen van aanvullende informatie. Het eigen onderzoek, kort voor de huidige datum in geding, en de bestudering van de medische gegevens geven de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om de FML van 26 april 2025 te herzien. De belastbaarheid wijzig niet omdat de primair opgestelde belastbaarheid een logische samenhang tussen de aard, ernst en behandeling van de onderliggende medische aandoeningen/stoornissen, de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen, de geduide beperkingen en het sociaal functioneren van eiseres toont. Door de al gestelde beperkingen en voorwaarden in arbeid en de duurbeperking, wordt voorzien in een voldoende lage energetische belasting. De verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschrijft de conclusie van de primaire verzekeringsarts. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres uitgebreid fysiek gesproken en medisch onderzocht op 29 augustus 2024. Dit is ongeveer zes weken vóór de huidige datum in geding. Dat de datum in geding van dat onderzoek een andere was, doet hieraan medisch niets af. De situatie op dat moment is uitgebreid medisch besproken en ook meegenomen bij het opstellen van de belastbaarheid. Er is per datum in geding geen aanleiding om de FML te herzien, omdat er sprake is van een ongewijzigd medisch feitencomplex.
5.3.
Eiseres heeft in beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd en ook niet op een andere wijze aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van haar gezondheidstoestand en haar belastbaarheid voor arbeid. Dat eiseres eerder wel recht had op een Ziektewet-uitkering maakt niet dat deze beoordeling onjuist is. Bovendien volgt uit het dossier dat de Ziektewet-uitkering terecht was stopgezet. Deze stopzetting kon door tijdsverloop alleen niet meer geëffectueerd worden. Eiseres heeft ook niet onderbouwd waarom de beoordeling onjuist is en heeft geen stukken overgelegd over behandeling op de datum in geding.
Hoewel de rechtbank zeker begrip heeft voor de beleving door eiseres van al haar klachten, betekent het hebben van klachten nog niet dat er ook (ernstigere) beperkingen voor arbeid moeten worden aangenomen in de FML. Het is juist de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om op basis van medisch objectiveerbare klachten beperkingen vast te stellen.
5.4.
De rechtbank volgt het Uwv dan ook in zijn conclusie dat er geen reden was om op de datum in geding die hier aan de orde is meer beperkingen aan te nemen. Eiseres heeft geen twijfel doen rijzen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over haar gezondheidstoestand en haar belastbaarheid voor arbeid. Dit leidt tot de conclusie dat het Uwv terecht heeft geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen.
Arbeidskundige beoordeling
6. Eiseres voert aan dat de geduide functies niet passend zijn, de geduide functies zijn te zwaar voor eiseres. Op de zitting is duidelijk geworden dat alle gronden die over de arbeidskundige beoordeling zijn aangevoerd terug te voeren zijn op de medische beoordeling. Eiseres heeft dus geen arbeidskundige beroepsgronden aangevoerd.
6.1.
Uitgaande van de juistheid van de medische beoordeling, is de rechtbank van oordeel dat het Uwv met het arbeidsdeskundig rapport van 6 november 2025 deugdelijk heeft gemotiveerd dat de voorbeeldfuncties de belastbaarheid van eiseres niet overschrijden en dus passend zijn. Het Uwv heeft deze functies aan de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag kunnen leggen. Hieruit volgt ook dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres juist heeft vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 7:3, aanhef en onder d. van de Awb.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1484 en 31 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3492.