ECLI:NL:CRVB:2020:3492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd
Appellante was werkzaam als servicemedewerkster en meldde zich ziek met knieklachten. Het UWV beëindigde haar ZW-uitkering omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundig onderzoek.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, waarbij ook de klachten en medische informatie van de behandelend sector waren betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had appellante niet zelf onderzocht, maar dossierstudie verricht en het onderzoek werd als voldoende gemotiveerd beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat zij niet door een verzekeringsarts was gehoord en dat haar medische situatie was verslechterd. De Raad volgde dit niet en bevestigde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat geen sprake was van schending van het equality of arms-beginsel en dat de medische beoordeling overtuigend was gemotiveerd.
Het verzoek om benoeming van een onafhankelijk deskundige werd afgewezen omdat er geen twijfel bestond aan de juistheid van de medische beoordeling. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de ZW-uitkering bevestigd.