ECLI:NL:RBMNE:2026:4161

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/6617
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.16 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag maatwerkvoorziening verhuiskostenvergoeding na weigering gesprek

De zaak betreft een beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist om de aanvraag van eiser voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding af te wijzen. De rechtbank heeft in een eerdere tussenuitspraak een motiveringsgebrek geconstateerd en het college de gelegenheid gegeven dit te herstellen.

Het college heeft vervolgens een aanvullende motivering gegeven waarin is toegelicht dat een gesprek noodzakelijk is om de complexe situatie van eiser, die psychische klachten stelt, goed te kunnen beoordelen. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd en de schriftelijke communicatie biedt volgens het college onvoldoende inzicht. Eiser betwist dat schriftelijke afdoening niet mogelijk is en stelt dat het college geen poging heeft gedaan tot schriftelijke afhandeling.

De rechtbank oordeelt dat het college het motiveringsgebrek met de aanvullende motivering heeft hersteld en dat het gesprek noodzakelijk is om de aanvraag zorgvuldig te beoordelen. Omdat eiser structureel weigert mee te werken aan het gesprek, kon het college niet beoordelen of de maatwerkvoorziening noodzakelijk was en heeft het de aanvraag terecht afgewezen. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de afwijzing van de aanvraag verhuiskostenvergoeding blijft in stand vanwege weigering medewerking.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6617

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Verspaandonk),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist

(gemachtigde: mr. M. ’t Hart-Dellemann).

Procesverloop

1. Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van
24 april 2026 verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
1.1
In de tussenuitspraak van 24 april 2026 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen 4 weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.2
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
1.3
Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd.
1.4
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en hierna het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het geval van eiser niet kon worden volstaan met het stellen van schriftelijke vragen om een goed beeld van de situatie te verkrijgen.

Herstelpoging

4. Om het geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen heeft het college bij brief van 15 mei 2026 het besluit op dit punt aanvullend gemotiveerd. Het college wijst erop dat in complexe situaties, zoals een aanvraag voor een verhuiskostenvergoeding waarbij gesteld wordt dat sprake is van psychische klachten, een gesprek onmisbaar is. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd en de wel door hem overgelegde stukken tonen geen noodzaak voor maatwerkvoorziening, zodat juist daarom een gesprek nodig is om de situatie volledig en zorgvuldig te kunnen beoordelen. Daarbij is het gesprek bedoeld om de vraag achter de vraag te achterhalen en biedt schriftelijke communicatie, zeker gezien de wijze van communiceren van eiser, hiervoor volgens het college onvoldoende ruimte.
5. Eiser voert in zijn zienswijze aan dat het gebrek naar zijn mening niet met de aanvullende motivering is hersteld. Hij stelt zich daarbij op het standpunt dat niet is aangetoond dat schriftelijke afdoening niet mogelijk zou zijn. Het is maar een veronderstelling van de zijde van het college dat schriftelijke afhandeling niet mogelijk is. Zij hebben hier ten onrechte geen daadwerkelijke poging toe ondernomen. De stelling dat eiser geen medewerking zou verlenen, kan daarom niet slagen.
Beoordeling van de rechtbank
6. De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek op 9 juni 2026 nog aanvullende stukken van eiser ontvangen. De rechtbank heeft in deze stukken geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen. De stukken zijn, omdat ze na sluiting van het onderzoek zijn ontvangen, niet betrokken bij de beoordeling van deze zaak. [1]
7. De rechtbank is van oordeel dat het college met de aanvullende motivering het geconstateerde motiveringsgebrek heeft hersteld. Het college heeft met de brief van 15 mei 2026 voldoende duidelijk uiteengezet waarom zij een gesprek noodzakelijk achten om te kunnen beoordelen of de huidige woning passend is, of deze eventueel kan worden aangepast, welke beperkingen eiser daadwerkelijk ervaart en hoe hij het beste geholpen kan worden. Hierbij heeft het college van belang kunnen achten dat het complexe situatie betreft, de huidige overgelegde stukken geen noodzaak tot een maatwerkvoorziening aantonen en een gesprek het mogelijk maakt door te vragen, inconsistenties te verduidelijken en te onderzoeken of er wellicht andere, meer passende oplossingen zijn. Hierbij heeft het college naar het oordeel van de rechtbank ook betekenis mogen toekennen aan de manier van communiceren van eiser. Zonder gesprek ontstaat er eindeloze schriftelijke uitwisseling zonder dat duidelijk wordt wat de daadwerkelijke ondersteuningsbehoefte is.
8. Gelet op vorengaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het college een gesprek nodig heeft mogen achten voor het kunnen beoordelen van de aanvraag van eiser. Eiser was dan ook gehouden om zijn medewerking aan dit onderzoek te verlenen. Nu eiser structureel zijn medewerking aan dit onderzoek heeft geweigerd, was het voor het college niet mogelijk om te kunnen beoordelen of het verstrekken van de gevraagde maatwerkvoorziening noodzakelijk was. Daarom heeft het college de aanvraag van eiser voor de maatwerkvoorziening, in de vorm van een verhuiskostenvergoeding, terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

9. De conclusie is dat de aanvraag van eiser terecht is afgewezen.
10. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Omdat het college het gebrek heeft hersteld met zijn aanvullende motivering, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand laten. Dit wil zeggen dat het beroep wel gegrond is, maar dat de uitkomst hetzelfde blijft en eiser geen recht heeft op een verhuiskostenvergoeding.
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, ziet zij aanleiding te bepalen dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
12. De rechtbank veroordeelt het college in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus en met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335, -.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke- van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.16, derde lid, van het procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025.