Uitspraak
1.De procedure
Volgens [verzoeker] blijkt uit diverse meldingen en een rapport van Partners in Integriteit dat [verweerder] zich grensoverschrijdend heeft gedragen.
3.De achtergrond van de zaak
Het team van [school] bestaat uit een ervaren groep ouderen en een nieuwsgierige groep jongeren. Zij hebben een bruggenbouwer nodig die de mensen ziet en die uitnodigt om te leren van en met elkaar. De directeur gaat werken in een team waarin de laatste jaren een aantal wisselingen zijn geweest. In het team is daarom aandacht nodig voor het verduidelijken van taken en verantwoordelijkheden alsook voor de processen om tot besluitvorming te komen. (...)"
Hoofdstuk 5.3 Beoordeling”het volgende geconcludeerd:
Uit het onderzoek volgt dat enkele geïnterviewden bepaalde gedragingen van betrokkene als ongewenst hebben ervaren en zich als gevolg daarvan onveilig hebben gevoeld. (…)
Hoofdstuk 5.4 Vervolgstappen” van het rapport wordt aan [verzoeker] onder meer geadviseerd naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek een reflectiegesprek te houden met [verweerder] .
4.De beoordeling in het verzoek en in het voorwaardelijk tegenverzoek
- verwijtbaar handelen dan wel nalaten van [verweerder] (e-grond),
- een combinatie van omstandigheden genoemd in deze gronden (i-grond).
“Wij kennen [verweerder] als iemand die voor zijn team staat. Als een meester. Een onderwijzer in hart en nieren. Iemand die kinderen begrijpt, die schakelt in niveau, die door zijn knieën gaat om op ooghoogte te praten. Iemand die streng kan zijn als dat nodig is, maar altijd met hart voor de kinderen en hart voor de school.”
Van verwijtbaar gedrag dat tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou moeten leiden, is dan ook geen sprake.
[verweerder] wijst er ook op dat alle transacties plaatsvonden met volledig medeweten van de financiële administratie. Hem is nooit gevraagd om op een andere wijze uitgaven te administreren, terwijl [verweerder] voor boodschappen die hij deed voor het personeel altijd de omschrijving “personeel” hanteerde. Als [verzoeker] meer details of een andere wijze van verantwoording verwachtte, had het op de weg van [verzoeker] gelegen [verweerder] daar al veel eerder op aan te spreken.
[verweerder] betwist dat hij bovenmatig alcohol of andere middelen heeft gebruikt op school.
Daarnaast loopt er kennelijk nog een aangifte tegen [verweerder] die door [verzoeker] is ingediend en (een) aangifte(s) die door [voormalig werkgever] is gedaan. [verzoeker] heeft geen inzicht gegeven waar haar aangifte tegen [verweerder] precies op ziet. Al is op dit moment volledig onduidelijk wat daar de status van is en of daar al dan geen gevolg aan wordt gegeven, het zorgt wel voor extra implicaties voor terugkeer van [verweerder] . Niet alleen binnen [school] , maar ook binnen andere scholen die onder [verzoeker] vallen.
€ 135.000,00. [verzoeker] betwist dat de reputatie van [verweerder] ernstig besmet is door de schorsingen. Dat is de kantonrechter niet met [verzoeker] eens. Al is niet komen vast te staan dat [verweerder] (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld, dan nog blijft staan dat de naam van [verweerder] wel degelijk is besmet.
Het inkomensverlies en de aangevoerde carrierébreuk hangen met elkaar samen en kunnen niet beide afzonderlijk als inkomensschade worden begroot. Alles overwegend acht de kantonrechter het redelijk om uit te gaan van een inkomensschade (inclusief carrièrebreuk) van € 125.000,00.
uiterlijk op 16 juli 2026door de griffie is ontvangen.
1 oktober 2026, dan uit op een bedrag van € 10.291,68 bruto. Dat bedrag zal dus worden toegewezen.
[verweerder] heeft immers juridische bijstand moeten inschakelen om, voorafgaand aan onderhavige procedure, verweer te voeren tegen de schorsingen en voor bijstand ten tijde en voorafgaand aan het onderzoek. Daarvan zijn ook bewijsstukken overgelegd. De kantonrechter zal daarom de werkelijke advocaatkosten tot 1 maart 2026, ten bedrage van
€ 27.406,84 (inclusief BTW), toewijzen als buitengerechtelijke kosten, omdat na die maand de procedure is gestart.
De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden in het verzoek begroot op € 1.298,00 en bestaan uit € 1.154,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. In het tegenverzoek worden de proceskosten van [verweerder] begroot op € 865,00 aan salaris gemachtigde.
5.De beslissing
16 juli 2026in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de gemachtigde van de wederpartij,
€ 27.406,84 inclusief BTW,