ECLI:NL:RBMNE:2026:4220

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/6187
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 WkkgzArt. 2 WkkgzArt. 3 WkkgzArt. 29 WkkgzArt. 44 Gezondheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen openbaarmaking aanwijzing en bestuursdwang Villa Expert Care

Villa Expert Care B.V. (VEC) ontving op 25 juni 2026 een aanwijzing van de minister van Volksgezondheid wegens onvoldoende zorgkwaliteit op locaties Vleuten en Waalre. De minister besloot deze aanwijzing en het inspectierapport openbaar te maken. VEC voldeed niet aan de verplichting om binnen 24 uur na bekendmaking de cliëntvertegenwoordigers en zorgverzekeraars te informeren, waarop de minister bestuursdwang toepaste.

VEC verzocht de voorzieningenrechter om voorlopige voorzieningen te treffen die de schorsing van punt vier van de aanwijzing, de openbaarmaking van de aanwijzing, het inspectierapport en het bestuursdwangbesluit beoogden. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 30 juni 2026 en wees het af.

De rechter motiveerde dat de openbaarmaking van toezichtinformatie door de inspectie wettelijk is voorgeschreven en dat de toetsing door de bestuursrechter beperkt is tot de feitelijke basis van het rapport. VEC betwistte de feitelijke juistheid niet, maar wilde context toevoegen, wat geen reden is voor schorsing. De belangen van transparantie en het informeren van cliënten wegen zwaarder dan de door VEC aangevoerde reputatieschade. Ook het verzoek tot schorsing van bestuursdwang werd afgewezen omdat het besluit niet is geëffectueerd en openbaarmaking reeds op grond van de Gezondheidswet kan plaatsvinden.

De uitspraak is definitief en er staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en staat openbaarmaking van de aanwijzing, het inspectierapport en het bestuursdwangbesluit toe.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/6187
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Villa Expert Care B.V., uit Nieuwegein, verzoekster

(gemachtigde: mr. B.A. van Schelven),
en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

(gemachtigde: mr. M.L. Batting en mr H.M. den Herder).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Cliëntenraad Villa Expert Care B.V. (derde-partij)
(gemachtigde: mr. K.F. Liew en mr. R.C. de Mol).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster.
1.1.
Bij besluit van 25 juni 2026 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan Villa Expert Care B.V. (VEC), locaties Vleuten en Waalre, een aanwijzing gegeven op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), omdat de door haar geboden zorg volgens verweerder niet voldoet aan de eisen van de artikelen 2 en 3 van de Wkkgz.
1.2.
Voorts heeft de minister bij ditzelfde besluit besloten de aanwijzing openbaar te maken op grond van artikel 44 van Pro de Gezondheidswet in samenhang gelezen met artikel 2.3 van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet. De minister doet dit door een zakelijke weergave van de overwegingen en het dictum van het besluit, samen met een publicatieversie van het inspectierapport en een begeleidend persbericht te publiceren op de website van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (de Inspectie).
1.3.
De inspectie heeft vastgesteld dat VEC niet heeft voldaan aan onderdeel vier van deze aanwijzing, te weten dat VEC binnen 24 uur na bekendmaking van de aanwijzing clientvertegenwoordigers, de zorgverzekeraars van de cliënten alsook de zorgkantoren dient de informeren over deze aanwijzing en de zakelijke weergave daarvan.
1.4.
Daarom heeft de minister bij besluit van 26 juni 2026 (bestreden besluit 2) besloten tot het toepassen van bestuursdwang op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wkkgz in samenhang met artikel 27, van de Wkkgz om naleving van onderdeel vier van de op 25 juni 2026 gegeven aanwijzing, te weten het delen van de zakelijke weergave van de aanwijzing, alsnog af te dwingen.
1.5.
Voorts heeft de minister bij ditzelfde besluit besloten om de zakelijke weergave van de bestuursdwang openbaar te maken op grond van artikel 44, eerste lid, van de Gezondheidswet in samenhang gelezen met artikel 2.3 van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet met een bijbehorend persbericht op de website van de Inspectie.
1.6.
Tegen deze besluiten heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende schorsing van punt vier van de aanwijzing van het bestreden besluit 1 en schorsing van de openbaarmaking van de aanwijzing op grond van artikel 44 van Pro de Gezondheidswet en schorsing van de openbaarmaking van de bestuursdwang (bestreden besluit 2) op grond van artikel 44, van de Gezondheidswet.
1.7.
De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekster en de minister hebben diverse aanvullende reacties ingediend. De minister heeft toegezegd niet tot openbaarmaking over te gaan totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
1.8.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, [A] namens verzoekster, de gemachtigden van de minister, mr. [B] en mw. [C] Msc, beide werkzaam bij de Inspectie, de gemachtigden van derde-partij, en [D] namens de derde-partij.
1.9.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Wat is er gebeurd?
3. Verzoekster is een zorgaanbieder met vier zorglocaties in Rijswijk, Wezep, Vleuten en Waalre. Naar aanleiding van berichten over een voorgenomen sluiting van VEC houdt de Inspectie vanaf 30 januari 2026 toezicht op de kwaliteit van de zorg die wordt geleverd op de locaties van VEC. Op 20 mei 2026 heeft de inspectie een inspectierapport gepubliceerd over de toezichtperiode van 30 januari 2026 tot en met 2 april 2026.
4. Op 16 en 17 juni 2026 bezocht de inspectie de locaties Vleuten en Waalre. Dit heeft geleid tot de bestreden besluiten en de besluiten tot openbaarmaking. Vaststaat dat de locaties Vleuten en Waalre op 1 juli 2026 zullen sluiten.
Verzoek artikel 8:29 van Pro de Awb/behandeling achter gesloten deuren
5. Verzoekster heeft verzocht om de zitting achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. Ook heeft verzoekster aan de rechtbank een gelakte versie van de zakelijke weergave van de aanwijzingen en van het inspectierapport verstrekt met een beroep op artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij heeft verzoekster er op gewezen dat de cliëntenraad zich wil voegen in de procedure, terwijl verzoekster er belang bij heeft dat de cliëntenraad geen kennis neemt van de gelakte passages. Dat belang hangt volgens verzoekster samen met de redenen waarom zij openbaarmaking van (delen van) de besluiten en het inspectierapport wil voorkomen. Het delen van die passages en de aanwezigheid van de cliëntenraad op de zitting zou dat belang schaden.
6. Aan het begin van de zitting heeft de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om behandeling achter gesloten deuren op grond van artikel 8:62 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen omdat zij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de goede rechtspleging ernstig wordt geschaad als de cliëntenraad of andere derden daarbij aanwezig zijn. Ten aanzien van het beroep op artikel 8:29 van Pro de Awb heeft de voorzieningenrechter op de zitting gewezen op artikel 2.8, zesde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken. Op basis daarvan handelt de voorzieningenrechter alsof de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, nu de stukken inzet van het geding zijn. .
7. In het verlengde hiervan is met partijen op de zitting het volgende besproken. De cliëntenraad heeft verzocht deel te mogen nemen als derde partij. Besproken is dat de vraag of zij daadwerkelijk als derde partij zijn aan te merken nader onderzoek vergt. Daarbij is gesproken over de taken en bevoegdheden van de cliëntenraad en heeft de voorzieningenrechter onder andere gewezen op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 oktober 2018. [1] Om die reden – en gelet op het beroep op artikel 8:29 van Pro de Awb van verzoekster – is aan de cliëntenraad voorafgaand aan de zitting het procesdossier niet toegestuurd. Omwille van de spoedeisendheid van de procedure is op de zitting met partijen afgesproken dat de cliëntenraad deel kan nemen aan de procedure, zij geen beschikking heeft over het procesdossier en uitsluitend beschikt over een gelakte versie van de zakelijke weergave van het aanwijzingenbesluit. Gedurende de zitting hebben partijen er voorts mee ingestemd dat de cliëntenraad de zittingszaal tijdelijk verlaat, zodat verzoekster nog punten naar voren heeft kunnen brengen die volgens haar van belang zijn voor de procedure, maar niet kenbaar mogen worden aan de cliëntenraad.
Inhoudelijk
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat de kern van het geschil de vraag is of de minister die dag mag overgaan tot openbaarmaking van de zakelijke weergave van de aanwijzing en het inspectierapport. Het verzoek om voorlopige voorziening ziet op:
- schorsing van punt vier van het aanwijzingsbesluit;
- schorsing van het besluit tot toepassen van bestuursdwang;
- schorsing van de openbaarmaking van de zakelijke weergave van de aanwijzing en inspectierapport op grond van artikel 44, eerste lid, van de Gezondheidswet;
- schorsing van openbaarmaking van de zakelijke weergave van het bestuursdwangbesluit
9. De aanwijzing onder vier van het aanwijzingsbesluit ziet op de plicht voor VEC om de clientvertegenwoordigers, de zorgverzekeraars van de cliënten alsook het zorgkantoor te infomeren over deze aanwijzing. Dit doet zij door het delen van een afschrift van de zakelijke weergave van deze aanwijzing.
10. Op zitting is met partijen besproken dat als de openbaarmaking van beide besluiten op grond van artikel 44 van Pro de Gezondheidswet niet wordt geschorst er in de kern geen belang meer is om punt vier van het aanwijzingsbesluit te schorsen. In dat geval zal immers de minister op grond van artikel 44 van Pro de Gezondheidswet de informatie openbaar maken die verzoekster gelet op aanwijzing vier zelf en al eerder openbaar had moeten maken. Daarom zal de voorzieningenrechter eerst het verzoek tot schorsing van het besluit tot openbaarmaking op grond van artikel 44 van Pro de Gezondheidswet beoordelen.
Over verzoek tot schorsing openbaarmaking aanwijzing en inspectierapport
11. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [2] volgt dat de wetgever het van belang heeft geacht dat informatie van de toezichthouder over de naleving en uitvoering van regelgeving door de inspectie openbaar wordt gemaakt. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de toetsing van een openbaarmakingsbesluit door de bestuursrechter beperkt is tot de vraag of voor de vaststellingen van feitelijke aard in het rapport een voldoende feitelijke basis aanwezig is. De waardering van feiten en oordelen daarover maken geen deel uit van de door de bestuursrechter te verrichten toetsing, evenmin als conclusies die op die waarderingen en oordelen zijn gebaseerd. [3]
12. In haar uitspraak van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6384, r.o. 10.2 en 10.3, heeft de Afdeling haar rechtspraak over dit onderwerp in zoverre genuanceerd dat de toetsing van een openbaarmakingsbesluit door de bestuursrechter zich ook kan uitstrekken tot conclusies en oordelen die evident niet volgen uit de feiten. Het kan daarbij gaan om conclusies en oordelen die niet op in het rapport benoemde feiten zijn gebaseerd of die gezien de feiten evident te verstrekkend zijn.
13. Niet in geschil is dat verzoekster niet heeft voldaan aan de artikelen 2 en 3 van de Wkkgz. Verzoekster heeft verder aan de rechtbank te kennen gegeven welke passages uit de zakelijke weergave van het aanwijzingsbesluit vooral niet openbaar gemaakt zouden moeten worden. Verzoekster heeft hierover gesteld dat deze passages geen onjuistheden bevatten, maar dat de context zoals die door verzoekster in de stukken en op de zitting is geschetst, van belang is om de feiten op een juiste wijze te kunnen plaatsen, interpreteren en waarderen. Dat betekent dat de gronden zich op zich niet richten tegen de feitelijke vaststellingen in de zakelijke weergave en in het rapport. Die juistheid wordt immers niet betwist. Ook is niet gebleken dat conclusies en oordelen in die zakelijke weergave en het rapport evident niet volgen uit die feiten. De wens om de context op te nemen maakt op zichzelf niet dat, gezien die feiten, sprake is van een evident te verstrekkend oordeel. In dat kader is gewezen op de mogelijkheid die door de wetgever geboden wordt om een reactie te geven op de openbaar te maken informatie bij publicatie op de website.
14. Voor zover verzoekster meent dat haar belangen in dit geval zwaarder moeten wegen dan die van de minister, wijst de voorzieningenrechter er op dat uit de wetsgeschiedenis [4] kan worden opgemaakt dat de wetgever transparantie belangrijk acht, omdat het inzage geeft in het functioneren van de overheid. Bij de openbaarmaking van gegevens over het toezicht en de uitvoering van de wetgeving heeft die transparantie in het bijzonder tot gevolg dat instellingen en bedrijven waarop die informatie betrekking heeft beter gaan presteren en dat afnemers van diensten de mogelijkheid wordt geboden goed geïnformeerde keuzes te maken. In het verlengde hiervan heeft de minister onder meer er op gewezen dat het van belang is dat cliënten van verzoekster bij het zoeken en het maken van een keuze voor een zorgalternatief na sluiting van de locaties in Waalre en Vleuten in het bijzonder goed geïnformeerd zijn. De voorzieningenrechter heeft in de door verzoekster gestelde belangen, waaronder die van reputatieschade, geen aanleiding gezien een uitzondering op de openbaarmaking te maken. Daarbij vindt de voorzieningenrechter van belang dat de wetgever welbewust een gemotiveerde keuze heeft gemaakt dat er in de situatie als deze openbaarmaking moet volgen. Daarbij zijn verschillende aspecten afgewogen, waaronder de reputatieschade, het informeren en beschermen van anderen en transparantie. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter in de door verzoekster genoemde belangen geen aanleiding om het besluit tot openbaarmaking van het aanwijzingsbesluit te schorsen.
15. Over de termijn waar binnen het aanwijzingsbesluit openbaar gemaakt moet worden stelt de voorzieningenrechter vast dat niet in geschil is dat een aanwijzingsbesluit op grond van artikel 44a, zesde lid, onder b, van de Gezondheidswet, eerder dan twee weken na bekendmaking openbaar gemaakt mag worden.
16. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het inspectierapport niet deze kortere termijn geldt, omdat artikel 44a, zesde lid, van de Gezondheidswet gaat over het aanwijzingsbesluit en niet over het inspectierapport. De voorzieningenrechter volgt verzoekster hierin niet. Artikel 44a, zesde lid, van de Gezondheidswet gaat over het aanwijzingsbesluit dat is gebaseerd op een inspectierapport. In zoverre is sprake van
“openbaarmaking van informatie over” het aanwijzingsbesluit, in de zin van artikel 44a, zesde lid, van de Gezondheidswet. Daarbij komt dat het standpunt van verzoekster dat artikel 44a, zesde lid, niet van toepassing is op de onderliggende informatie zou betekenen dat op de dag van deze uitspraak het aanwijzingsbesluit openbaar wordt gemaakt en dat ruim een week later het onderliggend inspectierapport openbaar wordt gemaakt. Dat past naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet bij de openbaarmakingsplicht van de minister en het doel van transparantie en het informeren van het publiek, zoals de wetgever heeft beoogd.
17. Het verzoek tot schorsing van de openbaarmaking wordt afgewezen. Dit betekent dat het aanwijzingsbesluit en het inspectierapport openbaar gemaakt mogen worden.
Over het verzoek tot schorsing van punt vier van de aanwijzing
18. De voorzieningenrechter acht een oordeel over punt vier van de aanwijzing - het verstrekken van een zakelijke weergave van de aanwijzing door verzoekster aan derden- zinledig geworden, omdat een belang bij deze schorsing niet meer aanwezig is gelet op de openbaarmaking van het aanwijzingsbesluit en het inspectierapport. Zelfs indien de voorzieningenrechter tot het oordeel zou komen dat de aanwijzing in strijd zou zijn met artikel 27 van Pro de Wkkgz, zoals verzoekster stelt, dan zou schorsing van het besluit zinledig zijn geworden omdat openbaarmaking plaats kan vinden op grond van de in artikel 44 van Pro de Gezondheidswet opgenomen verplichting.
19. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot schorsing van punt vier van het aanwijzingsbesluit af omdat daar geen belang meer bij bestaat.
Over het verzoek tot schorsing van de bestuursdwang en openbaarmaking van de zakelijke weergave van het bestuursdwangbesluit
20. Het verzoek tot schorsing van de bestuursdwang wijst de voorzieningenrechter eveneens af omdat de minister dit besluit niet heeft geëffectueerd en voor het effectueren daarvan ook geen aanleiding meer is. Het besluit tot bestuursdwang houdt in dat de minister alsnog zelf de zakelijke weergave van het aanwijzingsbesluit kenbaar maakt aan derden. Zoals hiervoor is overwogen kan de openbaarmaking van die informatie al plaatsvinden op grond van artikel 44 van Pro de Gezondheidswet.
21. Voor zover verzoekster ook heeft verzocht om schorsing van de openbaarmaking van het bestuursdwangbesluit, is ook daar het kader van artikel 44 van Pro de Gezondheidswet van belang, zoals uiteen is gezet onder 11 en 12 van deze uitspraak. Gesteld noch gebleken is van feitelijke onjuistheden in dit besluit. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek tot schorsing van openbaarmaking van de zakelijke weergave van het bestuursdwangbesluit eveneens af.

Conclusie en gevolgen

22. De voorzieningenrechter wijst alle verzoeken af. Dit betekent dat de zakelijke weergave van het aanwijzingsbesluit (primaire besluit 1) en publicatieversie van het inspectierapport openbaar gemaakt mogen worden, evenals de zakelijke weergave van het bestuursdwangbesluit (primaire besluit 2). Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
23. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst alle verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026 door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

3.De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraken van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2089, r.o. 10 en 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1970, r.o. 5.1.
4.Kamerstukken II, vergaderjaar 2014-2015, 34111, nr. 3.