ECLI:NL:RBMNE:2026:4280

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/5973
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 AdvocatenwetArt. 1:3 AwbHoofdstukken 6 en 7 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen toewijzing advocaat door deken op grond van Advocatenwet

Eiser verzocht de deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland om op grond van artikel 13 van Pro de Advocatenwet een advocaat toe te wijzen voor een civiele procedure wegens medische fouten. De deken wees een letselschadeadvocaat toe. Eiser maakte bezwaar tegen de toewijzing, omdat hij vond dat de advocaat niet precies was toegewezen voor de door hem gewenste tegenpartij.

De rechtbank oordeelde dat de toewijzing van een advocaat met relevante deskundigheid voldoende is en dat de aangewezen advocaat zelf bepaalt hoe de belangen van eiser het beste worden behartigd. De rechtbank stelde vast dat tegen een toewijzend besluit van de deken geen bezwaar of beroep bij de bestuursrechter openstaat, omdat de wetgever in artikel 13, derde lid, van de Advocatenwet uitputtend heeft geregeld dat alleen tegen een afwijzing beklag kan worden gedaan bij het hof van discipline.

De rechtbank verklaarde het beroep van eiser ongegrond en bevestigde dat de deken het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J.W. Wagenaar op 9 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het toewijzingsbesluit van de deken wordt ongegrond verklaard omdat tegen een toewijzend besluit geen rechtsmiddel openstaat.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5973

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland, de deken

(gemachtigde: mr. H.W.M. van den Heiligenberg).

Inleiding

Eiser heeft de deken gevraagd om op grond van artikel 13 van Pro de Advocatenwet een advocaat aan hem toe te wijzen. Bij besluit van 17 juli 2025 heeft de deken dit verzoek toegewezen en mr. C.E. Stellingwerf van [bedrijf] in [plaats] aangewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is door de voorzieningenrechter bij uitspaak van 26 november 2025 [1] niet-ontvankelijk verklaard.
Bij besluit van 3 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de deken het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.
De deken heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de deken.

Beoordeling door de rechtbank

1. Op grond van artikel 13 van Pro de Advocatenwet kan de rechtzoekende die niet of niet tijdig een advocaat bereid vindt hem zijn diensten te verlenen in een zaak, waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven dan wel bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken van de orde van advocaten in het arrondissement waar de zaak moet dienen, met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan het verzoek alleen wegens gegronde redenen afwijzen.
2. Eiser heeft de deken verzocht om hem een letselschadeadvocaat toe te wijzen, omdat hij een civiele procedure wil starten tegen Huisartsenpraktijk [naam] wegens ernstige medische fouten met aantoonbare gezondheidsschade voor hem tot gevolg. De deken heeft het verzoek toegewezen. Op grond van artikel 13 van Pro de Advocatenwet heeft de deken op 17 juli 2025 mr. C.E. Stellingwerf van [bedrijf] in [plaats] , aangewezen om eiser bijstand te verlenen in de betreffende zaak.
3. Op grond van het derde lid van artikel 13 van Pro de Advocatenwet kan de belanghebbende binnen zes weken na bekendmaking van de beschikking, houdende afwijzing van het verzoek, beklag doen bij het hof van discipline.
4. Eiser wijst er, onder verwijzing naar uitspraken van de rechtbank Overijssel van 30 januari 2025 [2] en 13 februari 2026 [3] , allereerst op dat hij een aanvraag heeft ingediend in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat is op zichzelf correct maar het is niet het punt in deze zaak, want de deken is het daarmee eens. Eiser heeft een aanvraag ingediend waarop de deken een besluit moest nemen.
5. Dat heeft de deken ook gedaan. Bij besluit van 17 juli 2025 heeft de deken aan eiser een advocaat toegewezen. Eiser stelt dat hij niet heeft gekregen wat hij heeft gevraagd. Hij heeft gevraagd om toewijzing van een advocaat om een letselschadeprocedure te starten tegen Huisartsenpraktijk [naam] . In het besluit is de toewijzing beperkt tot huisarts [A] .
6. De rechtbank ziet dat, net als de deken, anders. Het gaat er om dat er een advocaat wordt toegewezen die deskundig is op relevante rechtsgebied, in dit geval een advocaat met kennis van letselschade. De deken heeft een advocaat aangewezen van een advocatenkantoor dat zich heeft gespecialiseerd in letselschade. Aan deze voorwaarde is dus voldaan. De deken heeft in het besluit weliswaar opgeschreven dat eiser een civiele procedure wil voeren tegen huisarts [A] , maar dit heeft in die zin geen betekenis dat dit niet bindend is voor de aangewezen advocaat. Het is aan de aangewezen advocaat om te bepalen hoe de belangen van eiser het beste zijn gediend. De aangewezen advocaat bepaalt dus of het voeren van een procedure kansrijk is en tegen wie deze procedure dan gevoerd zou moeten worden, in dit geval de Huisartsenpraktijk, de huisarts of wellicht beide. Het besluit van de deken heeft hierin geen enkele beperking aangebracht. Eisers beroepsgrond slaagt niet.
7. De deken heeft dus een toewijzend besluit in de zin van artikel 13 van Pro de Advocatenwet genomen. De vraag is vervolgens of daartegen een rechtsmiddel openstaat. Eiser stelt hij dat hij hiertegen op kan komen bij de bestuursrechter, omdat in artikel 13 van Pro de Advocatenwet niet staat dat het niet kan.
8. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Dit is niet hoe het systeem van de wet werkt. In artikel 13, derde lid, van de Advocatenwet staat dat tegen een afwijzing van een verzoek beklag kan worden gedaan bij het hof van discipline. Op de behandeling van het beklag zijn de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb niet van toepassing. De wetgever heeft het hof van discipline dus aangewezen als de bevoegde instantie in dit soort kwesties. Daarbij heeft de wetgever er expliciet voor gekozen om de weg van het beklag bij het hof van discipline alleen open te stellen in de situatie dat een verzoek om aanwijzing van een advocaat wordt
afgewezen. Tegen de toewijzende beslissing van de deken is geen rechtsmiddel opengesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever hiermee uitputtend geregeld waar en wanneer een aanvrager tegen een besluit van de deken op een aanvraag om toewijzing van een advocaat op kan komen. De weg naar de bestuursrechter staat niet open.
9. Voorgaande betekent dat er geen bezwaar openstaat tegen de beslissing tot toewijzing van een advocaat en dat de deken het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.