ECLI:NL:RBMNE:2026:4308

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/2681-V
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen beslissing over redelijke beslistermijn UWV ongegrond verklaard

Albron Nederland B.V. stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen van het UWV op haar bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en gaf het UWV een termijn van vier maanden om te beslissen. Albron ging in verzet tegen deze uitspraak en betoogde dat de termijn onredelijk lang was en niet paste binnen het systeem van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank beoordeelde in het verzet of de eerdere beslissing om geen zitting te houden en de termijn van vier maanden op te leggen terecht was. Opposante stelde dat de achterstanden bij het UWV interne problemen zijn en dat een langere termijn ten koste gaat van werkgevers, die zwaarder worden getroffen dan werknemers.

De rechtbank oordeelde dat de termijn van vier maanden in dit bijzondere geval passend is, mede vanwege capaciteitsproblemen bij het UWV. De rechtbank verwierp het verzet en wees op eerdere uitspraken waarin vergelijkbare termijnen werden gehanteerd. Het verzet werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de beslistermijn van vier maanden aan het UWV wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2681 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 op het verzet van

Albron Nederland B.V., de Meern, opposante,

(gemachtigde: H.E. Wonnink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv),verweerder.

Procesverloop

Opposante heeft op 22 april 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen van het Uwv op haar bezwaar van 12 maart 2024.
In de uitspraak van 28 mei 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard.
Opposante is op 10 juni 2025 tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 28 mei 2025 het beroep gegrond verklaard en het Uwv een termijn van vier maanden gegeven om te beslissen op het verzoek om herbeoordeling. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 28 mei 2025 niet juist was.
3. Opposante acht de termijn die het Uwv is gegund om een beslissing te nemen, onredelijk lang. Het bezwaarschrift is ingediend op 12 maart 2024. In februari 2025 heeft opposante het Uwv in gebreke gesteld en in april 2025 is er een beroepschrift ingediend. Nu de rechtbank het Uwv vier maanden heeft gegeven om een beslissing te nemen, volgt er pas uiterlijk in september 2025 een beslissing. Volgens opposante gaat deze langdurige vertraging in tegen het rechtszekerheids- en voortvarendheidsbeginsel die de Awb moet waarborgen. Opposante verzoekt de bestreden uitspraak te heroverwegen en het Uwv een aanzienlijk kortere beslistermijn op te leggen.
3.1
Opposante geeft aan dat een beslistermijn van vier maanden niet past binnen het systeem van de Awb, dat juist is ingericht om lang uitblijven van beslissingen te voorkomen. Artikel 8:55d, Awb schrijft normaliter slechts twee weken voor, dit is een uitwerking van de gedachte dat beroep tegen het niet tijdig beslissen een snelle rechtsbescherming moet bieden. Opposante geeft aan dat de ruime termijn van vier maanden het prikkelmechanisme van de wet ondermijnt.
3.2
Vervolgens geeft opposante aan dat art. 8:55d, derde lid Awb vereist voor afwijking van de tweewekentermijn van een bijzonder geval. Opposante betwist dat de huidige situatie hieronder valt. De rechtbank heeft de achterstanden bij UWV kennelijk als zodanig aangemerkt onder verwijzing naar capaciteitsproblemen (tekort aan verzekeringsartsen). Opposante geeft verder aan dat een structurele achterstand die door het UWV zelf in de hand is gewerkt moeilijk als “bijzonder” kan worden gezien.
3.3
Opposante benadrukt dat de huidige achterstanden bij het UWV te herleiden zijn tot interne problemen die al geruime tijd bestaan. In plaats van deze op te lossen, verschuilt het UWV zich steevast achter een vermeend “capaciteitstekort” aan verzekeringsartsen. Vervolgens stelt opposante dat de lange doorlooptijden grotendeels een interne oorzaak hebben. Het is daarom onredelijk om, als gevolg van dit interne falen, de beslistermijnen ten laste van belanghebbenden (zoals werkgevers) te verlengen.
3.4
Opposante maakt bezwaar tegen het feit dat werkgevers in de praktijk zwaarder worden gedupeerd door de achterstanden bij het UWV dan werknemers. Uit de jurisprudentie blijkt dat sommige rechtbanken onderscheid maken naar gelang de aanvraag door een werkgever of een werknemer is ingediend. Zo overwoog de rechtbank Midden-Nederland (uitspraak van 9 januari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:41) expliciet dat aan UWV een langere termijn van vier maanden werd gegund in een zaak aangespannen door een werkgever, terwijl in zaken van particulieren kortere termijnen worden toegepast. Opposante begrijpt niet waarom een werkgever als aanvrager langer zou moeten wachten dan een werknemer.
3.5
Tot slot voert opposante aan dat diverse rechtbanken in soortgelijke zaken over niet tijdig beslissen aanzienlijk kortere termijnen opleggen dan vier maanden, ook in medische UWV-zaken. Ter onderbouwing verwijst opposante naar een uitspraak van de rechtbank Den-Haag (uitspraak van 13 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8166) waarin een termijn van circa negen weken werd gehanteerd.
4. De rechtbank begrijpt dat het voor opposante vervelend is dat zij lang moet wachten op een besluit. Dat neemt niet weg dat zij het niet met opposante eens is. Op grond van artikel 8:55, derde lid, van de Awb kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen in bijzondere gevallen. De rechtbank heeft in de uitspraak van 13 mei 2025 voldoende gemotiveerd waarom daarvan sprake is. Verder moet de nadere beslistermijn niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort zijn. Ook dat staat in de uitspraak van 13 mei 2025. Verder heeft de rechtbank in die uitspraak voldoende gemotiveerd dat dit betekent dat een nadere beslistermijn van vier maanden wordt opgelegd. De verzetsgrond slaagt niet.
5. De rechtbank oordeelt dat het verzet ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
de griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.