ECLI:NL:RBMNE:2026:4338

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/7680
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:32 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen weigering WIA-uitkering na einde wachttijd en loonsanctie

Eiser meldde zich op 27 november 2021 arbeidsongeschikt en vroeg na twee jaar ziekte een WIA-uitkering aan. Het UWV besloot op 4 maart 2025 dat eiser geen recht had op een uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, gebaseerd op een functionele mogelijkheden lijst (FML) en een arbeidsdeskundige beoordeling. Eiser maakte bezwaar, waarna een verzekeringsarts aanvullende beperkingen aannam, maar het arbeidsongeschiktheidspercentage bleef 0,0%. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en eiser stelde beroep in.

De rechtbank beoordeelde of het UWV de regels correct had toegepast en of de medische rapporten aan de vereiste zorgvuldigheid voldeden. De rechtbank oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was verricht, geen tegenstrijdigheden bevatte en begrijpelijk was. Eiser kon onvoldoende medische onderbouwing leveren voor zijn stellingen over verdere beperkingen, ook niet voor zijn psychische klachten en bijwerkingen van medicatie.

De rechtbank volgde de verzekeringsarts in diens oordeel dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de geduide functies passend waren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering en ook geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat het UWV de arbeidsongeschiktheid zorgvuldig en juist heeft vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7680

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(gemachtigde: W.A. Postma).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] B.V. uit [plaats 2] (ex-werkgever)
(arts-gemachtigde: B. Muis en gemachtigde mr. D.C. Depeli).

Procesverloop

1. Eiser heeft zich per 27 november 2021 arbeidsongeschikt gemeld voor zijn werk als [functie] bij de ex-werkgever. Na twee jaar ziekte heeft eiser een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.
1.1.
Met het besluit van 4 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv besloten dat eiser per einde wachttijd en na een loonsanctie van 52 weken geen recht heeft op een uitkering, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Op basis van de functionele mogelijkheden lijst (FML) van de primair arts heeft de arbeidsdeskundige van het Uwv namelijk functies geduid die eiser met zijn beperkingen nog zou kunnen verrichten en waarmee eiser meer zou kunnen verdienen dan met zijn laatstverdiende loon (het maatmanloon). Het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser bedraagt daarmee volgens de arbeidsdeskundige 0,0%. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
1.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 27 oktober 2025 een rapportage opgemaakt en de FML gewijzigd. De verzekeringsarts heeft aanvullende beperkingen aangenomen ten aanzien van het dragen van zware beschermende middelen op de romp/rug/onderste extremiteiten, 'frequent buigen tijdens het werk' en een beperking die voldoende vertreden mogelijk maakt. De beperkingen op de items ‘lopen’ en ‘lopen tijdens het werk’ zijn aangepast omdat eiser is aangewezen op voldoende bewegen/lopen op de dag in het kader van klachtenvermindering. De arbeidskundige bezwaar en beroep heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser op grond van de gewijzigde FML opnieuw vastgesteld op 0,0%.
1.3.
Met het bestreden besluit van 25 november 2025 heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.4.
Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. Op 26 januari 2026 heeft hij aanvullende informatie overgelegd.
1.5.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 februari 2026.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het Uwv en de gemachtigde van de ex-werkgever.

Het geschil

2. Eiser is het niet eens met de vaststelling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid door het Uwv. Eiser meent dat hij verdergaand beperkt is. De rechtbank moet beoordelen of eiser recht heeft op een WIA-uitkering. Daarbij gaat het om de medische toestand van eiser op 23 november 2024 (de datum in geding).

Beoordeling door de rechtbank

3. Aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht, moet de rechtbank beoordelen of het Uwv de WIA-aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Bij die beoordeling moet de rechtbank bekijken of het Uwv de regels uit de wet goed heeft toegepast. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel aan drie voorwaarden voldoen. De rapporten:
- zijn op een zorgvuldige manier tot stand gekomen;
- bevatten geen tegenstrijdigheden;
- zijn voldoende begrijpelijk.
4. Het is aan eiser om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat rapporten niet aan de drie voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Voor het aannemelijk maken dat de medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit betekent dat hoe eiser zichzelf voelt zónder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank twijfel te zaaien over de medische beoordeling.
Geheimhouding medische gegevens
5. Eiser heeft geen toestemming gegeven om zijn medische informatie met de ex-werkgever te delen. De rechtbank heeft de medische stukken alleen toegezonden aan de arts-gemachtigde van de ex-werkgever. [1] Om te voorkomen dat medische gegevens via deze uitspraak alsnog bekend worden bij de ex-werkgever, zal de rechtbank de medische omstandigheden van de zaak voor zover mogelijk niet expliciet bespreken in de uitspraak.
Ingetrokken beroepsgronden
6. Eiser voerde in zijn beroepschrift aan dat het Uwv het maatmanloon ten onrechte niet heeft geïndexeerd naar 1 januari 2025. Op de zitting heeft eiser deze beroepsgrond ingetrokken. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom niet meer bespreken in haar uitspraak. Dat geldt eveneens voor de beroepsgrond dat de geduide functies gelet op de eigen arbeid niet haalbaar zijn door de beperkingen voor tillen en dragen, en de beroepsgrond dat de geduide functies van receptionist en inpakker niet passend zouden zijn gelet op de in de FML aangenomen beperkingen. Ook deze beroepsgronden zal de rechtbank daarom niet bespreken in haar uitspraak.
Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
7. Eiser voert aan dat sprake is van een onvoldoende zorgvuldige en kenbare motivering van de medische grondslag. Volgens eiser is er een discrepantie in de beoordeling tussen de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de observaties van de medische sector. Eiser heeft daarbij gewezen op de door hem ingebrachte medische stukken van de huisarts en de orthopeed.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak [2] mag een verzekeringsarts in principe afgaan op zijn eigen oordeel als het gaat om het vaststellen van beperkingen, als hij meent dat hij voldoende informatie heeft om zich een oordeel te vormen over de medische situatie van betrokkene. Niet is gebleken dat daarbij klachten van eiser over het hoofd zijn gezien. De primaire arts heeft dossierstudie verricht en eiser op het spreekuur van 16 december 2024 gezien. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de dossiergegevens bestudeerd en daarbij de medische informatie van de behandelend sector betrokken, waaronder de door eiser ingebrachte stukken van de huisarts en de orthopeed. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser lichamelijk onderzocht. Anders dan eiser stelt ziet de rechtbank ook geen tegenstrijdigheden tussen de informatie van de behandelend sector en de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dat kader op een begrijpelijke wijze toegelicht op welke manier de informatie uit de behandelend sector bij de medische beoordeling is betrokken. Daarbij is niet gebleken dat er wat is gemist.
9. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek dan ook zorgvuldig verricht. De beroepsgrond slaagt niet.
Juistheid van de medische beoordeling
10. Eiser is van mening dat de medische beoordeling onjuist is en dat zijn fysieke en psychische beperkingen zijn onderschat. Eiser vindt dat in de FML onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen als gevolg van zijn rugklachten. Daarbij stelt eiser dat op de datum in geding sprake is van langdurige en persisterende lage rugpijn waardoor eiser beperkt is in lopen en zitten. Verder voert eiser aan dat zijn psychische beperkingen ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten. Er is volgens eiser sprake van een forse psychische problematiek waarvoor in het verleden EMDR-therapie is gevolgd. Eiser meent dat hij daarom in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden verdergaand beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de ingebrachte medische stukken.
11. De rechtbank stelt voorop dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onderkend dat eiser fysieke (pijn)klachten ondervindt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarom beperkingen aangenomen in de FML, in de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn er echter voor de zeer ernstige pijnklachten die eiser ervaart geen medisch objectiveerbare redenen aan te wijzen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft aan dat de bij (beeldvormend) onderzoek geconstateerde aandoeningen die mate van pijnklachten niet kunnen verklaren en dat ook de informatie vanuit de behandelaars en de bevindingen uit eigen onderzoek daarvoor geen medisch objectiveerbare basis bieden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet verder geen aanleiding om een extra beperking op werktijden te stellen, nu de indicaties daarvoor uit de Standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’ bij eiser niet aanwezig zijn en met het aanbrengen van de fysieke beperkingen voldoende rekening is gehouden met de vermoeidheidsklachten die eiser ervaart. Ook de psychische klachten die eiser ondervindt zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet medisch objectiveerbaar. Uit eigen onderzoek en de medische stukken komt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen beeld naar voren van een medisch feitencomplex dat het aannemen van beperkingen op het persoonlijk en sociaal functioneren ondersteunt. Dat in het verleden - vóór de datum in geding - een EMDR-traject is gevolgd doet daar niets aan af. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet daarom geen aanleiding voor (verdergaande) beperkingen als gevolg van de gestelde rugklachten en psychische klachten. De verzekeringsarts wijst er daarbij ook op dat met de zeer forse klachten die eiser claimt niet goed te rijmen valt dat eiser zich daarvoor niet laat behandelen.
12. De rechtbank kan de bevindingen van de verzekeringsarts volgen en heeft geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van zijn medisch oordeel. Eiser heeft weliswaar een overzicht overgelegd met punten uit de FML waarop volgens hem nadere beperkingen hadden moeten worden aangenomen, maar die beperkingen worden niet met (nieuwe) medische stukken onderbouwd die niet ook al bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep bekend waren. Daarbij benadrukt de rechtbank dat een verzekeringsarts bij uitstek deskundig is voor wat betreft het vertalen van medische klachten in beperkingen. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de beleving door eiser van zijn klachten, betekent het hebben van klachten en hoe die door eiser worden ervaren nog niet dat er ook verdergaande beperkingen voor arbeid moeten worden aangenomen in de FML. De beroepsgrond slaagt niet.
13. Eiser heeft verder aangevoerd dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met de bijwerkingen vanwege het gebruik van tramadol. Volgens eiser zorgen die bijwerkingen van tramadol namelijk voor slaperigheid/sufheid, duizeligheid en misselijkheid. Deze bijwerkingen hebben volgens eiser directe functionele implicaties, zoals vermindering van aandacht en concentratie, beperking van tempo en volgehouden mentale inspanning, verhoogde veiligheidsrisico's bij werkzaamheden met lopen, staan en traplopen en moet er rekening gehouden worden met een grotere behoefte aan herstel- en rustmomenten.
14. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de aanvullende rapportage van 12 februari 2026 uitgelegd dat het gebruik van tramadol niet is aangewezen voor de klachten van eiser. Uit medisch onderzoek blijkt namelijk dat tramadol niet effectief is bij de behandeling van chronische pijnklachten. Hij wijst daarbij op de NHG-Standaard Pijn, waaruit blijkt dat het middel alleen voor langere tijd wordt voorgeschreven als het goed effect heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt vast dat uit de verzamelde medische gegevens niet blijkt dat het middel goed effect heeft. Dat er bijwerkingen als gevolg van het tramadol gebruik optreden is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet vreemd, maar nu eiser er zelf voor kiest om dit middel te blijven gebruiken zonder dat daar een duidelijke medische indicatie voor is kan dit op zichzelf niet leiden tot het aannemen van (verdergaande) beperkingen. De rechtbank kan deze uitleg volgen. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit de beschikbare medische gegevens niet blijkt dat tramadol rondom de datum in geding (nog steeds) was voorgeschreven. De rechtbank ziet dan ook op dit punt evenmin aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Het verzoek om inschakeling van een onafhankelijke deskundige
15. Eiser heeft de rechtbank verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen. Zoals hierboven overwogen heeft de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van de medische beoordeling te twijfelen, zodat er ook geen aanleiding is een deskundige te benoemen.
Arbeidskundige beoordeling
16. Eiser voert aan dat de geduide functies niet passend zijn. Dit omdat de geduide functies te zwaar zijn voor eiser.
17. Deze beroepsgrond bouwt slechts voort op de hierboven besproken medische beroepsgronden en kan dan ook evenmin slagen. Zoals hierboven overwogen is er geen aanleiding om aan de juistheid van de medische beoordeling te twijfelen. Uitgaande van de juistheid van de medische beoordeling is de rechtbank van oordeel dat het Uwv met het arbeidskundig rapport van 21 november 2025 deugdelijk heeft gemotiveerd dat de voorbeeldfuncties de belastbaarheid van eiser niet overschrijden en dus passend zijn. Het Uwv heeft deze functies dan ook aan de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag kunnen leggen. Hieruit volgt ook dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser juist heeft vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vermeer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1475.