ECLI:NL:RBMNE:2026:4338
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen weigering WIA-uitkering na einde wachttijd en loonsanctie
Eiser meldde zich op 27 november 2021 arbeidsongeschikt en vroeg na twee jaar ziekte een WIA-uitkering aan. Het UWV besloot op 4 maart 2025 dat eiser geen recht had op een uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, gebaseerd op een functionele mogelijkheden lijst (FML) en een arbeidsdeskundige beoordeling. Eiser maakte bezwaar, waarna een verzekeringsarts aanvullende beperkingen aannam, maar het arbeidsongeschiktheidspercentage bleef 0,0%. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en eiser stelde beroep in.
De rechtbank beoordeelde of het UWV de regels correct had toegepast en of de medische rapporten aan de vereiste zorgvuldigheid voldeden. De rechtbank oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was verricht, geen tegenstrijdigheden bevatte en begrijpelijk was. Eiser kon onvoldoende medische onderbouwing leveren voor zijn stellingen over verdere beperkingen, ook niet voor zijn psychische klachten en bijwerkingen van medicatie.
De rechtbank volgde de verzekeringsarts in diens oordeel dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de geduide functies passend waren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering en ook geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat het UWV de arbeidsongeschiktheid zorgvuldig en juist heeft vastgesteld.