ECLI:NL:RBMNE:2026:4370

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
12084363 \ UE VERZ 26-47 VL/58599
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 7:671 BWArt. 7:672 lid 1 BWArt. 7:673 lid 1 en 2 BWArt. 7:681 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Arbeidsovereenkomst en onregelmatige opzegging bij administratieve werkzaamheden in mantelzorgfranchise

In deze zaak staat de kwalificatie van de administratieve werkzaamheden van verzoeker voor verweerder centraal. Verzoeker verrichtte vanaf 1 januari 2019 administratieve taken binnen de organisatie van verweerder, die een franchisenemer is in de aanvullende mantelzorg. De kantonrechter concludeert na een holistische weging dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, ondanks dat de betaling deels via de IB47-regeling verliep en verzoeker ook werkzaamheden als zelfstandige Saar verrichtte.

Verweerder had de arbeidsovereenkomst onregelmatig opgezegd per 31 december 2025 zonder schriftelijke instemming van verzoeker en zonder inachtneming van de wettelijke opzegtermijn. Verzoeker berustte in het einde van de samenwerking, maar heeft recht op achterstallig loon over november en december 2025, een gefixeerde schadevergoeding over de opzegtermijn van één maand, en een transitievergoeding over de gehele duur van het dienstverband.

De cao Sociaal Werk, Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening is niet van toepassing omdat verweerder een commerciële onderneming exploiteert buiten het toepassingsbereik van de cao. Verzoeker heeft geen recht op billijke vergoeding wegens het ontbreken van ernstig verwijtbaar handelen van verweerder. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot het verstrekken van deugdelijke bruto-netto specificaties. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Er is sprake van een arbeidsovereenkomst vanaf 1 januari 2019, de opzegging was onregelmatig, en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, schadevergoeding en transitievergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12084363 \ UE VERZ 26-47 VL/58599
Beschikking van 19 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. N. Sprengers,
tegen
[verweerder] T.H.O.D.N. [handelsnaam],
wonend in [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. E.B.M. Brons-Stikkelbroeck.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift van [verzoeker] met producties 1 tot en met 18;
  • het verweerschrift van [verweerder] met producties 1 tot en met 14;
  • de aanvullende producties 19 t/m 27 van [verzoeker] ;
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 22 mei 2026 plaatsgevonden. [verzoeker] was aanwezig, vergezeld door een vriendin en bijgestaan door mr. Sprengers. [verweerder] was aanwezig, vergezeld door een vriendin en diens partner en bijgestaan door mr. Brons-Stikkelbroeck. Partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en hebben hun standpunten nader toegelicht. Zij hebben hierbij beiden gebruikgemaakt van hun spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. Partijen hebben geprobeerd gezamenlijk tot een oplossing te komen, maar dit is niet gelukt. De kantonrechter heeft daarom bepaald dat vandaag een beschikking wordt gegeven.

2.De kern van de zaak

2.1
[verweerder] handelt met haar eenmanszaak als franchisenemer van [handelsnaam] . [handelsnaam] is een aanbieder van aanvullende mantelzorg aan ouderen. [verweerder] richt zich hoofdzakelijk op het bij elkaar brengen van ‘Saars’ en ouderen in de regio Het Groene Hart. Aanvankelijk was [verzoeker] werkzaam als ‘Saar’, maar vanaf 1 januari 2019 verrichtte [verzoeker] ook administratieve werkzaamheden voor [verweerder] (waar het in deze procedure om gaat). Op 19 november 2025 heeft [verweerder] aan [verzoeker] laten weten deze samenwerking te willen beëindigen per 31 december 2025 en vanaf dat moment is tussen partijen onenigheid ontstaan. [verzoeker] heeft berust in het einde van de samenwerking. Volgens [verzoeker] was sprake van een arbeidsovereenkomst, die onregelmatig is opgezegd, en zij verzoekt de kantonrechter daarom om verschillende vergoedingen. [verweerder] is het hier niet mee eens. Volgens haar was [verzoeker] werkzaam als zzp’er. Mocht toch sprake zijn van een arbeidsovereenkomst, dan verzoekt [verweerder] om terugbetaling van te veel betaald loon. De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, zodat [verzoeker] recht heeft op een aantal vergoedingen. Het verzoek om terugbetaling van een deel van het loon wordt afgewezen.

3.De beoordeling

3.1
De vraag die in deze procedure eerst voor ligt, is hoe de administratieve werkzaamheden die [verzoeker] voor [verweerder] heeft verricht, kwalificeren. Partijen discussiëren namelijk over de vraag of er een arbeidsovereenkomst is ontstaan omdat [verzoeker] administratieve werkzaamheden is gaan verrichten voor [verweerder] (op 1 januari 2019). De kantonrechter komt tot het oordeel dat sprake is (geweest) van een arbeidsovereenkomst per 1 januari 2019 en legt dat hierna uit.
3.2
Een arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. [1] Bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst moeten twee fasen worden doorlopen. [2] In de eerste fase moet worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen met elkaar hebben afgesproken. Dat moet worden gedaan volgens de Haviltexmaatstaf. Dat betekent dat niet alleen moet worden gekeken naar wat partijen letterlijk in hun overeenkomst hebben opgeschreven, maar ook naar wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In deze fase is er ruimte voor de bedoeling van de partijen en ook hun maatschappelijke positie kan een rol spelen.
3.3
Daarna wordt in de tweede fase beoordeeld of die afspraken (rechten en verplichtingen) de kenmerken hebben van een arbeidsovereenkomst. Het maakt hierbij niet uit of partijen zelf de bedoeling hadden om onder de regels van een arbeidsovereenkomst te vallen. Als de afgesproken rechten en verplichtingen voldoen aan wat de wet zegt over een arbeidsovereenkomst, dan moet de overeenkomst ook als zodanig worden gezien. Of een overeenkomst echt als een arbeidsovereenkomst moet worden gezien, hangt af van alle omstandigheden samen.
3.4
Tenslotte moeten alle relevante feiten en omstandigheden samen worden bekeken en tegen elkaar worden afgewogen (holistische weging). Daarbij moeten ook aanwijzingen worden meegenomen die juist vóór of tegen een arbeidsovereenkomst pleiten ((contra)indicatoren), die volgen uit de twee fasen. Als uit die brede afweging blijkt dat aan de vier vereisten is voldaan (arbeid, loon, gezagsverhouding, gedurende zekere tijd), dan wordt de overeenkomst gezien als een arbeidsovereenkomst.
Fase 1: vaststelling overeengekomen rechten en verplichtingen
3.5
Op 15 mei 2018 hebben partijen een bemiddelingsovereenkomst [3] gesloten, die inhoudt dat [verweerder] bemiddelt bij het tot stand brengen van Saarovereenkomsten tussen [verzoeker] en cliënten. Saars houden cliënten gezelschap en helpen bij huishoudelijke zaken, lichte persoonlijke verzorging en licht administratieve taken. Partijen zijn het er over eens dat de discussie in deze procedure niet ziet op de werkzaamheden die [verzoeker] verrichtte als ‘Saar’.
3.6
In januari 2019 zijn partijen overeengekomen dat [verzoeker] , naast haar werkzaamheden als Saar, ook administratieve werkzaamheden voor [verweerder] zou gaan verrichten. Deze afspraken zijn destijds mondeling gemaakt. [verzoeker] heeft haar uren als Saar geleidelijk afgebouwd en de administratieve werkzaamheden voor [verweerder] opgebouwd. Partijen verschillen van mening over de inhoud en de kwalificatie van deze werkzaamheden. Volgens [verweerder] betrof het licht administratief werk zoals het schrijven van verjaardagskaarten voor cliënten, het versturen van brieven naar huisartsen, het beantwoorden van terugbelverzoeken en het invullen van contracten. Volgens [verzoeker] hielden de werkzaamheden echter meer in. Volgens haar beantwoordde ze vragen van Saars en cliënten, matchte zij Saars aan mantelzorg-aanvragen, hield zij intakegesprekken, selecteerde zij nieuwe Saars en nam zij [verweerder] volledig waar als [verweerder] afwezig of met vakantie was.
3.7
De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] in ieder geval meer deed dan ‘licht administratieve werkzaamheden’. [verweerder] wordt hierin dus niet gevolgd in haar betoog. Zo blijkt uit de whatsappgeschiedenis tussen [verzoeker] en haar dochter [4] en uit de agenda-aantekeningen van [verzoeker] [5] en het overgelegde intakeformulier [6] dat [verzoeker] ook regelmatig intakes van Saars deed. Daarbij wordt [verzoeker] op de landingspagina van [verweerder] omschreven als:
“ [A] ondersteunt vestiging Het Groene Hart in de backoffice. Ze is graag uw aanspreekpunt m.b.t. de overeenkomsten, incasso’s, uitbetalingen, werkschema’s en andere administratieve taken. [A] werkt parttime voor [handelsnaam] en is daarnaast ook Saar/ouderenbegeleider.” [7] Ook blijkt uit een e-mailbericht van 19 april 2019 van [verweerder] [8] dat cliënten tijdens haar vakantie bij dringende zaken contact konden opnemen met [verzoeker] .
3.8
Partijen hebben op 17 januari 2022 en 23 februari 2022 afspraken over deze werkzaamheden vastgelegd op papier. Beide partijen hebben een andere versie van deze overeenkomst overgelegd. [9] Zij hebben gebruikgemaakt van de hen bekende standaard overeenkomst ‘Dienstverlening aan Huis’ [10] . In beide versies van de overeenkomst is opgenomen dat een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan en de werkzaamheden in beginsel op vaste dagdelen worden verricht, namelijk: op maandagochtend en -middag en op donderdagochtend en -middag. Bij ‘voornaamste werkzaamheden’ staat:
“1. Administratieve werkzaamheden”.Bij de (fysiek ondertekende) versie zoals door [verzoeker] is overgelegd staat bij ‘voornaamste werkzaamheden’ ook:
“2. Vervangen tijdens vakantie ed”en staat bij ‘opmerkingen’:
“uren worden, in overleg, flexibel ingezet”.Gemiddeld werkte [verzoeker] 17 uur per week.
3.9
In het begin registreerde [verzoeker] haar gewerkte uren in het systeem van [handelsnaam] als ‘verleende mantelzorg’. Uit dit systeem rolde dan een specificatie die vanaf het emailadres [e-mailadres] aan [verzoeker] werd verzonden en tenslotte betaalde [verweerder] deze uren, maandelijks, aan [verzoeker] uit. Later, vanaf mei 2024, zijn partijen overgestapt op de ‘IB47-regeling’. Die regeling is bedoeld voor het opgeven bij de belastingdienst van betalingen aan derden die niet in loondienst zijn maar ook niet btw plichtig zijn. [verzoeker] registreerde haar uren vanaf dat moment in een Excel-bestand en [verweerder] betaalde de gedeclareerde uren rechtstreeks aan [verzoeker] . [verzoeker] deed hiervan jaarlijks een IB47-opgave. In 2019 was het overeengekomen uurloon € 15,-, in 2025 was dit uiteindelijk € 25,-.
Fase 2: Kwalificatie
3.1
De vraag die in deze fase centraal staat is of voornoemde overeengekomen rechten en verplichtingen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst voldoen.
De Hoge Raad heeft in de zaak van Deliveroo [11] overwogen dat bij de beoordeling of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst onder meer de volgende negen (niet-limitatieve) gezichtspunten van belang kunnen zijn:
de aard en duur van de werkzaamheden;
de manier waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald;
de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht;
het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren;
de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand gekomen is;
de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitbetaald;
de hoogte van deze beloningen;
de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt;
de vraag of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.
De aard en duur van de werkzaamheden en de inbedding van het werk in de organisatie
3.11
De aard en duur van de werkzaamheden wijzen hier op een arbeidsovereenkomst. Het (administratieve) werk waaronder het zijn van aanspreekpunt bij vragen over de overeenkomsten, incasso’s, uitbetalingen, werkschema’s maar zeker ook de intakes van Saars, is volledig ingebed in de organisatie van [verweerder] . De kernactiviteit van [verweerder] is namelijk het samenbrengen van Saars en cliënten en dat is ook waar een groot deel van de administratieve werkzaamheden van [verzoeker] uit bestond. Die werkzaamheden vonden structureel plaats binnen de organisatie van [verweerder] . Ook het feit dat [verzoeker] meer dan vijf jaar deze werkzaamheden voor [verweerder] heeft verricht past bij een arbeidsovereenkomst. Zij heeft gedurende die jaren administratief werk verricht bij [verweerder] en niet daarnaast ook bij anderen.
De wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald en de verplichting om het werk persoonlijk uit te voeren
3.12
Volgens [verweerder] bepaalde [verzoeker] regelmatig zelf waar en wanneer zij aan het werk was voor [verweerder] . Ter onderbouwing legt [verweerder] e-mails over [12] waarin [verzoeker] aan [verweerder] laat weten wanneer zij die week werkt en welke dagen zij vanuit huis werkt. [verzoeker] betwist dit en zegt dat zij vaste werktijden had en toestemming moest vragen als zij bijvoorbeeld met vakantie ging. De kantonrechter maakt uit de overgelegde stukken op dat [verzoeker] weliswaar enige ruimte had om haar werktijden zelf in te vullen, maar dat zij ook op bepaalde momenten verplicht aanwezig moest zijn. Op het moment dat [verzoeker] de oppasdag voor haar kleindochter wilde veranderen, heeft [verweerder] daar bijvoorbeeld geen toestemming voor gegeven. Ook had [verzoeker] toestemming nodig van [verweerder] om op vakantie te gaan. [13] Daarbij deed [verzoeker] aan [verweerder] bijna dagelijks verslag van de verrichte werkzaamheden en kreeg zij van [verweerder] instructies over de inhoud van het werk. [14] Dit wijst meer op een arbeidsovereenkomst. Bovendien is uit de verstandhouding tussen partijen gebleken dat [verweerder] ook verwachtte dat [verzoeker] de werkzaamheden persoonlijk uitvoerde.
De wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand gekomen is
3.13
In 2022 hebben partijen de mondelinge afspraken tussen hen schriftelijk vastgelegd. [15] Het vastleggen van de verplichtingen van [verzoeker] wijst meer op een arbeidsovereenkomst dan op een overeenkomst van opdracht. In beide versies van de overeenkomsten is namelijk opgenomen dat het gaat om een arbeidsovereenkomst, dat de eerste twee maanden van de overeenkomst zijn aan te merken als een proeftijd, dat [verzoeker] in beginsel op vaste dagen administratieve werkzaamheden zal verrichten en dat de Regeling Dienstverlening aan Huis van toepassing is. Er is dus niet gewerkt met losse opdrachten, zoals bij een overeenkomst van opdracht vaak het geval is. Het ging om een voortdurende contractuele regeling waarin de verhouding tussen partijen is opgenomen.
De wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd
3.14
Zoals onder 3.9 is overwogen, is de wijze van betaling in 2024 veranderd. Eerst vond dit plaats via de wijze die gebruikelijk was voor de werkzaamheden als Saar, maar aangezien het niet ging om mantelzorgwerkzaamheden maar om administratieve werkzaamheden, heeft het hoofdkantoor besloten dat dit niet langer wenselijk was en hebben partijen er in mei 2024 voor gekozen om betalingen te laten verlopen via de IB47-regeling. Partijen verschillen van mening over de manier waarop die afspraak uiteindelijk tot stand is gekomen, maar naar het oordeel van de kantonrechter doet deze discussie hier niet ter zake. Weliswaar wijst betaling via de IB47-regeling eerder op een overeenkomst van opdracht, maar de inhoud van de werkzaamheden en de manier waarop [verzoeker] die werkzaamheden verrichtte, is ongewijzigd gebleven. Het enkel wijzigen van de manier van betalen is – in het licht van de verder ongewijzigde omstandigheden – onvoldoende om de overeenkomst van kleur te laten verschieten.
De hoogte van de beloningen
3.15
[verzoeker] heeft zelf onderhandeld over de hoogte van de beloning en heeft ook door de jaren heen verzocht om een hoger uurloon. In 2025 was de beloning uiteindelijk € 25,- per uur. Dit past bij een overeenkomst van opdracht.
Ondernemerschap en commercieel risico
3.16
Naast de administratieve werkzaamheden, verrichtte [verzoeker] ook werkzaamheden als Saar. Zij heeft daarnaast geen ander werk gehad. Van ondernemerschap kan niet worden gesproken en van een commercieel risico is ook niets gebleken. Weliswaar heeft [verzoeker] ooit haar eigen nagel- en tandenbleekstudio gehad, maar zij heeft daarover gesteld dat zij die sinds 1 november 2027 niet langer exploiteert hetgeen blijkt uit het overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel. [verzoeker] gedraagt zich daarom naar het oordeel van de kantonrechter in het economisch verkeer niet als ondernemer en zij loopt daarom ook geen commercieel risico.
Holistische weging
3.17
De kantonrechter heeft naar alle omstandigheden samen gekeken en komt op basis van het geheel van die omstandigheden tot de conclusie dat [verzoeker] de administratieve werkzaamheden vanaf 1 januari 2019 heeft verricht op basis van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW Pro.
3.18
Kenmerkend voor de overeenkomst zijn hier de aard en de omvang van de werkzaamheden, waarbij het werk van [verzoeker] volledig was ingebed in de organisatie van [verweerder] . Weliswaar had zij enige vrijheid om invulling te geven aan haar werktijden, maar [verweerder] gaf wel dagelijkse werkinstructies en [verzoeker] moest ook toestemming hebben van [verweerder] om met vakantie te gaan. Verder presenteerde [verzoeker] zichzelf in het economisch verkeer ook niet als ondernemer. Het enkele feit dat de hoogte van de beloning eerder aansluit bij een overeenkomst van opdracht en dat de wijze van betaling in mei 2024 werd gedaan via de IB47-regeling, maakt niet dat de overeenkomst verschiet van een arbeidsovereenkomst naar een overeenkomst van opdracht.
3.19
Het voorgaande heeft tot gevolg dat de verzochte verklaring voor recht dat tussen partijen vanaf 1 januari 2019 sprake is van een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 7:610 BW Pro (verzoek I.), toewijsbaar is.
3.2
[verweerder] heeft een voorwaardelijk tegenverzoek ex artikel 195 Rv Pro ingediend. Zij verzoekt de kantonrechter om haar in de gelegenheid te stellen nader bewijs te leveren en in dat kader [verzoeker] te bevelen inzage te geven in, althans afschrift te verstrekken van alle contractuele afspraken als Saar en als aanvullende mantelzorger, van de IB-aangiftes in de afgelopen jaren en van alle afspraken met cliënten van de nagel- en tandenbleekstudio. De kantonrechter wijst dit verzoek af, omdat deze informatie – in het licht van alle andere omstandigheden – niet relevant is voor de beantwoording van de vraag of de overeenkomst kwalificeert als arbeidsovereenkomst.
De cao Sociaal Werk, Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening is niet van toepassing
3.21
[verzoeker] stelt – in tweede instantie – dat de cao Sociaal Werk, Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening (hierna: de cao) van toepassing is en vordert op basis van die cao:
  • IKB (bestaande uit vakantietoeslag, eindejaarsuitkering, vermeerdering over het toegekende loon, bovenwettelijk verlof en een tegemoetkoming premie ziektekostenverzekering)
  • Inschaling in de functie Administratief/Secretarieel Medewerker 4 (schaal 7);
  • € 40.000,00 schadevergoeding doordat zij niet heeft deelgenomen aan het Pensioenfonds Zorg en Welzijn.
[verweerder] betwist dat deze cao van toepassing is.
3.22
De kantonrechter is van oordeel dat deze cao niet van toepassing is. De werkzaamheden van de onderneming van [verweerder] vallen niet onder de werkingssfeer van de cao. Zoals [verweerder] stelt, moet een onderscheid worden gemaakt tussen mantelzorg – hieronder wordt verstaan hulp van familie, doorgaans op vrijwillige onbetaalde basis of verzekerde zorg – en aanvullende
betaaldemantelzorg die, in dit geval, door ondersteunende Saars wordt uitgevoerd. De cao ziet op organisaties die zich richten op maatschappelijke dienstverlening, vaak uitgevoerd in opdracht van gemeenten. [verweerder] exploiteert een commerciële onderneming waarbij de franchiseformule is dat cliënten tegen betaling aanvullende mantelzorg kunnen inkopen. Dit valt niet onder het toepassingsbereik van de cao. Verder zijn partijen het er over eens dat zij zelf nooit iets hebben afgesproken over de toepasselijkheid van de cao. Alle Saars in Nederland zijn met ingang van 1 januari 2026 werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst. Onweerspoken is door [verweerder] aangevoerd dat op geen van de arbeidsovereenkomsten een cao van toepassing is.
3.23
De verzochte verklaring voor recht (verzoek II) dat op de arbeidsovereenkomst tussen partijen de cao Sociaal Werk Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening van toepassing is, is daarom niet toewijsbaar. Datzelfde geldt voor de verzochte verklaring voor recht (verzoek III) dat [verzoeker] op basis van deze cao moet worden ingeschaald in loonschaal 7. Ook de aan de cao verbonden verzoeken tot betaling van IKB (vakantiegeld, eindejaarsuitkering, vermeerdering van het loon, bovenwettelijke vakantiedagen en tegemoetkoming ziektekostenverzekering (verzoek IV a tot en met e)), betaling van loon over de looptijd van het dienstverband op basis van de cao-inschaling (verzoek V sub c) en de gevorderde pensioenschade (verzoek V sub d) zullen worden afgewezen. Verder heeft te gelden dat partijen een “all in” uurtarief zijn overeengekomen, met inbegrip van wettelijke vakantie-uren (verzoek V a), toeslagen en vakantiegeld. Ook dit verzoek is daarom niet toewijsbaar.
3.24
Gezien hetgeen in 3.23 is overwogen, behoeft het beroep van [verweerder] op verjaring geen nadere beoordeling meer.
Het beroep op de klachtplicht gaat – over en weer – niet op
3.25
[verweerder] beroept zich op de klachtplicht, die is geregeld in artikel 6:89 BW Pro. Dit beroep van [verweerder] op de klachtplicht behoeft, gelet op hetgeen is overwogen in 3.23, ook geen nadere beoordeling meer. Omgekeerd beroept ook [verzoeker] zich op de klachtplicht, in het kader van het verzoek van [verweerder] tot herberekening van het loon van [verzoeker] dat hierna zal worden beoordeeld. Ook dit beroep van [verzoeker] behoeft geen beoordeling, omdat hierna zal worden geoordeeld dat het verzoek van [verweerder] tot herberekening van het loon zal worden afgewezen.
Het loon van [verzoeker] hoeft niet te worden herberekend
3.26
[verweerder] heeft een voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek ingesteld, namelijk voor het geval de kantonrechter de overeenkomst tussen partijen kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. Daarvan is sprake, zodat aan de voorwaarde voor het tegenverzoek wordt voldaan.
3.27
Het tegenverzoek houdt in dat [verweerder] verzoekt om herberekening van de aan [verzoeker] betaalde bedragen voor het geval die betalingen als loon gekwalificeerd moeten worden. In dat geval heeft [verweerder] ten onrechte geen loonheffingen toegepast, omdat is uitgegaan van betalingen waarop niet door de werkgever zou moeten worden ingehouden. Partijen zijn het er over eens dat [verweerder] [verzoeker] , laatstelijk, € 25,00 per uur betaalde. Onder 3.23 is overwogen dat dit – in lijn met wat [verweerder] heeft aangevoerd – een all in uurtarief is. Dit bedrag per uur komt de kantonrechter als netto uurloon redelijk voor, aangezien beide partijen steeds voor ogen hebben gehad dat dit het overeengekomen all in bedrag per uur was dat door [verzoeker] zou worden ontvangen. Uitgaande van deze bedoeling van partijen gedurende hun samenwerking volgt de kantonrechter [verweerder] dus niet in haar stelling dat dit bedrag alsnog terug gerekend moet worden naar een netto bedrag over de voorgaande jaren. Dat is immers niet het uitgangspunt van partijen geweest. Het tegenverzoek van [verweerder] zal worden afgewezen.
De arbeidsovereenkomst is onregelmatig opgezegd
3.28
Omdat hiervoor is geoordeeld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, had [verweerder] de arbeidsovereenkomst moeten opzeggen met inachtneming van artikel 7:671 BW Pro. Dat heeft zij niet gedaan, want [verzoeker] heeft niet schriftelijk ingestemd met de opzegging en de uitzonderingen van artikel 7:671 lid 1 sub a tot Pro en met h BW zijn hier niet van toepassing. [verzoeker] heeft berust in de opzegging en heeft dus niet om vernietiging daarvan gevraagd. De arbeidsovereenkomst is dus, ondanks de onregelmatige opzegging, per 1 januari 2026 geëindigd.
[verzoeker] heeft recht op loon t/m december 2025
3.29
Het verzoek (onder V sub b) van [verzoeker] tot nabetaling van het achterstallige loon van (een deel van) november 2025 en van december 2025 is toewijsbaar. Omdat geoordeeld is dat het uurtarief van [verzoeker] € 25,00 netto is, komt de nabetaling van het achterstallig loon van (een deel van) november 2025 neer op (€ 1.841,75-1.744,70 =)
€ 97,05 netto. Over de maand december 2025 is dat € 1.841,75 netto. Uit het e-mailbericht van [verzoeker] van 3 december 2025 om 13:48 uur [16] volgt dat zij zich beschikbaar heeft gehouden voor werk, terwijl [verweerder] haar de toegang tot de systemen heeft ontzegd. Los van het feit of sprake was van een arbeidsovereenkomst of niet, had [verweerder] de overeengekomen vergoeding over de maanden november en december 2025 aan [verzoeker] moeten betalen. Daarom wordt dit verzoek toegewezen, in die zin dat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van het bruto equivalent van deze nettobedragen. Over deze bedragen zal de verzochte wettelijke verhoging worden toegewezen.
3.3
De gevorderde wettelijke rente over het loon zal als onweersproken ook worden toegewezen.
[verzoeker] heeft recht op een gefixeerde schadevergoeding
3.31
De partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, is aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren (artikel 7:672 lid 11 BW Pro). Het staat vast dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd. De arbeidsovereenkomst kon met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden tegen het einde van de maand worden opgezegd. De arbeidsovereenkomst is op 19 november 2025 opgezegd tegen 31 december 2025, terwijl met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden de arbeidsovereenkomst pas kon worden opgezegd tegen 1 februari 2026. Over één maand (januari 2026) is [verweerder] daarom nog de gefixeerde schadevergoeding aan [verzoeker] verschuldigd. In verzoek V sub e is de gefixeerde schadevergoeding berekend op een bedrag van € 2.186,02 . Dit bedrag is inclusief IKB (vakantiegeld, eindejaarsuitkering, vermeerdering van het loon, bovenwettelijke vakantiedagen en tegemoetkoming ziektekostenverzekering), waarvan onder 3.23 is geoordeeld dat dit niet toewijsbaar is. Daarom gaat de kantonrechter uit van het loon zonder IKB, dat [verzoeker] heeft berekend op een bedrag van € 1.841,75. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, is dit een nettobedrag. Het bruto equivalent van dit nettobedrag wordt toegewezen.
3.32
De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding zal met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 januari 2026.
[verzoeker] heeft recht op een transitievergoeding
3.33
Het verzoek van [verzoeker] onder V sub f om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt toegewezen, omdat de arbeidsovereenkomst is opgezegd door [verweerder] en dus op haar initiatief is beëindigd. Door de berusting van [verzoeker] is de einddatum 1 januari 2026. De transitievergoeding moet daarom worden berekend over de periode van 1 januari 2019 tot 1 januari 2026 met het bruto equivalent van € 1.841,75 netto als uitgangspunt voor het loon.
3.34
De wettelijke rente over de transitievergoeding zal met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 februari 2026.
[verzoeker] heeft geen recht op een billijke vergoeding
3.35
[verzoeker] maakt aanspraak op een billijke vergoeding onder verzoek V sub g. Voor toekenning van een billijke vergoeding is vereist (artikel 7:681 BW Pro) dat sprake is van een opzegging van de arbeidsovereenkomst die in strijd is met de wettelijke vereisten. In deze zaak heeft [verweerder] in strijd met de wettelijke vereisten de arbeidsovereenkomst opgezegd. Dit betekent dat de grondslag voor het toekennen van een billijke vergoeding aan [verzoeker] in beginsel is gegeven. Maar de kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en de vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat [verzoeker] wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . De kantonrechter ziet in dit geval aanleiding om de billijke vergoeding vast te stellen op nihil. Daarvoor is het volgende redengevend.
3.36
Doorslaggevend is voor de kantonrechter dat partijen in de periode van 1 januari 2019 tot eind 2025 steeds met elkaar in overleg zijn getreden en gezamenlijk steeds nieuwe afspraken hebben gemaakt over met name de vergoeding die tegenover de werkzaamheden moest staan. Zij hebben steeds naar elkaar uitgesproken dat [verzoeker] niet als ondernemer gezien wilde worden en [verweerder] heeft altijd aangegeven dat zij geen arbeidsovereenkomst wilde sluiten. Beide partijen hebben dus gehandeld zoals zij dachten dat goed was voor zichzelf en elkaar. Dat [verweerder] telkens bewust heeft gezocht naar constructies om haar verplichtingen als werkgever te ontlopen, zoals [verzoeker] stelt, is de kantonrechter niet gebleken. De kantonrechter is van oordeel dat daaruit niet blijkt van een ernstig verwijt aan [verweerder] . Van enig recht op compensatie voor [verzoeker] is daarom niet gebleken.
[verweerder] moet deugdelijke bruto-netto specificaties verstrekken aan [verweerder]
3.37
Het verzoek om [verweerder] te veroordelen deugdelijke bruto-netto specificaties te verstrekken waarin de betalingen zijn verwerkt, zal worden toegewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen
3.38
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Er worden namelijk geen stellingen ingenomen dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Dat is wel nodig om buitengerechtelijke incassokosten toegewezen te krijgen.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.39
Gelet op de aard van de zaak en de gegeven omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
verklaart voor recht dat tussen partijen vanaf 1 januari 2019 sprake is van een arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:610 BW Pro;
4.2
veroordeelt [verweerder] tot betaling van het bruto equivalent van € 97,05 netto en € 1.842,75 netto aan achterstallig loon over de maanden november 2025 en december 2025, te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling;
4.3
veroordeelt [verweerder] tot betaling van het bruto equivalent van € 1.841,75 netto aan gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, berekend vanaf 1 januari 2026 tot de dag van volledige betaling;
4.4
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen een transitievergoeding zoals bedoeld in artikel 7:673 lid 1 en Pro 2 BW over de periode van 1 januari 2019 tot 1 januari 2026 met als uitgangspunt voor het loon het bruto equivalent van € 1.841,75 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 1 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;
4.5
veroordeelt [verweerder] tot verstrekking aan [verzoeker] van deugdelijke netto/bruto specificaties waarin voormelde betalingen zijn verwerkt;
4.6
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.7
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.8
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:610 BW Pro.
2.HR 6 november 2020: ECLI:NL:HR:2020:1746 (X/Gemeente Amsterdam) en later bevestigd in HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2020:443 (Deliveroo).
3.Productie 2 bij verweerschrift.
4.Bijlage 1 bij aanvullende productie 24 van [verzoeker] .
5.Aanvullende productie 25 van [verzoeker] .
6.Aanvullende productie 26 van [verzoeker] .
7.Aanvullende productie 27 van [verzoeker] .
8.Aanvullende productie 27 van [verzoeker] .
9.Productie 4 bij verweerschrift en aanvullende productie 22 van [verzoeker] .
10.Dit model werd ook gebruikt voor de werkzaamheden die [verzoeker] als Saar verrichte voor cliënten.
11.Hoge Raad, 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443.
12.Productie 6 bij verweerschrift.
13.Productie 13 bij verzoekschrift.
14.Aanvullende productie 25 van [verzoeker] .
15.Productie 4 bij verweerschrift en aanvullende productie 22 van [verzoeker] .
16.Productie 6 bij verzoekschrift.