ECLI:NL:RBMNE:2026:4390

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/6542
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.5 Wmo 2015Besluit bouwwerken leefomgeving
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar trapliftplaatsing

Eiser diende op 24 maart 2025 een aanvraag in voor een traplift op grond van de Wmo 2015. Het college kende een traplift met één bocht toe, onder de voorwaarde dat plaatsing technisch mogelijk is en door een gecontracteerde leverancier gebeurt. Eiser maakte bezwaar tegen het besluit, maar het college verklaarde dit niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Eiser betoogde dat hij pas tijdens de montage bekend werd met de voorgenomen plaatsing aan de muurzijde, waarbij de trapleuning verwijderd zou worden, wat gevaarlijke situaties voor medebewoners oplevert. De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat eiser pas op het moment van de montage bekend werd met de feitelijke plaatsing en de gevolgen daarvan.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het college moet motiveren hoe en waar de traplift wordt geplaatst en dat dit in overeenstemming is met wet- en regelgeving. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen over het bezwaar tegen de trapliftplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6542

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: A. Stokhof),
en

het college van burgemeester en wethouders van Almere, het college

(gemachtigden: A. Nagtegaal en H. van den Bosch).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 24 maart 2025 een aanvraag ingediend voor een traplift op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).
2. Met het besluit van 25 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het college aan eiser een maatwerkvoorziening in de vorm van een traplift met één bocht toegekend.
3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
4. Bij besluit van 17 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
6. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

7. Eiser huurt twee kamers op de eerste verdieping van een woning. Hij heeft pijn bij het lopen en is een keer van de trap gevallen. Eiser heeft medebewoners die ook gebruikmaken van de trap.
8. Bij besluit van 25 maart 2025 heeft het college aan eiser een traplift toegekend met één bocht. In dat besluit heeft het college de voorwaarde gesteld dat het plaatsen van de traplift technisch mogelijk moet zijn. Verder is in het besluit opgenomen dat de traplift wordt geleverd door een leverancier en/of aannemer die een contract heeft met het college. [bedrijf] zal contact opnemen met eiser om de situatie in te meten, om zo te kunnen bepalen welk type traplift in de woning geplaatst wordt. Als een traplift wordt geplaatst aan de buitenzijde van de trap (waarbij de leuning wordt verwijderd), dan zorgt de leverancier en/of aannemer voor een leuning aan de andere kant van de trap.
9. Volgens het college heeft de trapliftfabrikant op 28 maart 2025 tijdens een huisbezoek aan eiser meegedeeld dat de traplift aan de muurzijde geplaatst zal worden en is hiermee sprake van verlengde besluitvorming. De termijn voor het indienen van het bezwaar eindigde daarom op 12 mei 2025. Omdat het bezwaar pas op 25 juni 2025 is ingediend, is het bezwaar niet-ontvankelijk. Er is geen sprake van een verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
10. Eiser voert in beroep aan dat hij het niet eens is met de manier waarop de traplift wordt geplaatst. Het plaatsen van de traplift aan de muurzijde leidt ertoe dat de beschikbare loopruimte op de trap kleiner wordt en dit levert een gevaarlijke situatie op voor de overige bewoners die de trap gebruiken. Pas tijdens het laatste bezoek van de monteur is gebleken dat de trapleuning verwijderd moest worden. Ook dit levert een gevaarlijke situatie op. De voorgenomen plaatsing van de traplift is in strijd met het Besluit bouwwerken leefomgeving. Eiser heeft direct bezwaar gemaakt toen hij wist dat de traplift niet veilig geplaatst zou gaan worden. Er is daarom sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
11. Tussen partijen is niet in geschil is dat het bezwaar te laat is ingediend, omdat eiser pas op 25 juni 2025 bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 25 maart 2025.
12. De rechtbank overweegt dat voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding is vereist dat de termijnoverschrijding niet aan eiser kan worden toegerekend. Daarnaast is vereist dat eiser het bezwaarschrift zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs van hem kan worden verlangd heeft ingediend. [1]
13. De rechtbank stelt vast dat het college bij besluit van 25 maart 2025 een traplift heeft toegekend. Er bestond voor eiser op dat moment nog geen reden om bezwaar te maken. Uit de stukken blijkt dat de trapliftfabrikant op 28 maart 2025 bij eiser thuis is geweest voor het inmeten van de traplift. Tijdens het inmeten is de mededeling gedaan dat de traplift in april geplaatst zou worden. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de trapliftfabrikant op 28 maart 2025 aan eiser heeft medegedeeld dat de traplift aan de muurzijde zou worden geplaatst. Op 28 april 2025 is de monteur bij eiser thuis gekomen om de traplift te plaatsen. Uit de werkbon van de monteur blijkt dat eiser niet wilde dat de trapleuning werd verwijderd. Ook blijkt dat eiser graag wilde bijbetalen voor plaatsing van de traplift aan de spilzijde. Volgens eiser werd hij er pas op dat moment mee bekend dat de trapleuning mogelijk verwijderd zou worden. De plaatsing van de traplift is die dag niet doorgegaan. Vervolgens heeft eiser bij e-mail van 21 mei 2025 aan het college gevraagd om per ommegaande een goede traplift te monteren. Op 25 juni 2025 heeft het college aan eiser een e-mail doorgezonden van de trapliftfabrikant, waarin staat dat montage van de traplift aan de muurzijde de voorkeur heeft boven montage aan de spilzijde. Ook staat in die e-mail dat voor een optimale montage de trapleuning aan de muurzijde gedemonteerd dient te worden. Eiser heeft diezelfde dag bezwaar gemaakt, omdat hij niet wil dat de traplift aan de muurzijde wordt geplaatst. Ook wil eiser niet dat de trapleuning wordt verwijderd. De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding onder deze omstandigheden verschoonbaar moet worden geacht.
14. Het college heeft het bezwaar dus ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond, de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen en inhoudelijk te beslissen op het bezwaar van eiser. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van zes weken. Hierbij is het volgende van belang.
16. Of met een maatwerkvoorziening een passende bijdrage wordt geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo, hangt mede af van de vraag of deze voorziening feitelijk gerealiseerd kan worden. Hierbij speelt ook een rol of de voorziening niet in strijd is met andere wet- en regelgeving. [2] Bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar moet het college inzichtelijk maken waar en op welke wijze de traplift geplaatst zal worden, en dat de plaatsing in overeenstemming is met andere wet- en regelgeving.
17. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De gemachtigde van eiser heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. Dit leidt tot een totaalbedrag van € 1.868,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 17 oktober 2025;
- draagt het college op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van
mr.M. van Ettikhoven, griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op
12 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:420.
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1511).